Jolies Heij
Laatste reacties
Door personen langs pleisterplaatsen

Mir ist zuweilen so, als ob

Das Herz in mir zerbrach.

Ich habe manchmal Heimweh.

Ich weiss nur nicht, wonach...

 

Mascha Kaléko

 

 

Und im Vorbeigehn,

ganz absichtslos,

zünde ich die eine oder andere

Laterne an

in den Herzen am Wegrand.

 

Hilde Domin

 

 

Zondag 6 augustus

De eerste nacht buitenshuis doorgebracht in het schuurtje van mijn vader. Het is de laatste jaren traditie om de reis te beginnen in de Wouwse Plantage en mijn ouwe vader er weer een jaar bij te wensen. Op zijn leeftijd is de tijd kostbaar. Zus, zwager en neefje waren ook van de partij en ik droeg twee gedichten voor het gezelschap voor – over een tuin in Srebrenica en psychiatrisch patiënte Linda Maria Frances, die ooit een workshop bij me volgde. Na het eten vertrok de helft van de familie, zweeg de muziek op de braderie in het dorp en daalde de rust over de Plantage neer. Het was volle maan en ik spotte twee vallende sterren, nog net op tijd voor een schietgebedje. Ik ben niet gelovig, maar koester mijn bijgeloof. Na de lunch afscheid van pa en stiefmoe voor de eerste etappe naar Wertheim. Het belooft opnieuw een frisse nacht te worden. Waar we heen willen woedt al wekenlang een hittegolf met temperaturen boven de 40 graden. Waar beginnen we aan.

Het motto van deze reis? Mensen in hun leefhabitat versus de vreemdeling, de passant, stilstand versus beweging.

 

Maandag 7 augustus

Tegelijkertijd is dit een heel persoonlijk motto, aangezien mijn eigen leefhabitat – dat is te zeggen mijn lichaam, dat al twee jaar jeukt en prikt – me dusdanig in de weg zit dat ik ervoor op de vlucht wil, eraan wil ontsnappen door in beweging te blijven. Drank helpt om me te ontspannen. Afleiding helpt. Bewegen helpt, vooral als de jeuk even plaats maakt voor de fysieke pijn van de inspanning. Zweten is lekker. Zwemmen helpt ook, want de streling van het water strijkt de jeuk weg.

In de krant werd een maansverduistering aangekondigd, toen we deze stad kwamen binnengerold konden we in de verste verte nog net het laatste hapje uit de maan  waarnemen. Maar de camping ligt in een dal en er stond een knoeperd van een berg voor het hemellichaam. Passau is een slaapstadje met indrukwekkende en imposante kastelen en superdeluxe rondvaartboten.

 

Hoe weinig ik van nut ben

 

Wat heb ik te betekenen als haar lichaam

haar te krap zit, denk je, en misschien wil ze

naar die ander met huid zo ruim dat

hij uit zijn land is gegroeid. Wil ze met hem

 

het luchtruim kiezen, de zon verduisteren?

Je rijdt haar in een huurauto rond, deze

illusie van vrijheid moet je straks weer

inleveren. Je hangt de maan voor haar op

 

in deze driestromenstad en plant een burcht

op iedere wolk. Een huursoldaat ben je gebleven

dienaar van Batavieren, zo geef je de stad

 

haar naam en bouwt een schip van kristal.

Ontsteekt een willekeurige lantaarn en hoopt

dat die diep in haar hart ontbranden zal.

 

 

Dinsdag 8 augustus

Passau steekt als het voorsteven van een schip in de samenstroming van Donau en Inn uit. “Kijk, je ziet het kleurverschil,” wees mijn reisgenoot toen we op een uitkijkpunt bij kasteel Oberhausen stonden. “De Inn is bruin en de Donau is groen.”

Het is een stad als een openluchtmuseum met kronkelsteegjes, imposante gebouwen en een barokke Dom – genoemd naar de bijbelse Sint Stephanus, die gestenigd werd en zijn mantel aan Saulus gaf -, maar kroegen die na elven open zijn, zelfs restaurants die na negenen eten uitserveren, zijn met een lantaarntje te vinden. Vandaar dat we in een veel te dure, van toeristen vergeven Biergarten belandden, waar we alleen nog Brot mit Aufstrich konden krijgen. Zoals dat zo vaak gaat in een vreemde stad bevind je je op het hongerigste moment net in de verkeerde wijk en als je dan gesterkt weer op pad gaat, struikel je ineens over de cafeetjes, de eettentjes, de Döners en de aziatische toko’s.

 

Woensdag 9 augustus

Over landweggetjes door Oostenrijk gekropen. Mijn reisgenoot wilde ons over de Hohe Tauern heen loodsen (“vanwege het magnifieke uitzicht”), maar Tom besloot voor een andere route. Die kiest sowieso altijd de directste, maar niet persé de snelste route. Op de camping in Klein Lobming in de Steiermark een achterafhoekje tussen de motormuizen gevonden. In het weekend gaat hier in de buurt een wereldberoemde motorrally van start- enfin, wereldberoemd in het circuit.

Vannacht heeft het de hele tijd geregend; ook nu dreigt onweer.

 

Het mantra voor verdwijnen

 

De paden op de lanen af, is het hedendaagse

mantra van mountainbikers en padvinders

die de toeristische concentratiekampen bevolken.

Ze hangen hun luizige verdiensten te drogen

 

groeten beleefd als er onweer dreigt en ook al

rekenen ze niet in knopen maar hysterisch

op alarmerende apps en hebben het verleerd

om naar de lucht te kijken. De drilinstructie

 

is gelijk. Ze matten het vege lijf af en keren terug

naar iets wat op hun schim lijkt. De berglucht doet

goed dat maakt het gemoed ijl en hersenspinsels

broos. Het doet verlangen naar verdwijnen,

 

maar nog altijd is er dat lichaam, het kan niet

nalaten weg te kwijnen om kalverliefde, wenend

op het trapje naar de volle maan.

 

Donderdag 10 augustus

Onze geplande fietstocht door het Lobmingtal viel kletsend in het water. Vannacht was het noodweer met ketsende hagelstenen ter grootte van pingpongballen – gelukkig is er op de camping een Aufenthaltsraum als een huiskamer, waar het goed toeven is.

Vanochtend regende het nog steeds. Op de Wanderkarte, die we bij aankomst hadden gekregen, zag ik dat er in Judenburg een stadsmuseum was, een prima alternatief bij slecht weer. Maar toen we erheen reden, was de lucht weer stralend blauw, zodat ik haast spijt kreeg. Echter, het was een interessant museum over de lokale geschiedenis met een gratis, uitvoerige rondleiding van de archivaris en handschriftenontcijferaar. Hij liet ons kennis maken met allerlei lokale wederwaardigheden als Speik (een parfum), de Judenburger gulden en de Biedermeierzeit, waarin kanselier Metternich zo’n politioneel schrikbewind voerde dat het openbare leven zich grotendeels binnen de huiselijke muren afspeelde. Ook vertelde hij over de Stammburg van de Lichtensteiner, waar in de 13e eeuw de minnezanger en politicus Ulrich von Lichtenstein zetelde. De naam Judenburg dook voor het eerst in geschriften uit 1074 op als mercatum Judenburch, waar joodse handelaren een handelspost stichtten. De Nazis wilden de naam van de stad in Zirbenstadt (Alpendennenstad) veranderen.

Daarna wilde ik het Hexenpfad bij Rachau lopen, maar natuurlijk begon het prompt weer te onweren. Toen we ons eindelijk op het pad waagden, had de schemering al ingezet. We passeerden een paar “heksenhuisjes” met planken met kruiden en bezems tegen de muur; in één huisje prijkte een doorgesneden boomstam met daarin een keltische boomhoroscoop. Een heks kon ontmaskerd worden door haar tijdens een processie de kerktoren te laten beklimmen en bovenin door een meelzeef naar beneden te laten kijken. Als een stukje van een vrouwenschort los van de rest leek te zweven, betrof het de schort van een heks. Is dat niet altijd het geval als je door een zeef kijkt? Bij ons wierpen ze vrouwen in de gracht en als ze bleven drijven, wat door hun opbollende hoepelrokken altijd het geval was, was hun lot bezegeld. Zo had iedere regio kennelijk z’n eigen gebruiken – als maar met de stelligste zekerheid kon worden aangetoond dat de beschuldigde vrouw daadwerkelijk een heks was. Vaak waren het niet eens “boosaardige” of “slechte” vrouwen, maar juist welzijnswerkers, die zich door hun goede daden veelal de jaloezie van hun stadgenoten op de hals haalden.

 

Verlokking niet vrij van hekserij

 

Als de hemel scheurt boven de godsvruchtige

jodenburcht is het moeilijk om er geen hekserij

in te zien. De monniken vreten zich beschermd

door muren, de bidcel vrij van aardstralen en

 

hemelse verlokkingen. Stenen groeien enkel uit

de grond, ze vallen niet van een handpalm van

hogerhand. Een enkeling heeft een neus voor

het parfum van het kwaad, maar dat is zoals

 

ik jou versta als je hardop onze boomhoroscoop

voorleest. Ik een harde noot om te kraken terwijl

jij liever de vrede bewaart. Af en toe krijgt haat

 

de overhand, dan scheurt de hemel en slinger je

lichtflitsen in mijn gezicht. Ik zwicht, noem je

executeur, jij mij heks en magie verzekerd.

 

Zaterdag 12 augustus

Na een zonnige rit naar Cakovec in Noord-Kroatië is vannacht het weer omgeslagen en regent het al de hele dag. Cakovec is dermate klein dat het ons gisteravond aardig wat moeite kostte om iets te eten te vinden. Uiteindelijk wees een muzikant, die juist tegen zijn gitaar stond uit te rusten en uitstekend Engels sprak, ons de weg. “Er zijn hier niet veel restaurants,” beaamde hij. “Dit is maar een klein stadje. De mensen gaan veel liever naar het café,” verzuchtte hij met de gelatenheid van een local die zich voor de bekrompenheid van zijn stad verontschuldigt. Inderdaad struikelde je in de binnenstad over de café’s en boulevardbrede terrassen. De pizzeria had een rustieke binnenplaats, maar nog voordat de pizza arriveerde moesten we naar binnen vanwege de plots opstekende wind.

Het pension ligt recht tegenover het station, waar geen bedrijvigheid van betekenis lijkt plaats te vinden. Dat geldt ook voor het pension zelf. De houderes brengt ons koffie in een verlaten gelagzaal. Ze spreekt gebroken Duits met een zwaar accent en ik koeterwaals wat in het Kroatisch, zoals de taal hier heet. “Dobro govoris Hrvatski,” zegt ze stralend waarop ik me haast te zeggen dat haar Duits toch echt veel beter is.

Na de koffie is het tijd voor een bezoekje aan Varazdin, dat van 1756 tot 1776 de hoofdstad van Kroatië was. Toen legde een brand het bisschoppelijk paleis in de as, wat de bisschop de benen naar Zagreb deed nemen. Veel loos is er niet voor een zaterdagmiddag. De burcht met het stadsmuseum zit al dicht, wel lopen er wat verdwaalde bruiloftsgasten rond en laat de bruid zich juist voor de foto in een oude joegotrabant hijsen. Het stadje herbergt maar liefst vier kerken die allemaal halfleeg zijn. Een opmerkelijke curiositeit: op een bordje met historische informatie is sprake van de “kroatische koningin Elisabeth” – Sissy nu ook al door het kroatische nationalisme ingelijfd? In de Vecernji List (Avondblad) paginagrote oproepen om op Maria Hemelvaart te bidden voor de familie, het vaderland, de kerk en de vrede. Het wordt ook ieder jaar gekker met die religieuze beleving.

 

Zondag 13 augustus

Vanmiddag naar de romeinse kuurbaden in Varazdinski Toplice gereden. De zwavellucht woei ons tegemoet, de opgravingen waren nog in volle gang. De aanpalende braderie produceerde discobeats op volle sterkte.

Terug in Varazdin aan de voet van de burcht gepicknickt met op de achtergrond een groepje dronken tieners, die de longen uit hun lijf zongen.

Op nog een wandelingetje door de stad liepen we tegen een curiositeit aan, die we gisteren niet hadden opgemerkt: een ijzeren dame in een hoepelrok die met liefdesslotjes was behangen. Naar het verhaal “Krinolina ljubavi” (hoepelrokliefde) van de 19e eeuwse varazdijnse schrijver Ljubo Babic, beter bekend als Ksaver Sandor Gjalski, over luitenant Milic, die een 14-jarig meisje van de dood redt en vanzelfsprekend verliefd op haar wordt, maar op de dag voor hun huwelijk sterft ze en sindsdien dwaalt de luitenant krankzinnig geworden door de burcht en werpt de ene geparfumeerde zakdoek na de andere in de slotgracht. (Datzelfde dient men met de liefdesslotjes te doen, maar ik heb er geeneen in de (gedempte) gracht aangetroffen, men prefereert de hoepelrokbaleinen.) Uiteindelijk pleegt hij – hoe kan het ook anders – zelfmoord om met zijn geliefde Anastasija te worden herenigd. Vandaar dat de burcht een geliefde plek voor huwelijksvoltrekkingen is. Als dat maar geen schaduw over het prille geluk werpt!

 

Hoepelrokliefde

 

De burcht slaapt en dronkaards zingen op de wallen

terwijl bruiden dromen van eeuwig geluk en zich

met huid en haar en sluier in een joegotrabant

laten hijsen voor een idylle in sluitertijd, want

 

zo gaat het lied dat haar meevoert door de poort

zo lang de rozen bloeien en ze beiden heel alleen

gelukkig zijn zoals iedere moderne prinses

die voortijdig aan haar einde komt, al is

 

magerzucht niet dodelijk, een stiletto of een

schuin oog is dat wel en prinsen hertrouwen, want liefde met obstakels duurt langer en het sprookje is

 

wat de dichter ervan maakt, dus kom mee naar deze

vesting zo lang de zon de muren pleistert waar ik je

in mijn hart opsluit opdat we alleen en ongelukkig.

 

 

Maandag 14 augustus

Op de valreep nog het museum in het slot van Cakovec bezocht, dat meer een Heimatmuseum bleek te zijn met ditjes en datjes over lokale gebruiken. Over seizoensfeesten, de rituelen bij het trouwen, kinderen krijgen en de dood (als het regent gaat de ziel naar de hemel, als de zon schijnt naar de hel), over een lokale componist (Josip Slavenski) en, nogal uitgebreid, over de oorlog in de jaren 90. Dit gebied, de Medumurje, werd namelijk vanwege de nabijheid van de sloweense grens, als eerste door het Joegoslavische Volksleger bezet nadat het zich uit Slowenië had teruggetrokken.

Cakovec blijkt – hoe klein het ook is - nogal een traditie op het gebied van de boekdrukkunst te hebben met een keur aan drukkerijen en bibliotheken; bovendien vond er een rijk cultureel leven in de salons van de 19e eeuw plaats. Helaas was alle informatie daaromtrent in het Kroatisch en slechts mondjesmaat in het Engels en om al die kroatische teksten te ontcijferen was me toch echt te veel.

Daarna naar Osijek vertrokken. Op de bijrijdersplaats las ik de krant, die meldde dat Kroaten, Serviërs en Bosniërs onderling wél trouwen, maar niet met andere ingezetenen van de EU omdat men te zeer is gesteld op de traditionele rol van de vrouw. Voorts een artikel van maar liefst twee bladvullende pagina’s over een of andere middeleeuwse onderzoekster, die het leven van Maria heeft beschreven. “Het lijkt wel alsof die Maria Hemelvaartcultus ieder jaar groter wordt,” zei ik tegen mijn reisgenoot.

Bij het appartement in Osijek wachtte Gordana ons op met Bobby de hond, die ieder jaar gedurfder en brutaler wordt, én een rondbuikige meloen met de slivovica van Jasmina’s schoonpapa. “Jasmina was vanmiddag keidruk in het hotel,” vertelde ze. “Maar ze kwam me nog speciaal achterna met een flesje slivo voor onze gasten.”

 

Woensdag 16 augustus

Gisteren de hele dag in de heerlijk gekoelde woning uitgeblazen, mijn oefeningen gedaan en vervolgens naar het gemeentelijke zwembad om drie kwartier baantjes te trekken. En alsof dat nog niet genoeg was drie kwartier terug gewandeld naar het appartement.

Vandaag naar Nasice gereden omdat daar volgens mijn reisgenoot een bezienswaardig slot staat, waar hij vorig jaar al een blik op had geworpen nadat hij mij in Slavonski Brod had afgezet. Helaas was het museum weer eens dicht, alleen op dinsdag is het tot zeven uur ’s avonds open. Je kunt hier geen peil op de openingstijden trekken. Maar alleen al het slotpark was indrukwekkend, jammer genoeg droeg ik het verkeerde schoeisel, met dunne zolen waar de kiezelsteentjes venijnig doorheen prikten. Een kerk bezichtigd die geheel verlaten was. De stilte werd plots doorbroken door een diender die met overdreven ijver een wijwaterbak begon te poetsen. Toch vind ik dat voor zo’n godsvruchtig land de kerken verdacht leeg zijn. Toen we ooit eens, lang geleden, door Portugal trokken, zaten de kerken daar vol met prevelende en zich met wijwater besprenkelende gelovigen.

Maar het hoogtepunt waren de overlekkere cevapcici bij het plaatselijke restaurant en mijn reisgenoot is nóg bezig om de kruimels van zijn bord te stofzuigen.

 

 

 

Donderdag 17 augustus

Ik werd enthousiast begroet door de kapster, die mij inmiddels goed kent. Toen mijn reisgenoot eindelijk arriveerde en ik inmiddels de halve Glas Slavonije (De Stem van Slavonië) had doorgespit, duwde ik hem ook gelijk maar in de kappersstoel voor een knipbeurt.

Daarna twee dichtbundels bij het antiquariaat gekocht en in de boekhandel een lijvige bundel van Enes Kisevic, één van de bekendste hedendaagse bosnische dichters. Maar wanneer ga ik in vredesnaam al die bundels lezen? Mijn verzameling servokroatische poëzie is gestaag groeiende en ik wil niet beweren dat ik er nog niets van heb gelezen, maar ik doe er nu eenmaal vreselijk lang over, hoewel ik met de krant steeds meer tempo weet te maken. Een krant is toch een soort feuilleton en als je de toon te pakken hebt, is die helemaal niet zo moeilijk te begrijpen. Maar vooral met spreken voel ik me kolderiek als de joegoslavische koeterwaalsvariant van mijn vader, die op onze gezinsvakanties in Italië het woord voerde door een reeks woorden achter elkaar uit te stoten, omlijst met driftige gebaren, waarbij zijn woordenschat niet meer behelsde dan: goedendag, tot ziens, wat kost het en de getallen van één tot pakweg honderd.

 

Vesting voor liefdevolle minnaars

 

De vesting heeft een kijkluik voor als de vijand

nadert, een wimpel voor de gevoelstemperatuur

een wreef om op hoofden neer te strijken, een voet

om met het rozenwater te besprenkelen. Mijn stad

 

draagt de wonden met zich mee, staat er op

een brug, waar kappers de tondeuse laten snorren

om al het onkruid te wieden en flaneerders

zijn weergekeerd. Wie kan haar veroveren

 

grasduinende minnaars zijn verdergetrokken

met nalating van sporen. Die ene die haar breekt

is tot diepe voren in staat, hij zal waden tot

 

aan haar oevers, het steen en staal liefdevol

strelen maar je weet nooit of die tegenpool wel

echt bestaat, dus sla die kasteelroman maar dicht.

 

 

Vrijdag 18 augustus

Vandaag naar het het stadsmuseum van Vukovar in het Eltzslot. De keurvorst van Mainz, Philipp Karl von Eltz, kocht in 1736 het landgoed Vukovar. In 1749 werd hier door Anselm Kasimir von Eltz een slot gebouwd en verplaatste de familie haar Wohnsitz naar Vukovar. Na de Tweede Wereldoorlog werden de von Eltzen onteigend en verdreven, zoals praktisch alle Duitsers in de streek.

Een vriendelijke geschiedenislerares, die er ook maar “toevallig” verzeild was geraakt omdat het voltallige museumpersoneel met vakantie was, legde ons iets over het museum uit, dat na de “vaderlandse oorlog”, zoals ze hier de oorlog uit de jaren negentig met Servië noemen, helemaal opnieuw is ingericht. Sowieso is het kapotgeschoten en nagenoeg verwoeste kasteel vanaf de grond opgebouwd en weer als nieuw.

“Wij presenteren ons graag als barokstad,” zei de geschiedenislerares trots. Zeker is dat Vukovar de laatste jaren pijlsnel uit de as aan het herrijzen is met een filmfestival en vele klassieke concerten. De ruïnes vallen steeds meer weg bij de spik-en-span-gevels, veelal in zachte pasteltinten. Toch sprong het verwoeste stationgebouwtje meteen in het oog en ik beval mijn reisgenoot om te keren, zodat ik er een tekening van kon maken. “Maar het lijkt wel alsof dat bord met Vukovar er later is bijgezet,” meende mijn reisgenoot. “Het ziet er veel te nieuw uit.” Misschien ten bate van het ruïnerampentoerisme? Over een paar jaar staan hier misschien luxe-appartementen, wie weet. Hoewel men duidelijk zijn best doet om de gebouwen in de oorspronkelijke staat te herstellen. Ook in Osijek stikt het van de gebouwen die een geduchte make over krijgen. Zo’n gebouw had ik een paar jaar geleden nog in vervallen staat getekend en nu zat er een fris laagje verf op en waren alle rimpels weggewerkt.

 

Feniks zonder as

 

Er was een kaalslag en er was het nulde uur:

soms kun je niet om de liefde heen die alles uit

de weg ruimt wat binnen schootsafstand en de

gang naar het doel vertraagt. Wordt u van

 

binnen verteerd, dan is dit het resultaat. De elastieken

weerstand geknapt, de buik vol scherven en het puin

opgetast in de kelders van het geheugen.

Voor spijt is het te fraai, het netvlies een

 

oorlogsfilm op herhaling. In café’s brullen de veteranen

en houdt zelfs het koelste glas het niet droog. Zo lang er

muren staan valt er iets te verdedigen, te overwinnen,

 

te ontginnen, maar leegtes wissen alles uit. Zo ontstaat

geschiedenis. Ze naait haar gezicht opnieuw aan elkaar.

Een feniks kan heel goed zonder as.

 

 

Zaterdag 19 augustus

Naar het museum of fine arts voor een expositie van duitse schilders die in de streek hebben geleefd en gewerkt. Mücke, de hofschilder van de Eltzfamilie, hing er ook tussen. Verder waren het hoofdzakelijk schilders uit de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw. Na WOII zijn alle Duitsers uit de wijde contreien verjaagd.

Vlak voordat we richting museum vertrokken kwam de schoonmaakster binnenvallen. Gelukkig waren we voor de verandering vroeg op, anders had ze ons in bed aangetroffen. Wat een lastige taal is het toch, als ik na al die jaren niet eens kan zeggen dat ze een half uur later moest komen! Gelukkig had ze dat al begrepen, maar ik voelde me wel weer te kijk staan, alsof de woorden uit alle gaten in mijn geheugen lekken terwijl ik wel meteen weet wat ze betekenen als ik ze onder ogen krijg.

De middag doorgebracht in winkelcentra waar het aangenaam ge-airconditioneerd was terwijl buiten een hitte van 35 graden loeide. Tegen de avond noordwaarts gereden voor een wandeling in een van droogte knisperend bos bij Beli Manastir. Geen blaadje bewoog, alleen takjes ritselden onder onze voeten. Desolater had het land niet kunnen zijn.

 

Zondag 20 augustus

Het weer is omgeslagen, toen ik het rolluik optrok zag ik de zee van paraplu’s van de kerkgangers. De katholieken hier gaan op zondag zelfs twee keer ter kerke, dat gebeurt in Nederland enkel nog bij de zwartekousen. Mijn moeder moest in haar jeugd twee keer, ik maar één keer en we zijn jarenlang helemaal niet geweest tot mijn vader na het ouderlingenbezoek hernieuwd de geest kreeg. Maar het verval was niet tegen te gaan, we werden groot en opstandig en gingen ons eigen leven leiden.

Door de regen waren we tot binnenblijven veroordeeld, maar ik moest toch ook inpakken voor mijn reis naar Bosnië. In de avond nog even onder een purperen lucht langs een dode zij-arm van de Drava gelopen.

 

Zondag in jouw paradijs

 

De regen neemt de kerkgangers mee en hun schaduwen

vervloeien op straat, een paraplu is een tweede huid

in dit land zonder dak. Het goddelijke oog neemt

toch wel waar en je verschuilt je beter voor de dagen

 

in de hitte van de strijd als winkelcentra als bunkers

ingelijfd en ploerten voor altijd lijken te blijven.

Het blozende steen haalt opgelucht adem en zuigt

iedere druppel op die traan is en geen bloed of

 

zweet meer. De vijand is van de horizon gevallen

en ons rest enkel betonrot, maar vandaag koesteren we

ons onder watervallen. We dopen onze geslepen

 

pennen in lankmoedigheid. Ik laat je met rust. Als

verslagen oude man heb je geen verlangens dan het zicht

op een door regen versluierde zonsondergang.

 

 

Maandag 21 augustus

De regen is voorbij en vanmiddag was het een aangename 22 graden.

Toen we bij het appartement wegreden, zag ik tot mijn schrik dat het al tegen enen was en de bus vertrok om 5 voor half 3. Het was een uur rijden naar Slavonski Brod, ik moest nog een kaartje kopen, en een krant, en naar de WC, en een kop koffie zou er ook wel ingaan. Ik liet mijn reisgenoot in de rij voor het loket staan terwijl ik al die andere dingen ging doen en toen ik aan de beurt was, stuurde ik hem op koffie uit. Met het kopje nog in mijn hand overhandigde ik mijn koffer aan de steward. Dat getreuzel aan het loket was behoorlijk zenuwslopend geweest, zeker als anderen voordringen en tussen de bedrijven door tegen de lokettiste beginnen te ratelen, die daar gewoon op inging. Niet alleen in Bosnië doen ze het kalm aan, in Slavonië kunnen ze er ook wat van.

Maar nu was ik hoog en droog aan boord en moest afscheid nemen van mijn reisgenoot. Onder de vertederende blikken van mijn nieuwe reisgenoten voor een paar uur zwaaide ik naar hem tot hij uit het zicht verdween.

Het eerste wat bij aankomst in Tuzla opviel was dat het busstation spiksplinternieuw was. Er zit zelfs een kapper, een Dönerzaak en een café in en er hangen gelukkig geen zigeunerkinderen meer rond.

 

Woensdag 23 augustus

Vanmiddag heb ik een boek gekocht met de titel: Zasto je zabranjeno bosanski jezik? (Waarom is de bosnische taal verboden?) Misschien is het wel weer zo’n nationalistisch werkje, maar ik was toch nieuwsgierig. De taal, dat is ook zoiets. Ik zat eens in de trein naar Rotterdam naast een Kroatische, die me duidelijk maakte dat er slechts twee talen zijn, namelijk Servisch en Kroatisch en dat Bosnisch geen aparte taal is. Zelf heb ik het geregeld over Bosnokroatisch omdat in Bosnië en een deel van Kroatië dezelfde taal wordt gesproken. Dit zogenaamde “Hoogkroatisch” wordt in Kroatië alleen in Slavonië en ten zuiden van Zagreb gesproken. Ten noorden van Zagreb, in Istrië, Dalmatië en op de eilanden spreekt men dialect, dus in feite in het grootste deel van Kroatië. Vuk Karadzic, de 19e eeuwse taalkundige die de joegoslavische talen “standaardiseerde”, kwam uit Oost-Bosnië en riep de taalvariant die daar werd gesproken tot standaardtaal uit. Uit nationalistische overwegingen noemde hij dit Servisch. Dit is in feite niet correct omdat het Servisch tot de ekavische variant behoort en het Bosnisch en Kroatisch tot de ijekavische variant. Dit uit zich in een miniem klankverschil: waar de Serviërs voor tijd vreme zeggen, zeggen de Bosniërs en Kroaten vrijeme en vetar (wind) wordt vjetar. Overigens spreken de bosnische Serviërs en de Montenegrijnen óók de ijekavische variant, maar gebruiken het cyrillische schrift, om het nog ingewikkelder te maken. Volgt u mij nog?

In Tuzla zelf is ook het een en ander veranderd. Het zoutmeer is niet meer vrij toegankelijk – er staan nu detectiepoortjes en overal hangt veiligheidspersoneel rond. Bosnië nu ook mee in de vaart der volkeren.

Op weg terug naar de stad hielden twee jongemannen in jasje dasje met hoornen bril mij staande. Of ik de Heer al had ontmoet. Ik zei hun dat ze aan mijn zogenaamd allang bekeerde, van verre komende zieltje waarschijnlijk niet veel zouden hebben.

 

De stad ontmoet

 

Vandaag had ik twee ontmoetingen, maar het was

niet met jou. Jij hebt deze stad verlaten en ik

kan je voetstap niet meer van de stenen schrapen.

Een jonge hond rijt tegen mijn pink op, de

 

missionarissen weten niets met mijn vreemde

ziel te beginnen. Hun kuiven zijn blond als van

filmsterren van vroeger en ik zie jou als de

exotische jongeling die ik nooit heb gekend.

 

De stad neemt mij op, maar ik verdwijn niet

in haar, waar jij jouw hand hebt gelegd

kan ik niets meer aanraken, waar ik roep

 

zul jij niet horen, waar ik woorden laat vallen

raap jij ze niet op. Je zult terugkeren, maar je treft

deze stad niet meer op onze naam aan.

 

 

Donderdag 24 augustus

Een lange, vermoeiende dag. Ik was vergeten hoe stressvol het is om door Bosnië te reizen. Om in de felle zon al mijn bagage naar het busstation te moeten zeulen. En om dan tot de ontdekking te komen dat ik mijn jasje in de kast op de kamer had laten hangen. Gelukkig was ik ruim op tijd vertrokken en nog niet ver gekomen, maar het was wel weer een hoop gedoe. Doorweekt kwam ik eindelijk bij het busstation aan. Daar werd ik joviaal in het Duits begroet door het zigeunerjoch dat nu parmantig als het heertje rondliep, hij droeg zelfs een uniform. Zou hij soms zijn ingehuurd als wandelende reisplanner?

De bus was al een paar uur onderweg toen er iets tegen de zijkant klapte. De chauffeur keerde even later om en reed terug. Heeft hij soms een verkeerde afslag genomen? dacht ik. Even later keerde hij opnieuw om en parkeerde de bus verderop in de berm. Ik dacht dat de bus weer eens panne had en begon al mijn spullen bij elkaar te graaien, maar vooralsnog gebeurde er niets. De buschauffeur stapte uit en later steeds meer passagiers die onrustig werden van het wachten en waar in Bosnië een pauze ingelast wordt, moet er gerookt worden. Om me heen hoorde ik “taxi” en “policija”. Gatver, dacht ik, we zullen toch niet op eigen kosten met een taxi verder moeten? Uit eerdere verslagen heeft de lezer kunnen opmaken dat ik het niet zo op bosnische taxi’s heb. De vrouw die voor mij zat had er alvast een besteld. Ik ging buiten ook maar eens poolshoogte nemen toen de politie net kwam aangescheurd. De buschauffeur wees naar een kras op de bus. Verderop stond een man met een soort hooiwagen geparkeerd en het was een druk gebaren over en weer tussen de buschauffeur, de agent en de man met de hooiwagen. Aan de man die naast mij stond vroeg ik wat er aan de hand was. Hij bevestigde wat ik al vermoedde: een aanrijding. Ik viel in opperste verbazing. En daarvoor moest de politie komen en konden wij niet verder? “Zoiets gebeurt ook alleen maar in Bosnië,” verzuchtte ik tegen de man. Maar misschien hou ik juist daarom wel van dit land, er gebeuren de mafste dingen.

Hoe ver het nog naar Srebrenica was, wilde ik weten. De man zei dat we op zo’n vier kilometer van Bratunac vandaan zaten. Had de chauffeur niet beter aan het einde van de rit de autoriteiten kunnen verwittigen? Enfin, uiteindelijk was het geschil kennelijk opgelost en konden we verder.

Ik verblijf deze keer niet in Misirlije, want dat was volgeboekt, kennelijk met al die bussen toeristen die voor het nieuwe museum in Potocari komen. Ik logeer in het hostel en de eigenaar is een Serf, dat had ik op internet al aan de naam gezien. Ik werd naar mijn kamer gebracht door een oudere vrouw, die een afgematte indruk maakte en geen woord Engels sprak. Ik probeerde nog te informeren tot hoe laat je ’s avonds naar binnen kunt, maar gaf het met een hulpeloos gebaar op omdat ze duidelijk geen idee had wat ik bedoelde. Ik heb een sleutel en ik begreep dat de buitendeur altijd open is. Ze nodigde me in de tuin uit voor een kop koffie en bood me zelfs een rakija aan, wat ik beleefd afsloeg. Ik had nog meer te doen vandaag, wat ik niet op wiebelige benen wilde verrichten.

Toen ik met een kannetje bosnische koffie zat bij te komen kwam er een man met uitgestoken hand op me af, hij bleek de eigenaar te zijn en de vrouw was zijn moeder. Gelukkig sprak hij wel Engels en zelfs erg goed. Toen ik zei al vaker in Srebrenica te zijn geweest grapte hij dat ik inmiddels een local ben, die weet dat er drie straten zijn om in te verdwalen met winkels, café’s en casino’s, “our little Las Vegas”. Net hoorde ik buiten schoten en reed er een auto heel hard weg. Bosnische of amerikaanse toestanden?

Er is hier wel iets veranderd: de binnenstad is opengebroken en er wordt nóg een moskee erbij gebouwd. Avdo van Misirlije vertelde mij een paar jaar geleden al dat de Turken een nieuwe weg zouden gaan aanleggen. Dus zijn uitspanning zit gewoon vol met wegwerkers en moskeebouwers.

 

Vrijdag 25 augustus

Het museum in Potocari was dus niet vrij toegankelijk, in tegenstelling tot wat Edwin mij had verteld. Het lag ook nogal achteraf – zo kan niemand het toch vinden? Ik was evenwel blij dat de Dutchbatvertrekken met de muurschilderingen onberoerd waren gebleven. De stilte die er in deze verzengende hitte heerste was oorverdovend, sowieso leek ik samen met de beveiligingsman de enige levende ziel op de compound. Het Memorial Centre in de grote loods was wel open, maar de film draaide niet omdat er geen levende ziel was om hem voor af te draaien. De expo vertelde weinig over die vreselijke dagen van executies na 11 juli, maar misschien moet je daarvoor in het museum zelf zijn.

Er verblijven nog meer mensen in het hostel, dat kan ik uit het geluid van stromend water, vooral van de douche, opmaken, maar gezien heb ik nog niemand. Ik zat weer alleen onder de parasol in de tuin waarop moeders me even later koffie kwam brengen en nu zag ze er iets gelukkiger uit, ze had bijna iets vertederds over zich. Mile van Mile’s kroeg tegenover het warenhuis noemt haar “Mama Bosa” en omschrijft de eigenaar als zijnde een “dobar covjek” (goed mens).

 

Het zijn maar muren

 

Voor haar zijn het maar muren die ze al te

graag om zich heen had gehad toen de vijand

niet meer met losse flodders schoot en loodsen

geen bescherming boden, dus kroop ze weg in het

 

diepste binnen, dook onder in poelen van vergetelheid.

Haar huis was ze toch al kwijt, nu is ook het lijf bezet tot

in alle nissen en kieren viert men feest in haar het

dronken rondwervelende zaad in weerloze

 

bodem geplant. Er sijpelt regen in de porieën, haar

deert dat nog het meest. Want het brandt, meer

dan vuur ooit zou kunnen. Ze is de doorgangspoort

 

voor geboefte en plunderaars die dit Jericho omver

trekken. Voor haar zijn het maar muren zonder

gezicht, haar eigen reflectie angstwekkend wit.

 

Zaterdag 26 augustus

Mijn voormalige reisgenoot heeft met Puco van PAX geregeld dat ik dinsdag het museum in kan. Het is wel open, echter maar tot drie uur en waarschijnlijk was ik gisteren net te laat, onder het mom: je moet nooit op het heetst van de dag op pad, maar pas na de siësta – om me voor mijn langslaperij te verontschuldigen.

Toen ik vanmiddag de tuin inkwam voor koffie, bood de baas mij een zelfbereid sapje van wijnazijn met geperste sinaasappel aan. “My mother heard you cough,” verklaarde hij. Volgens hem helpt het voor de keel, bovendien is de wijnazijn goed voor de slanke lijn. Vertederend, zoals de mensen hier op natuurlijke middelen en volkswijsheden vertrouwen.

Even later vroeg hij: “Do you like to swim?” En bood me aan om met hem mee te rijden naar een strandje aan de Drina, waar hij – als hij tijd over heeft – nu en dan heengaat. Daar kon ik natuurlijk geen nee tegen zeggen, al gaf ik aan nog naar Bratunac te willen voor een paar boodschappen (ik had dringend extra onderbroeken nodig) en een avondmaaltijd. Bovendien wilde ik mijn zaterdagavond in de “stad” doorbrengen en niet, zoals gisteren, in het uitgestorven kot van Aleksandar, die me van de weeromstuit ook weer het hof begon te maken.

“Dat is geen probleem,” zei Milos (want zo heet hij), “ik zet je na afloop in Bratunac af, daar komen we toch langs.”

Hij dacht dat ik uit Spanje kwam. “Huh?” gaf ik. “Zo Spaans zie ik er toch niet uit?”

“Dat moet je niet zeggen,” zei hij. “Spanje is een van de meest genetisch gemengde landen ter wereld, net als de Balkan.” Vervolgens lepelde hij een lesje geschiedenis op, waar zelfs ik een puntje aan kon zuigen. “Je weet een heleboel van geschiedenis,” zei ik bewonderend.

“Je kunt het heden niet kennen zonder geschiedenis,” stelde hij. “It’s a continuing story. Het gaat nu alleen veel sneller. Het romeinse rijk bestond duizend jaar, Joegoslavië nog geen vijftig. En dan is zo’n land zo maar ineens verdwenen,” zei hij met spijt in zijn stem.

We passeerden een grenspost. “O, hebben jullie wel grenscontrole met Servië?” riep ik verbaasd uit.

“Ja, er werd bepaald dat we niet bij Servië mochten en in Bosnië moesten blijven. Nu hebben we de Moslimkroatische Federatie en de Servische Republiek én Brcko, dat ze van ons hebben afgepakt en waar een drie-etnische stad is geïmplementeerd. In de Federatie is een stelsel van kantons met ieder hun eigen bestuur ingevoerd, daarboven de regering en helemaal bovenaan de Hoge Commissaris. Wij hebben hier gelukkig maar één regering en één bestuur.”

“Ja, het is hopeloos ingewikkeld allemaal,” beaamde ik.

Milos bleek ook zijn talen heel behoorlijk te spreken – buiten Engels beheerst hij het Spaans en Intaliaans en zelfs het Duits. “Maar ik spreek het niet zo graag omdat ik zo’n raar accent heb.”

Zijn accent klonk niet raarder dan wat ik vanmiddag op de radio hoorde: een uitzending over countrymuziek, waar bij ieder lied een uitleg in het Servokroatisch en vervolgens in het Engels werd gegeven door een man met een zwaar slavisch accent.

Milos was eens op vakantie in Hamburg en Lübeck en wilde nog doorsteken naar de Waddeneilanden, maar dat bleek uiteindelijk toch te duur. Hij vroeg of NL een stabiel land is. “Ja,” zei ik, “het is één land met één taal, of eigenlijk twee, in het noorden heb je het Fries, dat op Deens lijkt. Maar het valt gewoon onder nederlands bestuur.”

Er was daadwerkelijk, iets voorbij Bratunac, een strandje aan de Drina met een bar, een barbecue en een springplank. Milos verdween naar vrienden, ik zwom naar Servië en probeerde niet te denken aan het bloed dat door dit water heeft gestroomd.

Nu is het zaterdagavond in het relatief levendige (vergeleken met Srebrenica dan) Bratunac. In het restaurant hoorde ik iemand beweren dat ik ongetwijfeld wel uit Amsterdam afkomstig zou zijn. “Nee,” zei ik, “ik kom niet uit Amsterdam.”

“Rotterdam dan?” probeerde hij.

“Utrecht (Oetregt),” zei ik waarop de bewuste man de duim omhoogstak.

 

Aarde stemt melancholiek

 

Ik schoolslag de Drina op en probeer niet te denken

aan het bloed dat door dit water stroomt. Het

is maar een naam voor goedkope sigaretten.

De bergen wachten zwijgend op de zonsondergang

 

alleen zij weten het schuldige landschap te duiden

en werpen hun beschermende schaduw over de kadavers

van een verloren land. Milosj zegt dat geschiedenis

continu is, maar landen raken verbrokkeld,

 

dat is de aard van aarde en het stemt hem melancholiek

dat alles uit elkaar valt en verdwijnt wanneer kameraden

scheiden zoals wij, maar ik  kom uit een land dat geen

 

oorlog meer kent en gewend aan overvloed doelloos

ronddobbert op de golven van welvaart, niet wetend

wat met al die vrijheid aan te vangen.

 

Zondag 27 augustus

Het was bloedheet en ik voelde me niet lekker, last van mijn maag. Ik zat in de tuin koffie te drinken toen alles zo hevig begon te draaien dat ik subiet naar mijn kamer moest om me op bed uit te strekken. Toen de misselijkheid een beetje gezakt was, besloot ik om een wandelingetje naar Munevera te maken, maar dat viel nog niet mee in de zoemende hitte en doorweekt kwam ik aan. Ik werd bijna juichend begroet met koffie en lekkernijen, die ze onverbiddelijk in mijn tas schoof, ik moest over de telefoon met haar tante in Hengelo praten en toen het begon te schemeren en het enigszins afkoelde, stapte ik op voor nog een wandelingetje naar het “kruis”, maar het was al aardig donker en nadat ik mijn benen had opengehaald aan de doornentakken liep ik de heuvel maar weer af, terug naar het hostel. Omdat ik toch geen trek had en de stad op zondagavond is uitgestorven, wilde ik een boterham op mijn kamer eten.

Vlak voor de moskee liep ik Kemo tegen het lijf, de bosnische Belg uit Geraardsbergen, die me terstond naar zijn huis ontvoerde. “Ik heb eten en ik heb wijn,” bezwoer hij me in zijn Vlaams met bosnische twist. Even later werd er buiten getoeterd en kwam Omer – een boom van een kerel – de trap opgestommeld. Kemo schonk een slivo voor hen beiden in en voor mij rode wijn – kennelijk is het sterke spul hier een mannenzaak. Omer ontfermde zich over het gehakt en de paprika’s, die hij eerst maar eens uiterst minutieus onder de bezielende begeleiding van Kemo begon te snijden. Mannen die elkaar al lang kennen vormen vaak net een getrouwd stel. Tot mijn verrassing woonde Omer in Baarn, vlakbij Utrecht dus, maar hij kwam uit Bratunac. Geruime tijd later trok de geur van gebraden vlees door keuken en woonkamer en pakte Kemo het brood uit het folie. Eindelijk was het eten klaar en werd er met zivjeli! (proost) getoast om de maaltijd officiëel in te luiden. Kemo wijdde me uitvoerig in het plaatselijke leven in, want hij kent iedereen en iedereen kent hem. Het klopt dat Srebrenica etnisch is opgedeeld: aan de noordkant richting Bratunac wonen voornamelijk Serviërs (“maar dat zijn allemaal vluchtelingen die nu de huizen van de voormalige mijnwerkers bewonen. Ze zijn er door de staat ingeplaatst. Zeg me, is dat normaal? Als je een huis wilt, moet je ervoor werken.”) en voorbij de moskee hoofdzakelijk moslims. Kemo vertelde van alles over Bosnië, over Srebrenica en de oorlog, dat het grootste probleem is dat de rechtsspraak niet van de politiek is gescheiden, dat het westen gewoon de geldkraan moet dichtdraaien opdat er dan vanzelf wel een opstand zal uitbreken, dat Aleksander, de barman van het Dom Kulture, tot de goeie Serviërs behoort omdat hij tijdens de oorlog vluchteling in Servië was, maar dat de uitbater van Restoran Bato beslist bloed aan zijn handen heeft en zich door corruptie heeft verrijkt. Het was vier uur ’s nachts toen de heren mij eindelijk lieten gaan – of eigenlijk Kemo, want Omer lag inmiddels allang op één oor.

 

Maandag 28 augustus

Munevera was die “zottin”, die boerenvrouw “van boven”, die haar broer uit haar huis had gezet. “Die broer woont toch in Amerika?” zei ik niet-begrijpend.

“Ze heeft drie broers,” zei Kemo, “maar ze heeft het altijd alleen maar over die ene broer in Amerika om indruk te maken. Die vrouw is een psychiatrisch patiënte. Die broer, die heb je hier vanmiddag in het café gezien, die jongen die in Denemarken heeft gewoond, die is ook nogal gaga, maar het is een goeie gast.”

Dat Munevera psychiatrisch patiënte is wist ik allang. Vorig jaar schreef ik nog dat iemand als zij in Nederland waarschijnlijk in een inrichting zou wegkwijnen, maar in het rurale Srebrenica is ze in staat om nog een redelijk zelfstandig leven te leiden. Met haar familiebeslommeringen heb ik niets te maken, maar ik vind het wel weer een staaltje van bosnische verfraaiing door te doen alsof ze maar één broer heeft die in Amerika woont. Liegen lijkt wel de tweede natuur van de Bosniërs te zijn. Geen wonder dat het land een dankbare voedingsbodem is voor allerlei complottheorieën.

Toen ik van Munevera’s huis naar het hostel terugliep, zag ik Kemo en Omer bij het Dom Kulture zitten en ik wilde alleen even gedag zeggen, maar natuurlijk moest ik erbij komen zitten en de drank kon ik nog afslaan, maar niet het aanbod dat Omer me met zijn busje naar het hostel zou brengen, echter, hij moest eerst nog Kemo thuis afleveren, die net een nieuwe borrel had besteld en ik wilde eigenlijk meteen weg, want ik was moe en had nog een boel te schrijven, bovendien moest ik de volgende dag vroeg op om naar het museum te gaan. Dus toen ik het aanbod afsloeg, kreeg ik bijna ruzie. Kemo noemde me arrogant en ik was niet zo goed of ik moest door het stof en er weer bij komen zitten om zijn verhalen aan te horen tot men besloot om op te stappen. Ze willen me morgen ook nog eens meenemen naar een restaurant aan de Drina terwijl ik eigenlijk na het museum naar Bratunac had gewild om in alle rust op een terras de krant te lezen. Enfin, morgen is mijn laatste dag, maar ik kan niet zo goed tegen die overkill aan gezelschap waar ik op mijn eenzaamheid gesteld ben en gewend om mijn eigen gang te gaan, bovendien heb ik nog steeds last van mijn maag en darmen. En ik ben het gehang in kavana’s, op balkons en voor de TV, waar Bosniërs kennelijk zo tuk op zijn – en intussen maar lullen – gewoon moe. Niet voor niets moet ik dan mijn energie kwijt en de berg op.

“Al kom jij hier een miljoen keer, jij zult deze cultuur nooit helemaal kunnen doorgronden,” zei Omer en dat was een waar woord. Ik weet niet eens of ik dat wel wil, daar ben ik waarschijnlijk toch te westers en individualistisch voor. “Zoals ik de nederlandse cultuur nooit helemaal kan doorgronden,” vervolgde hij. “Iedere cultuur heeft zijn apartheden die onbegrijpelijk blijven.”

 

Dinsdag 29 augustus

Hasan Hasanovic was de gids die mij in het museum welkom heette. Hij hield een nogal lang verhaal over de geschiedenis van Srebrenica door de oorlogsjaren heen, doorspekt met zijn eigen ervaringen. Toch was het goed dat dit gedaan werd, het museum dient tenslotte ook voor educatieve doeleinden. Helaas was zijn verhaal iets te lang en was er daarna vrij weinig tijd over om het hele museum te bezichtigen. Ik ben er vrij snel doorheen gelopen, het meeste is mij ook wel bekend, maar ik zag het een beetje als mijn taak om te beoordelen of het een adequaat museum is, dat recht doet aan de geschiedenis, omdat er zo veel kritiek op is geweest. Afgezien van het teleurstellende feit dat sommige beeldschermen uit stonden – vooral die met de persoonlijke verhalen van slachtoffers en Dutchbatters – vond ik het behoorlijk waarheidsgetrouw. Ik was blij dat bij de graffity werd vermeld dat niet alles van Dutchbat afkomstig was, maar vermoedelijk ook van soldaten van het bosnischservische leger, dat na de aftocht van Dutchbat III op de compound heeft gebivakkeerd. Ik denk dat het al met al wel aardig recht doet aan de waarheid.

Toen moest ik me haasten voor mijn afspraak met Kemo en Omer – ze zouden me voor de compound oppikken om naar het Drinarestaurantje te gaan - , maar natuurlijk waren de heren in geen velden of wegen te bekennen. Terwijl ik langs de kant van de weg zat te wachten, kwam Hasan naar me toe en vertelde dat hij ook een boek over zijn eigen dodenmars door de bossen had geschreven en nu aan een boek met getuigenverklaringen werkt. Ik vroeg hem of hij dit gidsenwerk dagelijks doet. Ja, iedere dag vertelt hij zijn verhaal aan toeristen en geïnteresseerden. Je moet het maar kunnen opbrengen. Terwijl ik met hem stond te praten, had hij af en toe wel die glazige, afwezige blik, die ik vaker bij slachtoffers heb waargenomen, althans, bij degenen die erover praten. De overlevenden lijken in twee groepen uiteen te vallen: zij die er continu mee bezig zijn, voor wie het een onlosmakelijk deel van hun leven is en zij die willen vergeten en doorgaan met leven.

Kemo noemde mij naïef, dat eeuwige standaardverwijt aan Nederlanders. Zo veel heb ik nu tenminste geleerd, dat je in Bosnië niemand moet geloven. Er worden zo veel mooie praatjes opgehangen, zoals ik al schreef is liegen de tweede natuur. Daarom is het goed dat er een museum is dat tenminste poogt recht te doen aan de werkelijkheid.

Een tweede ding waarover ik me vreselijk kan opwinden is de emancipatiekwestie, hele disputen heb ik daarover met Kemo gehad. Gisteren in het Dom Kulture zat hij – haha, bulderend gelach van de hele mannelijke clientèle – luidkeels te verkondigen dat in Nederland de mannen voor de vrouwen koken. En als dat zo zou zijn, wat is daar dan verkeerd aan? Nee, vrouwen hebben nu eenmaal meer verstand van koken, zoals mannen meer verstand van geld verdienen hebben. Maar Kemo kookt toch ook voor zichzelf, hij en Omer maakten zondag het eten voor me klaar. Dat is anders, dat is “iets in elkaar brouwen”, zoals mannen alleen dat onvermijdelijk moeten, gaf hij. Maar écht koken is vrouwenwerk, zij kent immers alle duizendeneen bosnische recepten van buiten. Zo was de taakverdeling tussen Kemo en zijn ex. Daarbij werkte zij ook nog eens van ’s ochtends zes tot ’s middags twee en zorgde voor hun kind terwijl hij na het werk de kroeg indook. “ ’s Avonds was ze vrij en kon met vriendinnen op stap,” meende hij. Is het dan zo verwonderlijk dat hij gescheiden is? “Ik ben van haar gescheiden,” zei hij, “niet omdat ze geen goede vrouw was, maar ik kon niet meer tegen haar moeder. Dat mens bemoeide zich overal mee.”

De heren waren en bleven weg, dus zat er niets anders op dan de benewagen naar Bratunac te nemen. Ergens was ik opgelucht, want ik zag mezelf nog niet de halve middag en hele avond de wijntjes wegtikken die Kemo ongetwijfeld aan de lopende band voor mijn neus zou neerzetten. Althans, zo verliep het bacchanaal, dat ze zaterdag, naar zijn zeggen, in hetzelfde Drinarestaurant van twee uur ’s middags tot tien uur ’s avonds hadden gehouden.

 

Woensdag 30 augustus

Hasan had me uitgenodigd om vandaag nogmaals het museum te bezoeken, maar dat heb ik niet meer gered. Gisteravond zaten Kemo en Omer natuurlijk weer bij het Dom Kulture, toen ik daar nog een kijkje ging nemen. Omer had pech met zijn busje gehad. Toen het Dom sloot (Aleksander had een reprimande van zijn bazin gehad omdat hij gisteravond veel te laat had afgesloten – er geldt hier een Feierabendverordening van elf uur), gingen we bij Kemo thuis verder en hebben we ‘m flink geraakt. Kemo probeerde me aan Aleksander te koppelen, die zowaar nog vrijgezel blijkt te zijn. “Ik weet dat je een man hebt,” zei Kemo, “maar ooit zul je hier in Srebrenica jouw grote liefde vinden.” Ik betwijfel het ten zeerste, vanwege bovengenoemde bezwaren.

Dus werd ik vandaag pas na de middag wakker waardoor ik niet eens meer tijd had om nog naar Munevera te gaan voordat mijn bus naar Sarajevo zou vertrekken. Gelukkig kwam ik haar op weg naar de pinautomaat tegen.

Mama Bosa bracht me – heel lief – naar de bus. Tijdens de reis naar Sarajevo deed ik nog een poging om de Blic (de servische krant) te lezen, maar ik was te katerig om er mijn hoofd bij te kunnen houden. Er stond iets in over de mogelijke vrijlating van Naser Oric, waar de Serven natuurlijk heel verontwaardigd over zijn.

Inmiddels babbel ik zelfverzekerd met de sarajeefse taxichauffeurs en geef ze wat ze willen, ook al vragen ze evenveel als het buskaartje Srebrenica-Sarajevo. In het hostel ontmoette ik poolse studenten uit Rotterdam, die mij mee wilden nemen op een toertje door de Bascarsija, maar ik ging liever naar mijn stamrestaurant Sestre om vis te eten. Toen ik vervolgens op mijn vaste terras bij de kathedraal tegenover de Gallery 11/07/95 neerstreek en een slivovica bestelde, antwoordde de ober alsof ik in de moskee had gevloekt: “Wij verkopen geen alcohol.” Vorig jaar anders nog wel, wilde ik zeggen, maar ik verhief me wijselijk van mijn plaats om op zoek te gaan naar een café waar wel alcohol werd geschonken. Dit is een land van uitersten. Een tikkeltje weemoedig dacht ik aan Kemo, voor wie het laten staan van de alcohol tijdens ramadan getuigt van een godsvruchtig leven – maar alleen dan.

 

Alles van waarde moet kapot

 

Ze zegt dat ze graag boeken leest en anders is

dan de boeren uit het oosten, zoals die dochter

die sprookjes vertelt over haar broer in Amerika.

Ze kijkt naar joegoslavische soaps met veel

 

slapstick en slappe benen. Hier is maar één volk

hemels, maar wat uit de hemel komt valt

geheid kapot. Met ramadan laat hij als offer

de drank staan, anderen zijn strenger in de leer

 

zelfs in deze wereldstad en als ik rakija bestel is het

of ik vloek in de moskee. Ooit zul jij hier

jouw grote liefde vinden, zegt de waarzegger

 

met witte baard en glazen bol en weet niet dat

de liefde al is opgeraapt en door de vingers geglipt

want alles van waarde moet nu eenmaal kapot.

 

Donderdag 31 augustus

Het zwaarste moest nog komen: de terugreis. Eurolines is overgenomen door de Flixbus en een voordeel is dat niet. Ik zou om tien uur ’s ochtends uit Sarajevo vertrekken en de volgende avond om zes uur in Utrecht aankomen en moest ook nog eens een overstap in Essen maken. Evengoed was het me een raadsel waarom de rit maar liefst zes uur langer zou duren dan vorig jaar en toen was het al afzien. Omdat Flixbus een duitse maatschappij is had het personeel zich het strakke duitse tijdschema eigen gemaakt, zoals later zou blijken – overigens zonder een woord Duits of Engels te bezigen.

We reden al de hele dag, er was één stop in Bosnië geweest, maar aangezien ik praktisch door mijn marken heen was (die waren aan goedkope Drina’s opgegaan – even een voorraadje aanleggen om in de winter weg te kunnen paffen), kon er alleen nog een flesje water vanaf. Kroatië rolden we gladjes door na de bergweggetjes en het lege, noordbosnische laagland, waar nog erg veel verwoestingen te zien waren: verbrokkelde huizen met achteloze hand tussen eindeloze struikenrijen geworpen.

Dan file voor de grens met Kroatië, file voor de grens met Slovenië en het was nog steeds bloedheet, hoewel het inmiddels na zessen was. Ik snakte inmiddels naar een echte pauze en niet dat rondhangen op een dampend veldje voor de grenspost. Het buspersoneel had ons onderweg nog van koffie met scheppen suiker voorzien, maar ik snakte ernaar om hetzij kuna’s uit te geven, hetzij euro’s te scoren, bovendien was de batterij van mijn leeslampje leeg en wilde ik bij een benzinepomp aan een nieuwe zien te komen. Dus toen het eindelijk zo ver was, vloog ik de bus uit, eerst naar de pinautomaat, vervolgens naar de winkel voor een broodje en een leeslampje. Het buspersoneel zou in het restaurant wel aan een uitgebreid diner zitten, zo was mijn ervaring met reizen met Eurolines. Bij de winkel ving ik bot, leeslampjes verkocht men niet, wel zag ik achter de rug van de verkoper batterijen in alle soorten en maten, maar ik had geen idee welke in mijn lampje zou passen. Toen ik ten einde raad terugliep naar de bus om dan maar mijn lampje op te halen en dit aan de verkoper te laten zien, kwam de buschauffeur me met een kwaaie kop tegemoet. “Deset minuta,” beet hij me toe. O, sorry, ik had zijn gemompel in de microfoon niet verstaan, ik was me er niet van bewust dat hij überhaupt de duur van de pauze had afgekondigd. Eerder had hij een heel verhaal over het gebruik van de WC aan boord afgestoken, waar ik ook al geen touw aan vast had kunnen knopen. In een internationale bus mag er wel een engelse ondertiteling voorhanden zijn, dacht ik geërgerd. In de bus werd ik door de breeduit lachende menigte begroet, men leek het wel amusant te vinden. Ach ja, de stipte Hollandse die eens te laat komt.

Geen leeslampje dus, ook geen tijd om te roken. Het zou een lange nacht worden.

 

Vrijdag 1 september

Gelukkig kon ik in het groene licht van de Flixbus de letters nog enigszins ontcijferen. Toen ik moe werd van dit toch wel ingespannen turen, deed ik mijn oortjes in. De breedgeschouderde man voor mij had beide stoelleuningen asociaal ver naar achteren gezet. Toen ik er iets van zei, gaf hij als repliek dat ik dan toch ook wel mijn stoelleuning naar achteren kon zetten? Maar ik wilde niet slapen, ik wilde de krant lezen! Die vent had sowieso al de hele dag liggen slapen. Tsja. Sommige mensen rusten op die manier van het werk uit, als een gestrekte beer met een stoffen nekbandje hing hij in zijn stoel. Gelukkig ging hij er in München uit, waar het pieste van de regen. Nu snapte ik ook waarom mijn reis met zes uur verlengd was. Vanuit München koerste de bus richting Pforzheim bij Stuttgart, van daar boog hij een stukje naar het zuiden, naar Karlsruhe af, en van daar noordwaarts naar Mannheim, Bonn, Düsseldorf. En bij iedere stop moest de bus door het stadsverkeer naar een station koersen om mensen eruit te laten.

Op een gegeven moment sprak de vrouw achter mij me aan; ze zag dat ik in een boek in het Bosnisch verdiept was en vroeg me naar een bepaald woord in de duitse vertaling. Ik gaf haar mijn woordenboek. Ze sprak vrij gebrekkig Duits omdat ze nog maar een jaar in Duitsland woonde. Ze kwam uit de buurt van Mostar, haar stad was tijdens de oorlog onder servische én kroatische belegering geweest. Zij had onder de kogelregens als verpleegster in het ziekenhuis gewerkt. Ze moest nog helemaal naar Hamburg, och arme.

Ik moest in Essen overstappen. Toen ik het station inliep voor koffie en om naar de WC te gaan, had ik het gevoel door honderden jachtige mensen omver te worden gelopen. In Sarajevo was het ook druk, maar dat was meer een kalme drukte.

De duitse buschauffeur pakte het heel wat professioneler dan zijn bosnische collega’s aan: “Hallo, ich heisse Patrick, und bin heute Ihr Busfahrer.” Bij iedere (rook)pauze gaf hij de aankomst- en vertrektijd aan: “Jetzt kommen wir um 15 Uhr 17 in Oberhausen an; um 15 Uhr 37 geht’s dann wieder los.” Heerlijke duitse Pünktlichkeit! En vervolgens draaide hij een bandje af waarop het hele verhaal – compleet met uitleg over de WC – nog eens in het Engels werd herhaald, want natuurlijk zat de hele bus vol met drugstoeristen op weg naar Amsterdam.

Bij de grens kwamen we weer eens in de file terecht – wat is dat toch met die grenzen tegenwoordig? Maar weer bood de koene Patrick uitkomst, want hij leidde ons om de file heen over een sluipweggetje via Didam. Eenmaal in NL begon het onbedaarlijk te stortregenen.

 

Dit is de Afsluitdijk niet

 

Het is een hardrijdende kamer vol leed geen gezelligheid

over de Afsluitdijk geen matrozen maar verdronken

idioten in deze bus en de genialiteit van mevrouw zal ik

nooit evenaren. Ik sla maar een gat in de lucht om de

 

verhalen als vuurvliegjes te vangen terwijl het wegdek verglijdt

en de tijd als mos naar onze knieën kruipt. Af en

toe worden we gelucht maar we voelen ons niet bevrijd

want aan deze Afsluitdijk komt geen eind. De berm vol

 

kortgeschoren koppen. We zitten als badende idioten in

poelen van herinnering waarvoor woorden

ontbreken. Oorlog is nooit ver weg en spijt maakt

 

geen heden. Zij amputeerde ledematen met vliegend

metaal om de oren, ik kom uit het land van vallende

balkons waar men zich aan treurende luchten stoot.

 

 

Reacties

Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Je Punt profiel
Hou mij op de hoogte
Ik wil op de hoogte gehouden worden
Dit is een verplicht veld
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl