Jolies Heij
Laatste reacties
Door steden en door vlagen

Wo also willst du weilen?

Wo findest du die Statt?

O Mensch, der nur zwei Fremden

Und keine Heimat hat.

 

Franz Grillparzer

 

 

 

Maandag 8 augustus 2016

Gisteravond vanuit de Wouwse Plantage bij Roosendaal vertrokken na het naar binnen schuiven van de macaroni met smac van stief. Vader is morgen jarig; momenteel is hij slecht ter been vanwege een versleten bot in de heup en in afwachting van de operatie om dit ouderdomseuvel te verhelpen.

Het motto van deze reis zal luiden: steden met littekens, de stad als gehavend lichaam. Dit sluit aan bij mijn huidige lichamelijke gesteldheid, die niet optimaal is. Hoe neem je het lichaam op sleeptouw als je het liever kwijt dan rijk bent? Hoe worden uit ruïnes vitale lichamen met pompende levensaders? Wat zit er onder de pleisters van de tijd?

We zijn op weg naar Dresden, hét symbool voor de gehavende stad sinds WO II, waarvan de wonden nog gedeeltelijk openlagen toen ik er in 1995 voor het laatst was. Vooralsnog strandden we op de camping in Essen-Werden omdat de avond viel en voor het te donker zou zijn om de tent op te zetten. Niet getreurd, in de naburige woonwijk bevindt zich pal tegenover de kerk een Biergarten, waar we op zondagavond bijna de enige gasten zijn. Ik ren op en neer naar de WC vanwege die ene kop koffie, die ik ’s middags heb gedronken. Na een diëet van kruidenthee, rijst, boekwijt, schorseneren en ander groen spul ben ik daar niet meer aan gewend.

De Ruhrpott is het gebied van kool en staal, maar ook van de Buden: een op de drie kiosken van Duitsland bevindt zich hier. Er is een Budenfestival met een Poetry Slam gepresenteerd door Duitsland beroemdste Slammer Sebastian 23, die mij ooit, toen ik met de Citynightline naar Freiburg kwam gestoomd voor een optreden van vijf minuten, 165 euro reiskostenvergoeding schoon in de hand drukte. Sindsdien kan Sebastian bij mij geen potje meer breken.

 

 

Van staal tot stoom

 

Dit is het hart van staal dat wil

opstijgen wegdrijven over waterwegen

handen smeden in hansesteden. De kamers

vol uitroeptekens van roet, de Budes

 

met curryworst en winegums naast een

onverwacht ambachtelijk woord. Machines jagen

de prikklokken aan, verkeersaders kolken

nonsens vertolken het ratelende gekkenwerk.

 

De kolenschop stevig in de grond, men zwoegt

in plaats van te zwetsen want hier walmen

de monden van schoorstenen nooit stil.

Het is een lichaam dat naar buiten is

 

gaan staan maar aan traagheid valt niet

te ontkomen. Onderhuids jeuken dromen

alleen de tijd maakt ze ijl. Zo ben ik

dit lichaam mij gewend in al zijn streken.

 

Ik pak het in en neem het mee ook al hebben

oorlogen er huisgehouden. Ooit kom jij op TV

als wederopbouwkundige, voorspelt vader. Ik

vouw vast een boot, neem de Roer op mijn rug.

 

 

 

Dinsdag 9 augustus 2016

Gisteravond lag de hitte als een klam laken op de tent, nu regent het. De camping ligt in een buitenwijk van Dresden met eindeloze lanen, die nergens heengaan. Gelukkig klaart het na de middag op en wordt het opnieuw warm. Allereerst moet er natuurlijk gewinkeld worden; dan weet Tom raad en leidt ons feilloos naar het dichtstbijzijnde winkelcentrum.

De auto inladen, terugrijden naar de camping en met de bus naar de stad. Dresden heeft duidelijk een nieuw likje gekregen, maar de vertrouwde staat is wel zo veel mogelijk gehandhaafd, want daar zijn die Duitsers goed in: iets herstellen zoals het was. Niet zoals in NL om de zo veel decennia alles tegen de vlakte en er doorzondozen voor in de plaats. Niet voor niets heeft er een jarenlange discussie gewoed of het DDR-parlementsgebouw in Berlijn al dan niet gesloopt moest worden, hoewel het vergeven was van de asbest. En was er een serieuze actiegroep tegen de wederopbouw van de Liebfrauenkirche, die van mening was dat ze een ruïne moest blijven als onverwoestbaar aandenken aan de nacht van 13 op 14 februari 1945.

Wat evenmin onverwoestbaar is gebleken zijn de zwart uitgeslagen gevels en beelden – niet door brand, maar door zure regen, waar zandsteen niet tegen bestand blijkt. Grappig is dan weer wel dat men de nieuw opgerichte beelden maar vast zwart heeft gemaakt om dat voor te zijn. Ze geven het stadsbeeld iets melancholiek-sinisters.

 

 

Mij in jouw vuurstad

 

Ik ben dit opgestookte lichaam voor jou nu

onbekend zoon van mijn stad je hebt

me gehad je kraste op mij je eerste

pennenstreken. Maar ik ben in jou vergruisd

 

in mij huist het vagevuur en totale

kaalslag leegstand is geen uitzondering

meer zonder jou om op mijn muren

te schrijven de muren die niet eens met

 

trompetgeschal maar onder het luchtalarm

zijn bezweken. Er komen anderen ze maken

vlijtige bouwtekeningen hangen straatnamen

vol panerfalia op. De Pragerstraat van Oostblokflair

 

tot hamburgers en curryworst. De lieve vrouw

wordt uit het slop tot bionisch in elkaar gezet

de Elbe verdooft. Ik ben meer steen dan verguisd

heel gemeen vergeet ik het kale geraamte

 

hoe ik erbij lag in ontbonden staat. Alleen

de beelden zijn nog zwart van een loeiende woede

alsof hun roet op mijn longen slaat. Vandaag is het

de zure regen die de gaten in mijn mantel brandt.

 

 

Woensdag 10 augustus

In het Erich Kästnermuseum. Het weer is rampzalig: regenvlagen worden afgewisseld met een schrale zon en de temperatuur is met tien graden gekelderd. Erich Kästner werd in 1899 in Dresden geboren en is er opgegroeid, daarna vertrok hij voorgoed om in Leipzig te studeren en er als onderwijzer te werken, daarna naar Berlijn om schrijver te worden - want eigenlijk wilde hij niet onderwijzen maar zelf leren – en daar in 1933 de verbranding van zijn boeken te aanschouwen. De expositieruimte bestaat uit kasten met talloze laadjes en als je ze opentrekt, vallen er foto’s, gedichten en essays van de meester uit.

 

 

Donderdag 11 augustus

De Frauenkirche kende ik alleen als geblakerde ruïne op een tochtige vlakte; nu stond er een imposante kerk, omringd door etablissementen in frisse pastelkleuren. Van binnen zag het er als een theater met balkons en galerijen uit. In de Unterkirche uitgespaarde nissen. In de gids las ik dat de kerk altijd als onverwoestbaar werd beschouwd, geen kanonskogel leek haar te deren, zodat de pruisische koning Friedrich II tenslotte humeurig uitriep: “Ach, laat die dikkop ook maar staan.”

In de nacht van 13 februari 1945 was het dan toch zo ver: door de gebroken ramen kon het bombardementsvuur zich naar binnen likken en de houten inrichting wegvreten. Het duurde evenwel nog tot de ochtend eer de kerk definitief in elkaar zakte. Sommigen zeggen dat de ruïne voor altijd een monument had moeten blijven, maar wat is er in vredesnaam monument aan een hoopje geblakerd gruis? En waar hoor je nog citaten van Kierkegaard in het Sächsisch?

Vervolgens naar het Karl May Museum in Radebeul, een stukje buiten Dresden. Ik had een kitscherige bedoening verwacht, maar dat viel reuze mee. Het woonhuis Villa Shatterhand was zo veel mogelijk in oorspronkelijke staat hersteld (in de DDR-tijd was het een Indianitikmuseum) en in Villa Bärenfett was een informatieve expositie over verschillende indianenstammen. Er draaide een documentaire, die mij leerde dat men in de DDR-tijd compleet indianengek was (de indianengenootschappen schoten als totems uit de grond) omdat de prairie de ultieme vrijheid belichaamde. Aandoenlijke beelden van vredespijprokende hippies.

Nu onderweg naar onze vriend Stefan B., de duitse kunsthistoricus in Praag.

 

 

Old Shatterhand in Radebeul

 

Ik ben mijn eigen villa want ik laat

mijn fantasie de vrije loop neergestreken

in gegoede saksische buurten schep ik

eigen werelden als een virtuele reiziger

 

avant la lettre. Ik weet heus wel hoe

een bison eruitziet en één schot uit mijn

zilverbuks is dodelijk. Kijk mijn trofeeën

met gewei en tanden aan de muur. Wie

 

heeft er nog een lichaam nodig om zich

te verplaatsen, wie longen om de vredespijp

te roken of een broekriem voor de scalp.

Het lichaam is ballast dat jeukt en krabt

 

en hooguit heeft geleerd om de pen te hanteren.

In de gevangenis die deze staat was

hebben mijn sprooksels velen tot regendansen

bewogen tot de grote droogte voorbij en

 

puinhopen tot bloei tot natte ogen van

ontroering. Ik trek mij terug nu, de villa

echoot Old Shatterhand en Winnetou maar

ik heb deze stad lang geleden al verlaten.

 

Vrijdag 12 augustus

Ter gelegenheid van zijn 700-ste geboortejaar is er in de Nationale Galerie een tentoonstelling over Karel IV, de vader van Karel V en grootvader van Filips en in deze contreien samen met Rudolf II de belangrijkste vorst, die behalve de roemruchte burcht nog een buitenoptrekje liet bouwen (Karlstein) en natuurlijk de Karlsbrücke, aangezien de vorige brug na een overstroming was weggevaagd.

Normaal gesproken is Stefan onze gids en wandelende encyclopedie in den vreemde, maar de plicht houdt hem aan de computer gekluisterd. Hij vertaalt catalogi van het Tsjechisch naar het Duits en voelt de hete adem van diverse deadlines in zijn nek.

 

 

Middeleeuws huisarrest na de spelen

 

Ik heb mijn voetstappen naar het oosten

verlegd de burcht paste mij als een

gesteven jas. Dienaren dreven mijn relikwieën

over de bulten, daar kwam geen olifant

 

aan te pas. Ik heb pestbuilen uitgeknepen

het lichaam krijgt mij niet klein, het is

naar mijn hoofd gaan staan waarin de

kroon gegoten wordt en een koninkrijk

 

bemeten. Voor het voetvolk leggen we een

loopplank, voor de nooddruftigen een bazaar

met zinnenbegoochelend kamperfoelie. Zo hou

ik menig vijand buiten de poort, hun paarden

 

waggelend op hemelhoge stelten en maken de ruggen

hoog voor zelfbevlekkende deernes. Er verschijnen

mannen met baarden en lange messen.

Maar het verleidelijkst zijn de vrouwen met

 

luipaarden in het oor, goudgestikte halzen

en druipende oksels. Voor straf geef ik ze

huisarrest. Dat hun schmink bederft

terwijl ik ergens anders mijn masker opzet.

 

Zaterdag 13 augustus

Het is gek weer: gisteren was het haast knisperend koud, vandaag een hittegolfje met tien graden verschil. Een dag voor toeristen om erop uit te gaan, rond de burcht viel over de hoofden te lopen. We bezochten de zwarte doos, die voor Kafkamuseum moet doorgaan. Een opmerkelijke curiositeit: volgens het opschrift staat de fabel “Vor dem Gesetz” voor Praag (Praha betekent drempel) – de engelse titel luidt “Threshold”. Maar in het duitse origineel komt geen drempel voor! Sterker nog, de hoofdpersoon komt niet eens over de drempel omdat de deur wordt gesloten voordat hij toegang tot de wet krijgt.

Tijdens en na het eten met Stefan zitten bomen over tsjechische en boheemse geschiedenis. We gaan hier sowieso iedere avond uit eten: de tentjes zitten om de hoek en zijn bespottelijk goedkoop. In Praag worden sowieso alleen rond de burcht westerse prijslijsten gehanteerd, die soms wel het drievoudige bedragen van wat je in de buitenwijken neertelt.

Van Stefan leer ik dat hier het Duits altijd de taal van de elite was, maar dat onder invloed van het nationalisme (plaats)namen veelal zijn vertsjechiest. Op een gegeven moment vroeg hij hoe er in NL over het neerhalen van de MH17 wordt gedacht, of men gelooft dat het de Russen of de Oekraïeners zijn geweest.”

“Dat doet niet ter zake,” gaf ik verbluft. “Daar is men helemaal niet mee bezig. Het gaat om het persoonlijke drama, om wie wie heeft verloren. Wat kan het de mensen schelen of het vliegtuig door Russen of Oekraïeners is neergehaald, da’s toch één pot nat.”

“Ach ja, daarom heb ik ook geen TV meer,” kreunde hij.

“Intussen gaat ieder jaar de vlag halfstok vanwege dit evenement,” vervolgde ik, “terwijl er voor de doden van Srebrenica geen nationale herdenking wordt gehouden.”

Daarop zei hij dat men op diverse duitse blogs van mening is dat de Oekraïeners het met behulp van de Amerikanen hebben gedaan en de Russen de schuld geven. Überhaupt schijnen veel linkse (en voormalig communistische) Duitsers Poetins daden te vergoelijken en zijn propaganda voor zoete koek te slikken.

“Dat is niks nieuws,” zei ik. “Om dezelfde reden heeft Peter Handke zich aan de zijde van de servische nationalisten geschaard en de begrafenis van de oorlogsmisdadiger Milosevic bijgewoond.” De linkse duitse intelligentsia schiet automatisch in een haatkramp waar het Amerika betreft en verwelkomen alles wat ooit communistisch was, of beter anti-Amerika, zoals franse intellectuelen in de jaren 50 steevast het stalinisme goedpraatten.

Na deze verhitte discussie maakten we de fles Freiburger Sekt buit, die al een jaar bij Stefan in een donker hoekje achter de imposante boekenkast lag te verstoffen.

 

 

Zondag 14 augustus

Weer is het warm. Gisteren nog in aller ijl diverse blikken goulash met bonen ingeslagen in verband met Maria Hemelvaart morgen in de katholieke wereld. We moeten verder voor een tweedaagse tocht naar Osijek. Als de pompen maar benzine spuiten.

Onder onweerswolken tijdens een tussenstop door een alleraardigst oostenrijks stadje gestruind, waarvan de naam mij is ontschoten en dat op een hucht lag die alleen via houten trappen te bereiken was. Overnachting in Traisen bij Wenen in een omgeving, die als twee druppels water op het Zwarte Woud lijkt.

In het Karl May blad, dat ik uit de Villa heb meegegrist lees ik een artikel van de meester zelf met alleraardigste anekdotes. Zo beklaagt hij zich uitvoerig over de keerzijde van zijn roem in de vorm van allerhande idioten, die dagelijks aan de poort van de Villa kloppen. Maar zoals iedere ijdeltuit kan hij de verleiding niet weerstaan om de deur open te houden, of, erger nog, naar her en der af te reizen om zich te laten fêteren door de volgende schraper, die te gierig is om naar Radebeul af te reizen. Zo beschrijft hij dat hij de hand van een van hen bij de begroeting dermate fijnknijpt dat de arme man van pijn in het rond danst. Of hoe een zogenaamd briljante, maar platzakke criticus om geld bedelt waarop Karl voorstelt dat hij dan maar zijn biografie moet schrijven, dan doet hij tenminste nog wat voor de kost. En dat de criticus vervolgens verontwaardigd uitroept: “U hebt vast zelf schulden. U bent een schrijver van niks, anders had u mij voetstoots in mijn noden voorzien.”

 

 

Maandag 13 augustus

Nog steeds is het redelijk warm, zodat ik de dag begin met een duik in het campingzwembad. Dat had ik misschien beter niet kunnen doen, want een uur later loop ik te snotteren met een zakdoek letterlijk onder mijn neus, voor zo ver ik er niet in wegduik voor een nieuwe nies en is het weer ook omgeslagen.

Tom stuurt ons over kronkelige landweggetjes dwars door Hongarije. Soms zien we geen hand voor ogen door de regenval. Natuurlijk nergens een uitspanning te bekennen, dus plassen geschiedt naast het portier met de plu in de hand.

Het is al donker als we de grens met Kroatië bereiken en hij staat er echt: de Muur tegen de vluchtelingen, afgewerkt met prikkeldraad. Twee douanebeambten stappen ferm op de auto af. Waar gaat dat hene? “Naar Kroatië,” antwoorden wij met onze naïefste toeristenlach. Waar naartoe in Kroatië en wat gaan jullie daar doen? Het klinkt allemaal bijzonder onvriendelijk en ongastvrij. Uiteindelijk gaat de Muur krakend een stukje open, net breed genoeg voor de auto om zich erdoor te persen.

Maar in Kroatië neemt de regen eindelijk af. In het appartement wacht ons de slivo van Jasmina’s schoonpapa en ze heeft er ook nog een schaal met hapjes uit de Baranja bijgedaan.

 

 

Transit Magyar

 

Nu is het lichaam tochtig en leeg alleen

het vertrouwde karkas kruipt door de

uren over drassiglanderige wegen. Het draagt

een oliejas waarlangs de regen afglijdt.

 

Vergezichten huilen neuzen druppen maar zijn

naar de voorruit gericht. Steen vertaalt

zich hier in linten van wegen en kaarsrechte

buurtschappen die middels vreemde namen

 

hun identiteit weigeren prijs te geven.

Gestrekt is het land en gesloten als de

mystieke vreemdeling na het sprookje

van één nacht. Geluidswallen zijn geen

 

vereiste het ruisen van het hart overstemt

alles. Er is geen bescherming van muren

niet de valse schijn van een haard. Het hoofd

is in de wolken als God een vinger krom

 

maakt is het door er bliksem uit rond te

slingeren aderen te pulseren en telefoondraden

tussen jou en mij elektrisch geladen. Ga niet

van de weg af. Rij het prikkeldraad aan flarden.

 

 

Dinsdag 16 augustus

Aankomst in Osijek betekent aankomen in de taal, wat ieder jaar sneller lijkt te gaan: al gedurende de eerste dag raak ik gewend aan de klanken, die zich tot zinnen aaneenrijgen in plaats van verbrokkelde fragmenten. Ik begrijp wat de verkoopsters in de winkels zeggen, al kan ik nog niet veel terugzeggen. Het lukte me zo waar om een paar gedichten te lezen, bijna zonder het woordenboek te gebruiken. In het plaatselijke antiquariaat, waar het wemelde van de moeders die schoolboeken voor het kroost kwamen afhalen, een bundel gekocht van een dichteres uit Vukovar. De Vecernji List gespeld: iets over het referendum van Dodik, een of andere oostenrijkse gezant heeft gesteld dat het tegen de wet is en dat het enige doel ervan is om Bosnië verder te ontwrichten. Ja, èn? Wat voor consequenties worden hieraan verbonden? Geen enkele natuurlijk. Men staat niet bekend om daadkrachtig optreden als het om de bosnische periferie gaat. Dan maar beter iets lezen over taal en literatuur. Het glagolitische schrift werd nog tot in de 17e eeuw gebruikt en daarna door het latijnse overgenomen. Opmerkelijk is evenwel dat het Kroatisch alleen in Dubrovnik de ambtelijke taal was; in Dalmatië en Istrië was dat het Italiaans en in het noorden en oosten het Duits en het Hongaars. Daar werd het Kroatisch alleen door boeren en arbeiders gebezigd.

 

 

Woensdag 17 augustus

Vandaag naar het Memorial Center voor de doden van Vukovar in de loods van een voormalige schapenfabriek. In het veld ertegenover was een concentratiekamp; later zijn de mensen de bossen ingedreven en geëxecuteerd. In het Memorial Center foto’s van de vermoorden en de documenten/snuisterijen die ze bij zich droegen; in het midden van de zaal een video-installatie, die de namen in een zitkuil projecteert en ze in een draaikolkbeweging in de grond laten verdwijnen.

“It was the total destruction of the croatian state,” hoorde ik een vrouw tegen een toerist zeggen. “It had nothing to do with anymosities, it was pure hate.” Zoals overal in Joegoslavië, dacht ik mismoedig en dit is het treurige resultaat. Een medewerker van het naburige kerkhof wist te vertellen dat zo’n 900 mensen er een laatste rustplaats hebben gevonden, maar dat er nog 350 slachtoffers worden vermist. Wat kun je anders dan “Nikad vise” (Nooit meer) in het gastenboek schrijven?

 

De wolvenburcht opgeleverd

 

Ik zal dit lichaam onder de knie

krijgen landtongen likken verleidelijk

het bekken spreidt zich gewillig

als een opengewrikte schelp. De wolven

 

hebben de burcht verlaten de welpen

zijn weerloos en ik vermaal ze onder

mijn ratelende rupsbanden. Ik ben het organisme

dat dood en verderf zaait dat muren

 

wegvreet dat zich liederlijk uitleeft

in alle hoeken en gaten de pik als een

loop gericht en alle pikken bij elkaar

drijven de lammeren naar de schapenvelden.

 

Zo leren ze het echte wolvenverdriet kennen.

Ik ben gepantserd de rivier deert mij niet

mijn huid is van staal het hart een brok

graniet ik ben gekomen om te vereffenen

 

van watertoren tot de ingesleten sporen in de

geschiedenis. Toen het genoeg was trok ik mij

terug rolde mijn tank tot het hoofdkwartier

liet me voorgoed voor gek verklaren.

 

 

Vrijdag 19 augustus

En alsof we er maar niet genoeg van konden krijgen, reden we naar Jasenovac aan de bosnische grens, waar tijdens WOII het grootste concentratiekamp van Joegoslavië was gehuisvest. Gerund door de fascistische Ustase, al dan niet met medewerking van franciskaner priesters en met goedkeuring van het Vaticaan. Meer dan 82.000 mensen zijn er vermoord, waarvan de helft servisch, een derde joods en roma en nog wat kroatische verzetsstrijders, Slowenen en Duitsers.

Het was een tocht van ruim twee uur en het was warm. Het monument – een betonnen roos – was al van ver zichtbaar, als een baken ontsproot het aan misdadige grond. Van dichtbij was het enorm en plomp en het binnenste als een guur viaduct om te schuilen voor de regen. Twee strofen uit het gedicht “Jama” (Afgrond) van Goran Kovacic stonden er op een gedenkplaat afgebeeld. Het hele gedicht (er staat een engelse vertaling op internet) gaat over de slachtingen die de Ustase aanrichtten, hoe de mensen in zelfgegraven troggen werden gegooid en vermoord. Kovacic was de kroatische Federico Garcia Lorca: overtuigd antifascist en verontwaardigd over het feit dat de Ustase zo veel Serviërs afslachtten, sloot hij zich bij de Partizanen aan om in 1943 door servische paramilitairen (cetniks) te worden vermoord.

Het museum is duidelijk nieuw, met glazen gedenkplaten, waarin de namen van de slachtoffers zijn gegraveerd. En nog altijd zijn niet alle namen bekend. Het komt mij voor dat heel Joegoslavië één groot kerkhof is.

Jasenovac zelf is een boerendorp met een ijssalon, een bar en een restaurant, waar we als de enige gasten op de valreep nog een pita met cevapcici konden bestellen. Nadat we de deur weer achter ons dicht hadden getrokken, gingen de lichten meteen uit. De stilte en de volle maan begeleidden ons op de terugtocht.

 

Stilleven bij Jasenovac

 

Dit is een dorp met afgronden opgetrokken uit

dodenakkers barakken doen de kakkerlakken

verstuiven en onbewogen moerassen omsluiten

het lichaam in ontbinding zo struikel je

 

niet over poëtische pleisterplaatsen. Het schuldig

landschap is altijd ergens veraf gelegen

een betonnen roos uit de joegoslavische tijd

in het verwelkte knoopsgat en een partizanengedicht.

 

De boer ploegt de akkers om de grond

huisvest niet meer geheimen dan ieder

gepokt en gemazeld karkas waarin al het

pleinschreeuwen is verstomd. Er gaan oorlogen

 

overheen laag boven laag van niet meer

dan onmenselijkheid en humus een stad

van levende doden en zwetende zoden.

Ze roepen vanonder verkalkte bergen: nooit

 

meer maar het afgetrainde lichaam houdt zich

doof. Een zonnestraal gaat landerig onder.

Zo nachtelijk was het nog nooit. In het kantoor

mept de opzichter de overige vliegen dood.

 

 

Zaterdag 20 augustus

Vanwege de warmte warmte de hele dag binnen wat zitten internetten met de airco aan. Het volledige gedicht “Jama” van Kovacic gelezen, dat uit tien delen en in totaal 68 strofen bestaat. Aan het eind van de middag naar Tito’s jachtslot bij Tikves gereden om in het omringende bos te wandelen, maar de muggen en steekvliegen waren ondanks de droogte al ver voor zonsondergang actief. Ik vraag me af of de maarschalk in dit jaargetijde wel van het buitenhuisje gebruik maakte. Het jachtseizoen is sowieso pas in de herfst geopend.

Volgens Gordana was er een festival in de slottuin van Darda, maar meer dan een braderie met een rommelmarkt en wat trommelmuziek was het niet. Dan maar naar de Tvrda voor het zaterdagavondgevoel: eten bij Kod ruze (Bij de roos), het authentiek slavoonse restaurant alhier en de tralalaviolisten, harmonica’s en banjo’s waren inderdaad weer luidkeels aanwezig. Men spreekt er Engels voor de weinige toeristen, maar toen ik stug in het Kroatisch bestelde, begreep de ober mijn dappere poging en was mij ter wille.

 

 

Zondag 21 augustus

Aan de rand van het gemeentelijke zwembad in een boek over kroatische geschiedenis zitten lezen. Daaruit leer ik dat Kroatië in 1102 zijn zelfstandigheid verloor toen het door de Hongaren werd bezet en pas weer een semi-onafhankelijke vazalstaat werd onder de Ustase in WOII, met de Poglavnik (Führer) Ante Pavelic als stroman van Hitler.

Na zonsondergang nog maar een wandelingetje over de boulevard langs de Drava en op de vestingsmuur klimmen. De lucht ziet er al betrokken en enigszins dreigend uit. Later, als we gelukkig lang en breed weer in het appartement zijn, barst er een dermate heftig onweer los dat de straatverlichting uitvalt. De bliksem zet de hele straat in lichtelaaie.

 

 

Maandag 22 augustus

Vanochtend was het nog maar 17 graden en woei er een ijzige wind. In de bus naar Tuzla zat ik alweer naast iemand uit de vrijstaat Brcko, een katholieke Bosniër, die afwisselend in Zagreb en Wenen woont en bij zijn broer in Brcko op bezoek ging. Marko sprak mij in het Duits aan en eenmaal op dreef stortte hij zijn spraakwaterval over me uit. Overigens was hij wel een stuk positiever over Brcko DC dan de trouwlustige jongeman van vorig jaar. Een generatiekwestie soms? Ik heb al eerder geconstateerd dat de bosnische jongeren niets met al die opdelingen en nog minder met politiek en politici hebben.

“Als heel Bosnië op de manier als in Brcko geregeerd werd, zou het goed gaan,” aldus Marko. (Brcko is een cofederatie van moslims, katholieken en orthodoxen, dus hier wordt wel met elkaar samengewerkt.) “Maar in de rest van Bosnië kan de huidige situatie nog honderd jaar blijven voortbestaan en dan komt er weer een nieuwe oorlog.”

Ik kletste ook nog wat met hem over de politiek in Kroatië. Volgende maand zijn er verkiezingen en ik deed mijn best om de peilingen in de krant te ontcijferen. Vooralsnog staat de HDZ (de partij van oudpresident Tudjman) bovenaan, gevolgd door de sociaaldemocraten en Most, een (populistische) rechtsconservatieve partij. “De rechtsen vechten elkaar nu de tent uit,” wist Marko, “maar na de verkiezingen vallen ze in elkaars armen. Ze moeten wel. En de sociaaldemocraten, dat zijn de oude communisten, niet te vergelijken met de sociaaldemocraten in Duitsland of Oostenrijk.”

Ik vroeg hem of het er in Kroatië democratischer aan toegaat dan in Bosnië waarop natuurlijk een hele litanie volgde tijdens welke Marko van verontwaardiging steeds meer begon te “wienerlen”. Wat ik ervan begreep was dat hij zo ongeveer iedereen de schuld gaf van het falen van Bosnië: Tito de dictator, die de bevolking monddood had gemaakt, Milosevic met zijn nationalisme en expansiepolitiek en – en dit had ik nog niet eerder gehoord – Izetbegovic met het uitroepen van de onafhankelijkheid. Volgens Marko was Alija de directe aanstichter van de oorlog geweest. Dit wordt ook altijd door Karadzic en de zijnen beweerd; ik wist evenwel niet dat deze visie ook onder katholieke Bosniërs opgeld deed. Maar hoe veel katholieke Bosniërs had ik nou helemaal ontmoet?

Nadat Marko in Brcko was uitgestapt, dacht ik hier nog wat verder over na. Er schoot me ineens de titel van een boek te binnen: Sterven voor Bosnië? Hoe cynisch klinkt dat in dit verband! Maar het is waar: de Kroaten hebben tenminste nog het idee dat ze gestreden en geleden hebben voor de vrijheid en het vaderland. Maar de Bosniërs? Die hebben enkel gestreden voor dit postkoloniale wangedrocht, dat ze niet eens zelf beheren.

 

 

Dinsdag 23 augustus

Ik heb mijn oude kloostercel weer terug; vannacht sliep ik op een driepersoonskamer waarin ik verzoop en die aan de voorkant geheel van glas was met zicht op de moskee. De imam kon mij bij wijze van spreken zien kakken als ik de badkamerdeur open liet staan. Nu gelukkig op een kale kamer met een bed, tafeltje en stoel, die op een blinde muur uitkijkt. Ik zette meteen de TV aan voor het 12 uur journaal op de kroatische publieke omroep terwijl ik de rest van de krant probeerde te ontcijferen. Toch kan ik de Kroaten veel beter verstaan dan de Bosniërs: ze spreken luid en duidelijk en slikken niets in, wat de Bosniërs nogal eens doen, vooral de klinkers. Zo deed ik vanmiddag mijn best om een luidruchtige conversatie tussen een boekhandelaar en twee vrouwen af te luisteren, maar ik kon er werkelijk geen kaas van maken terwijl ik normaal gesproken toch wel wat losse woorden opvang. Voor de rest wat door de stad gelopen, gegeten bij de Cevapdzinica met een watertje. Er is hier wel het een en ander veranderd, er wordt druk gebouwd (ook bij het pension is een nieuw stuk aangebouwd), er is een nieuw monument voor Ban Kulin – de eerste heerser van Bosnië – met een tekst van hem in het Bosanski, de middeleeuwse bosnische taal – vergelijkbaar met het Glagolitisch in Kroatië. En er is een monument met teksten die zijn ontleend aan de stecci, de middeleeuwse grafstenen, die her en der in het landschap staan.

 

 

Woensdag 24 augustus

De enige andere gasten in de ontbijtkamer op het uitslaapuur van half elf waren een jongeman met een vrouw in niqaab. Ooit eens zo iemand in het winkelcentrum Overvecht aanschouwd, toen sperde ik mijn ogen wijdopen bij deze buitenissigheid. Nu dacht ik slechts: de islamisering heeft kennelijk definitief in Bosnië toegeslagen. Ik had me echter vergist. Nadat ze de hielen hadden gelicht foeterde de pensionbaas in gebroken Engels: “Dat zijn vast Saudi’s. Voor Bosnië is dit niet normaal. Zo extreem.”

Hij zal in de toekomst nog wel meer van dat soort gasten krijgen, dacht ik bij mezelf toen ik de trappen naar mijn kamer besteeg voor het 12 uur journaal. Vervolgens was het tijd voor de studie: de krant spellen, woordjes in mijn schrift noteren, hoewel het geleerde tegenwoordig even snel weer naar buiten lijkt te sijpelen. Halverwege de middag liep ik naar het zoutmeer voor een duik, maar er was geen lokettist bij de ingang. Een duits gezin stond ietwat verdwaasd om zich heen te kijken, ik zei dat ze gewoon door moesten lopen alsof hun neus bloedde. “What can you do, these are the Balkans,” zou Jasmina zeggen. Later tegen de “dodenberg” opgelopen, het stadspark waar de helden uit diverse oorlogen liggen. Terug in de stad rakija besteld bij een ober, die dolblij was dat hij Engels met me kon spreken.

 

Helende stad badend in zout

 

Ik ben de stad die alles samenbrengt

wat krom en onaf en alle losgeraakte eindes

aan elkaar breit. Ik ben het eeuwenoude

kristal van zal ik of ik wil. Er ontploften

 

granaten in mijn straten en de hellingen

vertonen de witte littekens van zout dat tot stof

de maden van het landschap die zich almaar

verder in skeletten hebben ingevreten en verstopt.

 

Maar het deert me niet men mag nog zo

veel bedekken doodshoofden sluieren deze

ontluikende wellust in schaamlappen verpakken

binnenin het lichaam bonkt en vonkt gruwt en

 

spuwt het en zet alles wat lief op het spel

dit onwelbevinden is verre van de dood

de littekens geen slagveld de held eet

geen genadebrood en het hart niet stuk

 

te krijgen door saboteurs die zich als

ziekmakende kotstroepen verspreiden want ik

weet jou hier en als ik mijn ogen dichtknijp zie ik

een innige verstrengeling van ons beiden.

 

 

Donderdag 25 augustus

Toen ik vanochtend bij het afscheid tegen de pensionbaas zei dat ik naar Srebrenica zou gaan, tuitte hij vervaarlijk de lippen: “But it’s very dangerous over there.” Ik heb al vaker geconstateerd dat er ook in Bosnië vooroordelen over Srebrenica bestaan, als zou je er niet veilig kunnen rondlopen. Dat is natuurlijk onzin, alhoewel de servische provocaties toenemen door het referendum van Dodik over een “servische onafhankelijkheidsdag” en de flirtages met Poetinland. Tevens lees ik nu ook weer dat men in Servië een standbeeld voor Milosevic wil oprichten, alsmede een straat naar hem vernoemen omdat het proces tegen Karadzic eindelijk heeft uitgewezen dat Milosevic niet verantwoordelijk was voor de oorlogen in Kroatië en Bosnië. Hoezo geschiedsvervalsing! Maar voorlopig kan ik in Srebrenica nog ongestoord rondlopen.

Op het busstation werd ik geconfronteerd met een uitermate chagrijnige lokettist, die ook weer verwoed klinkers inslikte en aan wie ik drie keer dezelfde vraag moest stellen voordat ik er kaas van kon maken. En dan weer die bedelende zigeunerkinderen die me voor “Schwabe” uitscholden toen ik “beat it” naar ze riep, gevolgd door: “You only want my money ‘cause I’m a bloody foreigner.” Strontziek word ik ervan – alsof ik een rijke salontoerist zou zijn! Dan zou ik wel in Bangkok zitten, of aan de Franse Rivièra, of desnoods in Opatija aan de kroatische Lunghomare. Eén meisje volgde me zo ongeveer tot in de bus en zette het op een krijsen toen ik haar stug negeerde.

Reizen met de bus door Bosnië betekent ook sightseeing. Deze keer reed de bus een andere route via Zvornik, dat zich als een parel aan de Drina openbaarde. Je waant je net bij de Loreley aan de Rijn.

In het pension kreeg ik het penthouse toebedeeld: een tweekamerappartement met vijf bedden en balkon voor mij alleen. Bezorgd daalde ik naar de receptie af om daarover met de poetsvrouwen/kamermeisjes in gebrekkig Bosnokroatisch over te onderhandelen. Voor mij zou gewoon de prijs van een eenpersoonskamer gerekend worden, begreep ik na enig soubatten. Ja goed, maar ik had er ook geen zin in om halverwege de week mijn boeltje weer te moeten inpakken om te verkassen, zoals in Tuzla, alleen kreeg ik dat weer niet uitgelegd.

Daarna de stad in voor wat boodschappen; ik besloot om via een omweg langs de andere rivieroever te lopen, maar wat je dan allemaal tegen het lijf loopt... Eerst passeerde ik een oud vrouwtje, dat haar geiten in de berm liet grazen. Toen ik voor de tweede keer langsliep (omdat het pad niet verderging en ik langs dezelfde weg terug moest), sprak ze me aan en in een handomdraai wist ik dat de cetniks haar man, zoon en haar baby en nog vier andere familieleden hadden vermoord. Ze was pas 62, maar zag er als 80 uit. Ik beloofde haar familie op de begraafplaats in Potocari op te zoeken, met name baby Eljub Begic.

Ik vervolgde mijn weg, maar kwam niet ver. Toen ik voor een huis stilstond om een vrucht op te rapen, verscheen er een struise dame op het balkon, die me paprika’s en pepers uit haar tuin aanbood en me zo ongeveer naar binnen sleurde voor een kop koffie waarop ze kwam aanzetten met cake, pita en gebraden kip. Nadat ze alles op tafel had gezet wierp ze zich met een van pijn vertrokken gezicht op de bank. In een handomdraai ervoer ik dat haar ruggegraat scheef stond door een val bij de verzorging van haar ouders en dat ze hieraan geopereerd moest worden, maar daar vooralsnog het geld niet voor had. O jee, dacht ik bezorgd, al die gastvrijheid is toch niet bedoeld om een gift los te peuteren? Dan is ze bij mij aan het verkeerde adres, want ik kan mijn eigen doktersrekeningen amper betalen. Dat herinnerde me er trouwens aan dat mijn ouwe vader vandaag aan zijn heup geopereerd zou worden en ik nog niets daarover van mijn reisgenoot vernomen heb. Wel was er gisteren een SMS dat hij in Leibniz was aangekomen, maar ik kon niet terug SMS-en (had ik dat net eindelijk onder de knie!), kennelijk omdat het beltegoed alweer op was.

In ieder geval zei ik na een tijdje tegen Munevera (“Zeg maar Vera”) dat ik echt moest gaan om brood te kopen, maar dat was geen excuus, want ze stond al cake en pita in folie in te pakken. Na nog een tijdje zei ik dat ik toch echt voor het donker in het pension terug wilde zijn en toen kon ik gaan, maar niet na beloofd te hebben zondag mee naar het stierenvechten te gaan. Nog een snelle foto van haar met haar twee katten genomen (want ik wil wel alles ook in beeld vangen) en in de schemering de weg naar de stad gevonden.

 

Vrijdag 26 augustus

Naar Potocari om daar tegen een grafsteen geleund een gedicht te schrijven. Ik had geluk dat ik Srebrenica nog niet uit was met de benenwagen toen er een bus stopte en de chauffeur vroeg of ik naar Bratunac moest. Nou, bij het Memorial in Potocari wilde hij ook wel stoppen, daar kwam hij toch langs. De expositieruimte in het Memorial Centre was niet meer vrij toegankelijk en alleen nog maar voor groepen. Ik doolde nog wat over de compound rond, maar in feite waren de Dutchbatvertrekken ook niet zo spectaculair meer sinds ik van Michael – een Dutchbatter die ik een paar maanden geleden op de jaarfinale van de Slam in Tilburg heb ontmoet – heb gehoord dat de meeste schilderingen nadien door servische soldaten zijn aangebracht, waaronder de fameuze “Bosnian Girl” tekening, die hét symbool werd voor de minachting die de Dutchbatters koesterden jegens de mensen die ze moesten beschermen.

Terug wel met de benenwagen naar Srebrenica om bij Mile iets te eten, maar hij en ook Restoran Bato sloten net de deuren. Dan maar naar Aleksander, die me naar Alic verwees en me uitnodigde om daarna nog iets in zijn café te komen drinken. Toen ik terug kwam, zat er een man met een wit baardje naast hem op het terras, die tot mijn verrassing heel goed Nederlands bleek te spreken. Kemal (“Kemo”) woont in België, “vlakbij de administratieve grens”. Dat hij Vlaams ratelde merkte ik niet zo zeer aan zijn tongval als wel aan zijn veelvuldige gebruik van allez en goesting. Ene Mujo voegde zich even later bij ons en zo leek deze stille dag nog vrolijk te eindigen. Toen Aleksander wilde sluiten – “Horecaverordening, om elf uur gaat hier alles dicht,” zei Kemo zijn pols naar zijn ogen bewegend -, stelde Kemo voor om voor nog een drankje naar hem toe te gaan. “Alleen als je goesting hebt,” zei hij tegen mij. “Je hoeft niet bang te zijn.” Dat was ik natuurlijk niet, dus stapte ik onbevreesd bij Mujo in de auto voor de paar honderd meter naar Kemo’s huis, dat zich gelukkig wel op weg naar het pension bevond. De mensen pakken hier voor het kleinste wissewasje in de stad de auto, die toch een soort statussymbool wordt als je voor de rest niet veel meer hebt.

Kemo toverde binnen een mum van tijd brood en een fles wijn op tafel en daar zaten we dan, druk pratend waarbij Kemo Mujo zo veel mogelijk voor mij vertaalde, als ze niet op geëxalteerde toon met elkaar aan het discussiëren waren en soms liepen de gemoederen dermate hoog op dat ze tegelijkertijd opsprongen en snuivend tegenover elkaar stonden. Waarop Kemo steevast een wegwerpgebaar maakte en ze zich berustend weer op hun zitplaats lieten vallen. “Waarom winden jullie je zo op?” vroeg ik aan Kemo. “Ach, dat zit in onze natuur,” grijnsde hij. “Maar we houden echt wel van elkaar, hoor.”

Over één ding waren ze het echter roerend eens: hun bewondering voor Tito. “Toen was alles goed, toen was dit een mooi land en Srebrenica vol leven. Nu is het een spookstad.”

Dat kon ik moeilijk ontkennen. Nu ja, eerder een bejaardenrustoord. In weerwil van de berichten die over Srebrenica in de media verschijnen is het er niet gevaarlijk, niet sinister en niet gruwelijk, maar gewoon stil. ’s Avonds na tienen is het enige geluid dat je hoort het ruisen van de rivier.

Maar hier waren we, het was al na middernacht en met aardig wat wijn achter de kiezen begon Mujo uit volle borst Sevdahliederen te zingen. Hij bleek zo waar een professionele zanger te zijn. Daarop vatte ik moed om het gedicht voor te dragen, dat ik vanmiddag leunend tegen een steen op de begraafplaats had geschreven. “Ona je nasa prijatelja,” zei Kemo bewonderend tegen Mujo en dat had ik wel degelijk verstaan.

Ze haalden me over om de volgende dag met hen naar een recreatiemeer in de buurt te gaan. “Daar gaat iedereen heen. Niemand blijft hier in het weekend.” Waarom ook niet, Srebrenica kan niet alleen maar kommer en kwel zijn.

 

 

 

 

De soldaat in haar

 

Ik moest de stad verdedigen in al haar

armetierigheid maar wie kan de holle

kassen bedekken wie de lege ramen met

schaamlappen behangen? O, het krioelde

 

er genoeg, het wurmde zich door de straten

heel het leven opeengepakt en opgehoopt

tot bergen stront heel die composthoop

van onmenselijkheid prikkeldraad is niet

 

vereist want buiten de lijnen sluipen de

schutters de messentrekkers met scalpen

voor de buik hoe moet ik dan van die fuik

een veilige haven maken met het manna

 

aan de bomen en pioenrozen uit de kanonnen?

Mijn pikhouweel slaat slechts gaten in de

lucht die verzadigd is van zweet en het geile

bloed deze stad doet zich tegoed aan wie haar

 

hebben wil de toegangswegen gespreid opdat

tanks het schuimende zaad diep in haar lendenen

stoten. Ik ben slechts haar pooier ik hoef

alleen de resten bijeen te vegen en te begraven.

 

 

Zaterdag 27 augustus

Ik werd tegen de middag wakker terwijl ik om halftien met Kemo en Mujo naar het meer zou vertrekken. Shit, me verslapen door het late uur en de kater. Het was een mooie gelegenheid geweest om wat met Srebreciani op te trekken en de taal te oefenen. Nu moest ik ook nog zelf de reservering voor de terugreis van Sarajevo naar Utrecht regelen. Kemo had de vorige avond gezegd dat hij dat door zijn zus zou laten doen, aangezien hij ook met de bus terug naar België moest en dan kon zij gelijk mijn reservering doorgeven.

Ik met mijn horreur voor telefoneren en speciaal in een taal die ik gebrekkig beheers. Ik heb het geweten met ratelende telefonistes, die mij radeloos in tranen deden uitbarsten waarop de jonge ober van het pension bezorgd kwam toegesneld en als een mantra bleef herhalen dat ik kalm moest blijven. Bleek even later dat men mij bij het kopen van het ticket het nummer van het Eurolineskantoor in Zvornik had gegeven en niet in Sarajevo.

“Dat is het kengetal van de Republika Srpska,” wees de ober. Dat had hij me ook wel eerder mogen vertellen. Dus ik naar Sarajevo bellen en opnieuw een ratelende telefoniste te woord staan tot er plots een Engelssprekende meneer in de hoorn sprak. “Hallelujah!” riep ik dolgelukkig uit.

Na deze interactie wilde ik geen mensen meer zien en vooral voor de rest van de dag de taal niet meer te hoeven spreken, dus trok ik de bergen in. Vanaf het pension volgde ik de autoweg naar boven om uiteindelijk op een orthodoxe begraafplaats onder het genot van een weidse blik uit te rusten. Dit land is geplaveid met begraafplaatsen, op deze bevonden zich zelfs picknickbanken, voor families tijdens het zondagbezoek aan hun dode verwanten.

In de schemering liep ik terug naar de stad. Ik had geen zin om weer, zoals gisteravond, de hele stad te moeten afstruinen naar een restaurant dat wél open zou zijn, dus ik liep het warenhuis in om proviand voor de avond in te slaan waarna ik het café bovenin aandeed voor een aperitiefje. “Polinaaaaaa!” galmde het door het dranklokaal en ik liep naar het plafondhoge raam, dat uitkijkt op het dorpsplein, om Munevera en twee vrienden te begroeten. Ik schoof aan en luisterde wat naar hun gebabbel, maar ik miste Kemo’s ondertiteling. Bovendien had ik even geen trek meer om op de taal te moeten zweten, dus nipte ik zwijgend van de pelinkovac (balkanese vermouth annex hoestdrank van balkanese makelij). Om half tien, bij sluiting van het warenhuis, werden we eruit gegooid. Het hele gat was godvergeten verlaten. Het zag ernaaruit dat Kemo gelijk had, dat het godganse dorp inderdaad aan het meer zat. Munevera liep met me op naar het pension, al wiebelend op haar hoge hakken, voor haar was dit kennelijk haar zaterdagavonduitje. “Polina ide brzo kao metak,” verzuchtte ze keer op keer. “Wat betekent metak?” wilde ik weten. Daarop zette ze het op een lopen met kleine dribbelpasjes, haar wijsvinger achterna. “Kogel,” zag ik even later op mijn kamer in mijn woordenboek staan. Snel als een kogel – ik had gezworen dat het een of ander beest was.

Ik deed me te goed aan het ingekochte proviand en de wijn: de avond was nog lang.

 

 

Zondag 28 augustus

Nu, om elf uur ’s avonds ben ik de enige bewoner van het pension, de laatste der Mohikanen. Het personeel is zojuist vertrokken – hoewel ik net nog gestommel hoorde, evenals het gillen van een leiding en het paniekerige gezoem van een geëlektrokuteerde mot. Het is echt waar dat je, als je moederziel alleen in een gebouw bent, plotseling alle geluiden hoort.

Vanmiddag weer een “ronde” door Srebrenica gemaakt: eerst naar Munevera, die niet thuis was, maar ik trof haar verderop wiedend in een veldje aan, in gezelschap van kitten en hond. Natuurlijk werd ik op de koffie gevraagd en geleidelijk aan druppelden familie en buren de tuin binnen, de bosnische variant van de zondagsvisite, zeg maar. Er werd druk getetterd, de feeëriek blonde tweeling werd zowat doodgeknuffeld, want Bosniërs zijn net zo verkikkerd op hun grut als Italianen, en temidden van dit rumoer zat ik als een stugge hollandse zuil, die een tikkeltje nieuwsgierig werd opgenomen, maar meer ook niet. Ik kon het geratel niet volgen, maar de dorpsbekommernissen zullen wel overal ter wereld gelijk zijn, neem ik aan. Toen ik mijn kans schoon zag om weg te glippen, liet ik het niet na en hup, de bergen maar weer in. Bij Srebrenik ontdekte ik een weg naar boven die ik nog niet kende, maar helaas begon het net donker te worden. Weer terug in de stad trof ik Kemo op een terras aan. Hij bleek ook niet aan het meer te zijn geweest. Mujo was niet op komen dagen en sindsdien zoek. Hij gebaarde uitnodigend naar een stoel en ik besloot om voor één drankje te blijven, want hoewel ik vanmiddag al had aangekondigd de maaltijd in het pension te zullen gebruiken kon ik er niet van op aan dat men eeuwig met een prakje op mij zou wachten. Daarop werd een bierglas voor me neergezet, dat tot de rand werd gevuld met een goedje dat het midden hield tussen lambrusco en cassis. Ik klokte het naar binnen en ging weer op weg. Halverwege kwam ik een echtpaar tegen dat “goeienavond” tegen me zei, dus ik draaide me verrast om. Ze hadden mij al vaker zien lopen en natuurlijk ben ik zo plomp hollands als een Dutchbatter. Het waren bosnische Nederlanders uit Bergen op Zoom. In 1992 uit Srebrenica gevlucht, eerst naar Montenegro, toen naar Slovenië, daar op de bus gestapt en er in Nederland weer uitgekomen.

“Ik wilde eigenlijk meteen weer terug,” vertelde de vrouw namens Zumra, “en ik wilde ook niet de taal leren.”

“Ik ken het gevoel,” zei ik, “ik heb hier hetzelfde.”

We kletsten nog wat over taalproblemen. Toch lijkt Nederlands me veel gemakkelijker te leren dan Bosnokroatisch. Zumra vond het verschil tussen de en het al vreselijk ingewikkeld, maar wat te denken van al die naamvalsuitgangen in het Bosnokroatisch die vaak ook nog hetzelfde zijn? Zo is de uitgang van mannelijk Datief en Lokatief hetzelfde als die van vrouwelijk Akkusatief en zijn er zeven naamvallen die ook nog eens veelal niet synchroon lopen met de naamvalsregels in het Duits. Goed, Latijn is nóg ingewikkelder, maar dat hoeft niemand te spreken.

Na dit onderhoud toog ik als de bliksem naar het pension, waar mijn komst voor enige paniek zorgde, want eigenlijk wilde men de tent al sluiten. Ik putte me in duizend excuses en zei dat de kok me toch vooral wat de pot schafte moest voorzetten. Dus mocht ik aan de personeelstafel plaatsnemen en kreeg even later een bord met kip, groente en frieten toegeschoven, al met al een tamelijk copuleuze maaltijd.

 

In haar tuin

 

Ze spit in de nazomertuin waar spinnen op

zilverdraden dansen ondanks haar geknakte

ruggengraat het leven is hard in deze

stad van haar vooroorlogse gelaat ontdaan.

 

Ze verft voor mij de vruchten van het land

bol de schoot bitter en puur brandend als chili’s

op de tong haar woelende ondergrond is waar

zij beklijft. Ze lijft mij in zoals de aanloophond

 

die op de naam Wickie de oren strekt de kop

nekt een Vikingheld heeft ook hier het laatste

woord op het koord van spraak waar ik ben

beroofd van alle taal net zo schraal als

 

het lichaam dat zij behoedt en bewerkt met

lompe schoffelstrelingen. Hele families lopen

uit ik ben de bezienswaardigheid die zij

op de kop heeft getikt voor de duur van

 

dit verlegen uur voordat de wolven praatjes

krijgen. Ik in al mijn westerse pracht wil

me het liefste in haar bloembedden verschuilen.

Dit is voor altijd. Tot het uitgestelde afscheid.

 

 

Maandag 29 augustus

Vandaag wilde ik iets nuttigs doen en niet alleen op terrassen en in tuinen of op kerkhoven rondhangen. Bovendien had ik geen trek meer in kakelende Bosniërs. Ik was moe, had weinig geslapen (door de oprispingen van het lege huis?) en dan kan ik ook niet meer zo alert op de taal zijn. Ik versta er evenwel nog genoeg van om te kunnen begrijpen dat de mensen het onderling over de dagelijkse ditjes en datjes hebben, hun buren en hun kwaaltjes, net als in NL. De koffie met rakija lurkende Bosniër op het terras als equivalent van de bierdrinkende Nederlander op zijn stoepje in de Gouden Eeuw, alles wat voorbijtrekt becommentariërend. Wat mij zo ongemakkelijk doet voelen – en dat heb ik altijd in gezelschap – is dat er van mij verwacht wordt dat ik iets terugzeg, of ook mijn licht op de dingen laat schijnen – althans, dat denk ik voortdurend. Ik ben al geen spraakwaterval (alleen op papier) en in zo’n ingewikkelde taal al helemaal niet.

Dus ging ik naar het Dom Kulture en ontdekte daar een heuse bibliotheek. Meteen kwam er een muts uit een kantoortje toegesneld die me “izvolite” (wat iets betekent als: kan ik u helpen) toesnauwde en me langs alle boekenkasten volgde tot ze het welletjes vond en op haar horlogeloze pols tikte, hoewel het bij lange na geen sluitingstijd was, maar sluitingstijden zijn hier relatief. Dan maar koffie drinken op het terras van Aleksandar en de (servische) krant lezen. Er stond een artikeltje in over de Nederlander die ik twee jaar geleden bij Restoran Bato had ontmoet, dat zijn bedrijfje een financiële injectie uit NL had gekregen. Andere manieren om hier te overleven lijken er niet te zijn. Maar wat stond die krant – die onafhankelijk heette te zijn – bol van de propaganda. Het belagen van de servische president Vucic door de Moeders van Srebrenica op de herdenking in Potocari vorig jaar heette een heuse “moordaanslag” te zijn. Jaja, vrouwen met enkel paraplu’s als wapen zijn daar echt toe in staat! En Dodik deed zijn duit in het zakje door te stellen: “Dit is Bosnië. Hier bestaat de rede niet.” Dodik de roeptoeter, de bosnischservische evenknie van onze blonde twittergeilaard, met het verschil dat de eerste de uitstraling van de allersaaiste apparatsjik aller tijden heeft.

Toen ik genoeg had van de krant, liep ik het pad, dat ik gisteren ontdekt heb, verder naar boven. Het was een stevige klim, die me evenwel een gevoel van triomf bezorgde door eindelijk aan de “enclave”, die toch in een enigszins claustrofobische kom ligt, te kunnen ontsnappen. Boven aangekomen strekte een hoogvlakte zich voor me uit. Ik had geen idee welke kant ik op moest, dus sloeg ik maar een van de drie wegen in, dat ik volgde tot ik plotseling opmerkte dat de zon de kim al bijna raakte. Tja, de poldernederlandse in mij is gewend om de zon op gelijke hoogte in de zee of het weiland te zien zakken, maar in het dal was hij natuurlijk allang onder! Dat betekende dat ik me moest haasten om voor het donker terug te zijn. Ik struikelde over de kiezels naar beneden en hoopte maar dat de bordjes met “opgepast mijnen”, die ik in mijn ooghoeken waarnam, ook echt voor de plekken golden waar ze waren opgesteld, namelijk in het ondoorzichtige struikgewas. Het was nog net niet helemaal donker toen ik terug in Srebrenik was. Ik at maar weer een burek in het neonlicht bij Motel Alic, iets anders was er op dit tijdstip niet meer open. Daarna begon de lange avond, goed om mijn indrukken van de dag op te schrijven.

 

 

 

Spoken na de storm

 

Dan ben ik nog in leven door ferme zuilen aan

hel en vlammenzeeën onttrokken en karavanen

trekken altijd verder zonder omkijken naar

geblakerde beelden en vlagende vergezichten.

 

Er komen anderen herenboeren te schonkig om

mij te kunnen bewonen burgemeesters van

het achterland rurale geitenhoedsters en pastorale

weduwen. Zij kunnen deze spookstad niet

 

opbouwen niet het leven in mij noch mijn zonen

blazen. Zo laat ik het karkas open en bloot

dat de wind er vrij spel heeft en toeristen

zich aan diashows van lichtflitsen uit het verleden

 

vergapen met hun vette zetels gespreid over mijn

graven. De vrolijke Bosniër is een trucker

uit België met heimwee naar het Titoïsme

de melancholicus liep ooit achter Vincents

 

kleindochter aan en ik vraag me voortdurend

af of ik nog voor jou besta of je me vergeten

bent ook nu de rook uit doodgewone schoorstenen

walmt en niet uit mediagenieke openluchtcrematoria.

 

 

Uitbraak ondanks innig

 

En dan heb je eindelijk een uitweg uit

dit lichaam gevonden ontsnapt en nachtelijk

weggeglipt uit die omhelzing de borst

van de enclave van zwarte melk voorzien

 

door smurfsoldaten door bossen opgeslokt

en het inkt van het late uur het enige te

vrezen bomen buigen welwillend hier

vallen geen granaten alleen getijden en blad

 

de regen spoelt geen bloed weg de rivier

vervoert alleen water er is een later

een toekomst waar jij ook nu in je

deplorabele staat aan denken mag. Maar de

 

stad trekt en zuigt als een moeder

aan haar ontrouwe minnaarszoon ook

al kijkt ze je onbewogen aan met holle

gaten. Als het water begint te branden

 

moet je weg. Ze heeft je genoeg gevoed

met schuld en boete en het gif uit tepels

als granaatappels. Ook al zijn bomen stug en nachten

krijtwit. Kun je weduwen en wezen horen praten.

 

 

Dinsdag 30 augustus

Vandaag naar Bratunac gegaan, waar het enige verschil is dat de warenhuizen er groter zijn (maar niet meer assortiment hebben), de café’s talrijker (en luidruchtiger) en er meer kiosken zijn. Maar geen enkele boekhandel te bekennen, wat die boeren de hele dag doen is koffie met rakija drinken, roddelen, hout hakken en TV kijken, voilà de bosnische ziel, of in Bratunac zal die wel servisch heten. Ik had gehoopt hier iets van een wandelkaart te kunnen scoren, maar ik had natuurlijk moeten weten dat niemand hier voor zijn lol in de bergen gaat wandelen tenzij er weer een etnische zuivering plaatsvindt.

De taxichauffeur herkende me nog van vorig jaar. Ik weet niet hoe het kan, maar mijn kennis van de taal holt achteruit naarmate ik hier langer ben en steeds onbegrijpelijker idioom moet aanhoren. Het kostte me de grootste moeite om een gesprek met hem te onderhouden. Of ik heb gewoon een slechte dag. De warmte helpt ook niet echt.

Bij Mile op het terras sprak een man me aan, die me uitnodigde om ergens anders nog iets te drinken. Ik zou inmiddels moeten weten dat dit de meest doorzichtige versiertruc aller tijden is, maar het was mijn laatste avond hier en ik had onderhand wel eens zin in een verzetje in plaats van eenzaam op mijn hotelkamer wijn te slobberen. Hij nam me mee naar een hardrockcafé dat ik nog niet kende, maar het was een slechte keuze, het was rokerig, rumoerig en de muziek stond zo hard dat ik nu ook akoestisch geen kaas meer van die onbegrijpelijke taal kon maken. Nadat ik een tijdje had zitten knikken en lachen en mijn keel met wijn gesmeerd vluchtte ik halsoverkop het café uit. Ik kwam echter niet ver, een auto haalde me in en reed stapvoets naast me. Het was een jongeman, die ik ook in het café had gezien (ik ben toch veel te oud voor hem, dacht ik) en ik stapte in.

“Begrijp je een beetje Servisch?” vroeg hij. Jezus, was het er weer zo een. Het spijt me zeer, maar het ijekavisch (wat in Kroatië en Bosnië wordt gebezigd) aanduiden als Servisch (wat de ekavische variant is) is taalkundig gewoon onjuist. Gelukkig beschikte ik niet over de taaltrapezemiddelen om hem dit eens haarfijn uit te leggen.

Nadat de jongeman oneindig rondjes om het pension had gedraaid, zodat ik hem toch wel enigszins begon te knijpen, hield hij stil en perste zijn kleverige lippen op de mijne. Hij nam geen genoegen met mijn dichtgeritste vriendschapszoen en wrong zijn tong tussen mijn tanden, die ik eigenlijk had moeten afbijten. Met zulke kerels ken ik inmiddels geen genade meer. Waarom menen ze constant op vrouwen als op trofeeën te moeten jagen? Ik was blij toen ik eindelijk in mijn eentje op mijn kamer wijn kon slobberen.

 

 

 

 

Hotel Fontana van kolonel en generaal

 

Dit is de omgekeerde wereld naar lichaam

en geweten binnenstebuiten er zijn altijd

waarheden aan beide zijden van de oorlogsmedaille.

Het gedrocht leeft in een kunstmatige baarmoeder

 

de schoot van een wanstaltige natie gesticht

met het bloed van anderen altijd zijn het de

anderen die iets teweeg hebben gebracht die

een loop richten het slachtoffer steeds binnen

 

schootsafstand dan wordt de loop gewoon

als een uilenkop gedraaid en is het eigen

vege lijf doelwit. Uit naam van goden worden

zo enclaves gesticht kruisvaarten ondernomen 

 

het kloppende hart monddood gemaakt want

de geest is zwak en alle goede wil gebroken.

De kolonel en generaal piesen om het verst

daarna is het proosten met het bloed uit fonteinen.

 

Ook hier is men vogelvrij vluchteling is hij die

bij vertrek de deur openlaat en zich zonder

huid of stadsmuur weet. Ik ben hier slechts te leen.

Ik krijg het bloed niet meer van mijn handen.

 

 

Woensdag 31 augustus

Ik heb vandaag alleen afscheid kunnen nemen van Mile, die me vaderlijk bezorgd vroeg of gisteravond alles wel goed was gegaan. Kennelijk had hij het niet zo vertrouwd en ik haastte me om hem gerust te stellen.

Kemo was van het terras verdwenen toen ik terugkwam van het boodschappen doen en Munevera was niet thuis, zodat ik een afscheidsbriefje in mijn beste Bosnokroatisch in haar brievenbus schoof.

De aardige jonge ober bracht me naar de bushalte, zodat ik de gelegenheid had om wat met hem te kletsen en meer over hem aan de weet te komen. Hij woonde in Potocari, werkte sinds vier maanden in het pension, waar hij zeven dagen per week aan het oberen was en ging nooit met vakantie. “You’re a fine waiter,” zei ik hem, maar ik ried hem bij het uitstappen aan toch vooral eens op vakantie naar de kroatische kust te gaan.

De taxichauffeur in Sarajevo was deze keer een iets vriendelijker exemplaar, hoewel hij evengoed het dubbele voor de rit rekende. “Alle Serviërs zijn fascisten,” riep hij zigzaggend door het verkeer. “Nou ja, sommigen zijn misschien alleen maar een beetje fascistisch,” nam hij gas terug op mijn tegenwerpingen. “Bosniërs zijn goed, Bosnjakken zijn goed, Kroaten zijn goed, Roma zijn goed, joden zijn goed, maar Serviërs zijn slecht.”

Ik gebaarde naar het Franz Ferdinandmuseum waar we in vliegende vaart langsscheurden. “Zie je wel!” riep hij triomfantelijk. “Gavrilo Princip was een servische terrorist. Niets dan ellende hebben we altijd met die Serviërs gehad. Gelukkig hebben we hier niet veel last van ze.”

Zonder verdere kleerscheuren bereikte ik het hostel en nadat ik had ingecheckt en mijn spullen de trap op naar de stapelbedkamer gesleept liep ik een stuk lichter de heuvel af naar de Bascarsija om iets te eten. De eigenaresse van het visrestaurant “Sestre” kende me nog; ze had nu een studente in dienst die vloeiend Engels sprak. Eindelijk iemand bij wie ik mijn frustraties over de taal kon luchten. “Wacht maar tot je eens in het zuiden komt,” glimlachte ze. “Dan versta je helemaal niks meer.”

Nog een borrel op een terras, weer tegen de heuvel opklauteren en naar bed.

 

Donderdag 1 september

Ik ontwaakte met servische propaganda, mijn transistor annex wekker stond kennelijk op een “foute” zender afgesteld. De taxichauffeur mocht dan gisteravond menen dat de servische invloed hier miniem is, maar de Servische Republiek strekt zich wel tot Oost Sarajevo uit.

Ik was de enige in het hostel, samen met een ook weer uitstekend Engels sprekende jongeman, die me gisteravond min of meer had “opgevangen”. Nu trof ik hem in boxershort en T-shirt in de woonruimte aan. Ik dacht dat het een Amerikaan was vanwege zijn accent, maar hij bleek Turks te zijn. Of hij ook op doorreis was? “Hell no, I sort of live here for a while. I help Harris out, I’m his housekeeper, administrator, receptionist and God knows what else.”

Ik liep weer de stad in voor een broodje en een krant, die vol stond met het nakende referendum over de Onafhankelijkheidsdag van de Servische Republiek, dat Dodik zonder toestemming van meneer Dayton heeft uitgeroepen. Verder wist de krant te melden dat hij een kleinzoon heeft gekregen. Bah, het hele doen en laten van de politici wordt breeduit in die kranten uitgemeten en al hun quotes geciteerd, hoe onzinnig ook. Alsof iedere tweet van Wilders in de krant wordt afgedrukt.

Ik klom met moeite weer tegen de heuvel op, want de warmte begon me parten te spelen en de vermoeidheid speelde op, dankzij het virus dat jojo speelt met mijn lichamelijke gesteldheid. Drijfnat kwam ik bij het hostel aan en ik moest met dit kloffie nog de hele dag, nacht en de volgende dag doen.

Harris’ zus bracht me naar het station. Ik vroeg haar naar het referendum, of dat wel mocht van meneer Dayton. “Hell, no!” riep ze verontwaardigd uit.

“Waarom doen ze het dan?”

“They just do.”

Dat lijkt hier wel voor alles de verklaring te zijn: they just do, en er wordt hen geen strobreed in de weg gelegd door de kikkers die niet merken dat het water warmer wordt tot het te laat is.

Bij het station sprong ik uit de auto om van mijn laatste geld peuken te kopen en gaf de rest, samen met de kamerhuur, aan Harris’ zus, die terstond verbleekte. “Maar dat is veel te veel...”

“Hou het maar,” zei ik. “Ik doe er toch niks meer mee.” Ik was in een vrijgevige stemming, aangezien de kamer maar 10 euro had gekost en ik voor mijn penthouse in Srebrenica voor bijna een week ook maar een prikje had hoeven betalen.

Toen was het inchecken en de bus vinden, die ieder jaar groter en luxer en minder wendbaar op de bosnische landweggetjes lijkt te worden. Ik had twee stoelen voor mezelf en goede zin. De man achter mij nodigde me gelijk bij de eerste stop al uit om met hem te gaan roken en vertrouwde me vervolgens in goed Nederlands toe dat Kroatië van plan is om samen met de EU de Servische Republiek aan te vallen in geval van afscheiding. Zo ver is het nog niet. Vooralsnog sukkelden we gemoedelijk over de landweggetjes verder tot de kroatische snelweg van vriendschap en broederschap zich voor ons ontrolde.

 

 

Land van de kaart

 

Het konvooi trekt uit het land door die

open deur ingetrapt en gehavend in hengsels

de splinters staan als grafstenen in het

landschap het is één groot kerkhof

 

van alle laarzen die zijn getreden en toch

ademt het lichaam en is de ziel onthecht

maar ongehecht enkel pleisters op het verleden

het heden is tomeloos in die wrakken

 

aan de kant van sluipwegen je krijgt

het leven niet uit de mens het hart niet

uit de man het land niet van de kaart

of uit het bestaan grenzen zijn alleen

 

administratief voor het gerief van gespleten

hoofden maar de rivier verandert zijn loop niet

en gebroken harten groeien vanzelf naar elkaar.

Altijd denk ik dat ik je weer zie jij bent voor mij

 

het land die hand die onder mijn huid kruipt

in deze enclave ben ik van jou daar woon ik

in jouw lichaam en als ik ga neem ik je op

mijn rug zo ver als mijn verzen je kunnen dragen.

 

 

Vrijdag 2 september

Zo tegen middernacht, als we door de kroatische laagvlakte suizen, krijg ik altijd een inzinking. We zijn dan al best lang onderweg en nog niet eens bij Zagreb waarna we ettelijke sloveense en oostenrijkse bergen over moeten en het vanaf München evengoed nog een hele dag rijden is. Dat is ook het moment waarop mijn medepassagiers me op de zenuwen beginnen te werken. De jongeman aan de overkant van het gangpad, die de hele reis als een standbeeld uit het raam zat te staren, geen woord zei en het enige aan hem wat bewoog was zijn hoofd dat nu en dan op zijn borst knikte. De vrouw voor me met het jengelende kind, die me vroeg of ze de stoel naar achteren mocht klappen, zodat hij kon slapen. “Ik moet ook kunnen slapen,” zei ik botweg en stelde vervolgens iets vriendelijker voor dat ze hem maar aan het gangpad moest zetten (ik zat bij het raam), maar dat wilde ze niet – áls ze me überhaupt al begreep, want ze sprak geen Engels, Duits of Nederlands. Wat deed zo’n vrouw eigenlijk met een klein kind op een bus naar Nederland? De man achter mij die de hele tijd zijn knieën in mijn rug porde en last but not least de oudere man naast hem aan de overkant van het gangpad, die een onvervalste bosnische redenaar bleek te zijn. Dat is een soort apart: ze kunnen namelijk urenlange monologen afsteken, meestal over politiek. Het zijn veelal mannen, want in Bosnië is politiek én voetbal voornamelijk een mannenzaak, zoals het dat bij ons in de jaren vijftig was. Na de laatste stop in Slovenië (we hadden net een uur lang voor de grens stilgestaan) begon hij een urenlange monoloog tegen de man achter mij, wat mij belette om in te dutten, hoewel ik er niets van verstond. Eén keer dreigde de monotone stem van de man in de mist van de slaap te verstommen, maar toen maakte de bus een onverhoedse beweging waarop ik hem haarscherp “To su bajke” (Dat zijn sprookjes) hoorde zeggen en meteen weer klaarwakker was. Niet veel later werden we aangehouden door zwaailichten en mannen met fluorescerende hesjes langs de kant van de weg en toen viel hij eindelijk stil. Gerettet durch die Polizei. Ik keek op mijn telefoon, het was half zes. Evengoed duurde het weer een eeuwigheid voordat de politie ervan overtuigd was dat er geen illegalen in de bagagenetten verstopt zaten of aan de uitlaat hingen. Toen we eindelijk verderreden, begon het al te gloren en bij München was het inmiddels volop licht. Ik bracht de ochtend door met het lezen van de Süddeutsche, koffie halen bij benzinepomps en het ontcijferen van een boek met volksverhalen uit Srebrenica en Bratunac. Voorbij Frankfurt, toen we na een stop de bus weer inklommen, zei de redenaar iets tegen mij. Hij bleek zowaar Nederlands te spreken! Waarom ook niet, in een bus die waarschijnlijk vol zat met Bosniërs die naar het gastland terugkeerden. Hij vroeg wat ik aan het lezen was en ik gaf hem het boek waarop hij me “overhoorde” of ik de verhalen wel begrepen had. Ik zei eerlijk dat ik er niet veel van snapte waarop hij zijn leesbril opzette en de tekst uitvoerig bestudeerde. “Hm, het is ook niet eenvoudig,” mompelde hij. “Er staan typische moslimzegswijzen in, die moeilijk te vertalen zijn.”

Daarop ontrolde zich een heel gesprek over taal, over de verschillen tussen Bosnokroatisch en Nederlands, zodat ik begon te denken dat de redenaar in feite leraar was, maar Fikret bleek een kunstschilder en woonde in Deventer. “Ik ben 23 jaar geleden met het Rode Kruis naar Nederland gekomen,” vertelde hij. “We konden naar Zwitserland, Denemarken of Nederland, maar ik vond alles best. Sindsdien ben ik maar een keer of zeven terug in Bosnië geweest. Ik wilde mijn draai in Deventer proberen te vinden. Bovendien kom ik uit Odzak, wat een moslimkroatische enclave binnen de Servische Republiek is en ik word altijd claustrofobisch als ik daar ben. Het is een dode enclave en ’s nachts blaffen de honden. Ik heb altijd voornamelijk geprobeerd mijn plek in Nederland te vinden. Veel immigranten willen én hier én daar zijn en dat is dodelijk vermoeiend. Eigenlijk zijn ze nergens. Ik heb respect voor veel Bosniërs, die in Nederland hun leven weer hebben opgebouwd, maar ik heb enkel heimwee naar een land dat niet meer bestaat.”

Ook hij sprak vol nostalgie over de joegoslavische tijd. “Toen had ik een reispas voor het oosten én het westen. Toen waren we vrij.”

We spraken urenlang over taal, geschiedenis en de toestand in Bosnië en de wereld en zo vloog de tijd om en werden de laatste loodjes toch een stukje lichter. Onmerkbaar kwam de grens dichterbij en toen we Enschede binnenreden, begon het heel zachtjes te regenen.

 

 

Thuiskomst in basalt

 

En nu ben je thuisgekomen het lichaam

ontwend als een slobberjas die je bent

ontgroeid de tas met dromen vergeten

onder de bijrijdersstoel. Het is een eeuwig

 

aankomen in het nieuwe land heet dat nu

officiëel immigrant je hebt het huis

ontmanteld het eeuwenoude gezicht weggegooid

hier zijn steden tochtig en verwaaien gerafelde

 

levens in de wind. Het kind in jou leert

opnieuw lopen wadend door hoog water

en praten tegen lege luchten. De blije Bosniër

speelt in een kluchtige pantomime en verbergt

 

de enclave als een bochel op zijn rug onder

dikhuidige duffels. Rondjes draaien in

de ziel over opgedoekte grond maakt

claustrofobisch. Na een tijdje vergeelt het

 

land wordt het een tanige geliefde. Ze kent

hem niet meer terug terwijl hij haar altijd

is blijven achterna lopen. Ongewild heeft hij

de basalten kleur van de Noordzee aangenomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reacties

Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Je Punt profiel
Hou mij op de hoogte
Ik wil op de hoogte gehouden worden
Dit is een verplicht veld
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl