Jolies Heij
Laatste reacties
Laatste artikelen

Wo also willst du weilen?

Wo findest du die Statt?

O Mensch, der nur zwei Fremden

Und keine Heimat hat.

 

Franz Grillparzer

 

 

 

Maandag 8 augustus 2016

Gisteravond vanuit de Wouwse Plantage bij Roosendaal vertrokken na het naar binnen schuiven van de macaroni met smac van stief. Vader is morgen jarig; momenteel is hij slecht ter been vanwege een versleten bot in de heup en in afwachting van de operatie om dit ouderdomseuvel te verhelpen.

Het motto van deze reis zal luiden: steden met littekens, de stad als gehavend lichaam. Dit sluit aan bij mijn huidige lichamelijke gesteldheid, die niet optimaal is. Hoe neem je het lichaam op sleeptouw als je het liever kwijt dan rijk bent? Hoe worden uit ruïnes vitale lichamen met pompende levensaders? Wat zit er onder de pleisters van de tijd?

We zijn op weg naar Dresden, hét symbool voor de gehavende stad sinds WO II, waarvan de wonden nog gedeeltelijk openlagen toen ik er in 1995 voor het laatst was. Vooralsnog strandden we op de camping in Essen-Werden omdat de avond viel en voor het te donker zou zijn om de tent op te zetten. Niet getreurd, in de naburige woonwijk bevindt zich pal tegenover de kerk een Biergarten, waar we op zondagavond bijna de enige gasten zijn. Ik ren op en neer naar de WC vanwege die ene kop koffie, die ik ’s middags heb gedronken. Na een diëet van kruidenthee, rijst, boekwijt, schorseneren en ander groen spul ben ik daar niet meer aan gewend.

De Ruhrpott is het gebied van kool en staal, maar ook van de Buden: een op de drie kiosken van Duitsland bevindt zich hier. Er is een Budenfestival met een Poetry Slam gepresenteerd door Duitsland beroemdste Slammer Sebastian 23, die mij ooit, toen ik met de Citynightline naar Freiburg kwam gestoomd voor een optreden van vijf minuten, 165 euro reiskostenvergoeding schoon in de hand drukte. Sindsdien kan Sebastian bij mij geen potje meer breken.

 

 

Van staal tot stoom

 

Dit is het hart van staal dat wil

opstijgen wegdrijven over waterwegen

handen smeden in hansesteden. De kamers

vol uitroeptekens van roet, de Budes

 

met curryworst en winegums naast een

onverwacht ambachtelijk woord. Machines jagen

de prikklokken aan, verkeersaders kolken

nonsens vertolken het ratelende gekkenwerk.

 

De kolenschop stevig in de grond, men zwoegt

in plaats van te zwetsen want hier walmen

de monden van schoorstenen nooit stil.

Het is een lichaam dat naar buiten is

 

gaan staan maar aan traagheid valt niet

te ontkomen. Onderhuids jeuken dromen

alleen de tijd maakt ze ijl. Zo ben ik

dit lichaam mij gewend in al zijn streken.

 

Ik pak het in en neem het mee ook al hebben

oorlogen er huisgehouden. Ooit kom jij op TV

als wederopbouwkundige, voorspelt vader. Ik

vouw vast een boot, neem de Roer op mijn rug.

 

 

 

Dinsdag 9 augustus 2016

Gisteravond lag de hitte als een klam laken op de tent, nu regent het. De camping ligt in een buitenwijk van Dresden met eindeloze lanen, die nergens heengaan. Gelukkig klaart het na de middag op en wordt het opnieuw warm. Allereerst moet er natuurlijk gewinkeld worden; dan weet Tom raad en leidt ons feilloos naar het dichtstbijzijnde winkelcentrum.

De auto inladen, terugrijden naar de camping en met de bus naar de stad. Dresden heeft duidelijk een nieuw likje gekregen, maar de vertrouwde staat is wel zo veel mogelijk gehandhaafd, want daar zijn die Duitsers goed in: iets herstellen zoals het was. Niet zoals in NL om de zo veel decennia alles tegen de vlakte en er doorzondozen voor in de plaats. Niet voor niets heeft er een jarenlange discussie gewoed of het DDR-parlementsgebouw in Berlijn al dan niet gesloopt moest worden, hoewel het vergeven was van de asbest. En was er een serieuze actiegroep tegen de wederopbouw van de Liebfrauenkirche, die van mening was dat ze een ruïne moest blijven als onverwoestbaar aandenken aan de nacht van 13 op 14 februari 1945.

Wat evenmin onverwoestbaar is gebleken zijn de zwart uitgeslagen gevels en beelden – niet door brand, maar door zure regen, waar zandsteen niet tegen bestand blijkt. Grappig is dan weer wel dat men de nieuw opgerichte beelden maar vast zwart heeft gemaakt om dat voor te zijn. Ze geven het stadsbeeld iets melancholiek-sinisters.

 

 

Mij in jouw vuurstad

 

Ik ben dit opgestookte lichaam voor jou nu

onbekend zoon van mijn stad je hebt

me gehad je kraste op mij je eerste

pennenstreken. Maar ik ben in jou vergruisd

 

in mij huist het vagevuur en totale

kaalslag leegstand is geen uitzondering

meer zonder jou om op mijn muren

te schrijven de muren die niet eens met

 

trompetgeschal maar onder het luchtalarm

zijn bezweken. Er komen anderen ze maken

vlijtige bouwtekeningen hangen straatnamen

vol panerfalia op. De Pragerstraat van Oostblokflair

 

tot hamburgers en curryworst. De lieve vrouw

wordt uit het slop tot bionisch in elkaar gezet

de Elbe verdooft. Ik ben meer steen dan verguisd

heel gemeen vergeet ik het kale geraamte

 

hoe ik erbij lag in ontbonden staat. Alleen

de beelden zijn nog zwart van een loeiende woede

alsof hun roet op mijn longen slaat. Vandaag is het

de zure regen die de gaten in mijn mantel brandt.

 

 

Woensdag 10 augustus

In het Erich Kästnermuseum. Het weer is rampzalig: regenvlagen worden afgewisseld met een schrale zon en de temperatuur is met tien graden gekelderd. Erich Kästner werd in 1899 in Dresden geboren en is er opgegroeid, daarna vertrok hij voorgoed om in Leipzig te studeren en er als onderwijzer te werken, daarna naar Berlijn om schrijver te worden - want eigenlijk wilde hij niet onderwijzen maar zelf leren – en daar in 1933 de verbranding van zijn boeken te aanschouwen. De expositieruimte bestaat uit kasten met talloze laadjes en als je ze opentrekt, vallen er foto’s, gedichten en essays van de meester uit.

 

 

Donderdag 11 augustus

De Frauenkirche kende ik alleen als geblakerde ruïne op een tochtige vlakte; nu stond er een imposante kerk, omringd door etablissementen in frisse pastelkleuren. Van binnen zag het er als een theater met balkons en galerijen uit. In de Unterkirche uitgespaarde nissen. In de gids las ik dat de kerk altijd als onverwoestbaar werd beschouwd, geen kanonskogel leek haar te deren, zodat de pruisische koning Friedrich II tenslotte humeurig uitriep: “Ach, laat die dikkop ook maar staan.”

In de nacht van 13 februari 1945 was het dan toch zo ver: door de gebroken ramen kon het bombardementsvuur zich naar binnen likken en de houten inrichting wegvreten. Het duurde evenwel nog tot de ochtend eer de kerk definitief in elkaar zakte. Sommigen zeggen dat de ruïne voor altijd een monument had moeten blijven, maar wat is er in vredesnaam monument aan een hoopje geblakerd gruis? En waar hoor je nog citaten van Kierkegaard in het Sächsisch?

Vervolgens naar het Karl May Museum in Radebeul, een stukje buiten Dresden. Ik had een kitscherige bedoening verwacht, maar dat viel reuze mee. Het woonhuis Villa Shatterhand was zo veel mogelijk in oorspronkelijke staat hersteld (in de DDR-tijd was het een Indianitikmuseum) en in Villa Bärenfett was een informatieve expositie over verschillende indianenstammen. Er draaide een documentaire, die mij leerde dat men in de DDR-tijd compleet indianengek was (de indianengenootschappen schoten als totems uit de grond) omdat de prairie de ultieme vrijheid belichaamde. Aandoenlijke beelden van vredespijprokende hippies.

Nu onderweg naar onze vriend Stefan B., de duitse kunsthistoricus in Praag.

 

 

Old Shatterhand in Radebeul

 

Ik ben mijn eigen villa want ik laat

mijn fantasie de vrije loop neergestreken

in gegoede saksische buurten schep ik

eigen werelden als een virtuele reiziger

 

avant la lettre. Ik weet heus wel hoe

een bison eruitziet en één schot uit mijn

zilverbuks is dodelijk. Kijk mijn trofeeën

met gewei en tanden aan de muur. Wie

 

heeft er nog een lichaam nodig om zich

te verplaatsen, wie longen om de vredespijp

te roken of een broekriem voor de scalp.

Het lichaam is ballast dat jeukt en krabt

 

en hooguit heeft geleerd om de pen te hanteren.

In de gevangenis die deze staat was

hebben mijn sprooksels velen tot regendansen

bewogen tot de grote droogte voorbij en

 

puinhopen tot bloei tot natte ogen van

ontroering. Ik trek mij terug nu, de villa

echoot Old Shatterhand en Winnetou maar

ik heb deze stad lang geleden al verlaten.

 

Vrijdag 12 augustus

Ter gelegenheid van zijn 700-ste geboortejaar is er in de Nationale Galerie een tentoonstelling over Karel IV, de vader van Karel V en grootvader van Filips en in deze contreien samen met Rudolf II de belangrijkste vorst, die behalve de roemruchte burcht nog een buitenoptrekje liet bouwen (Karlstein) en natuurlijk de Karlsbrücke, aangezien de vorige brug na een overstroming was weggevaagd.

Normaal gesproken is Stefan onze gids en wandelende encyclopedie in den vreemde, maar de plicht houdt hem aan de computer gekluisterd. Hij vertaalt catalogi van het Tsjechisch naar het Duits en voelt de hete adem van diverse deadlines in zijn nek.

 

 

Middeleeuws huisarrest na de spelen

 

Ik heb mijn voetstappen naar het oosten

verlegd de burcht paste mij als een

gesteven jas. Dienaren dreven mijn relikwieën

over de bulten, daar kwam geen olifant

 

aan te pas. Ik heb pestbuilen uitgeknepen

het lichaam krijgt mij niet klein, het is

naar mijn hoofd gaan staan waarin de

kroon gegoten wordt en een koninkrijk

 

bemeten. Voor het voetvolk leggen we een

loopplank, voor de nooddruftigen een bazaar

met zinnenbegoochelend kamperfoelie. Zo hou

ik menig vijand buiten de poort, hun paarden

 

waggelend op hemelhoge stelten en maken de ruggen

hoog voor zelfbevlekkende deernes. Er verschijnen

mannen met baarden en lange messen.

Maar het verleidelijkst zijn de vrouwen met

 

luipaarden in het oor, goudgestikte halzen

en druipende oksels. Voor straf geef ik ze

huisarrest. Dat hun schmink bederft

terwijl ik ergens anders mijn masker opzet.

 

Zaterdag 13 augustus

Het is gek weer: gisteren was het haast knisperend koud, vandaag een hittegolfje met tien graden verschil. Een dag voor toeristen om erop uit te gaan, rond de burcht viel over de hoofden te lopen. We bezochten de zwarte doos, die voor Kafkamuseum moet doorgaan. Een opmerkelijke curiositeit: volgens het opschrift staat de fabel “Vor dem Gesetz” voor Praag (Praha betekent drempel) – de engelse titel luidt “Threshold”. Maar in het duitse origineel komt geen drempel voor! Sterker nog, de hoofdpersoon komt niet eens over de drempel omdat de deur wordt gesloten voordat hij toegang tot de wet krijgt.

Tijdens en na het eten met Stefan zitten bomen over tsjechische en boheemse geschiedenis. We gaan hier sowieso iedere avond uit eten: de tentjes zitten om de hoek en zijn bespottelijk goedkoop. In Praag worden sowieso alleen rond de burcht westerse prijslijsten gehanteerd, die soms wel het drievoudige bedragen van wat je in de buitenwijken neertelt.

Van Stefan leer ik dat hier het Duits altijd de taal van de elite was, maar dat onder invloed van het nationalisme (plaats)namen veelal zijn vertsjechiest. Op een gegeven moment vroeg hij hoe er in NL over het neerhalen van de MH17 wordt gedacht, of men gelooft dat het de Russen of de Oekraïeners zijn geweest.”

“Dat doet niet ter zake,” gaf ik verbluft. “Daar is men helemaal niet mee bezig. Het gaat om het persoonlijke drama, om wie wie heeft verloren. Wat kan het de mensen schelen of het vliegtuig door Russen of Oekraïeners is neergehaald, da’s toch één pot nat.”

“Ach ja, daarom heb ik ook geen TV meer,” kreunde hij.

“Intussen gaat ieder jaar de vlag halfstok vanwege dit evenement,” vervolgde ik, “terwijl er voor de doden van Srebrenica geen nationale herdenking wordt gehouden.”

Daarop zei hij dat men op diverse duitse blogs van mening is dat de Oekraïeners het met behulp van de Amerikanen hebben gedaan en de Russen de schuld geven. Überhaupt schijnen veel linkse (en voormalig communistische) Duitsers Poetins daden te vergoelijken en zijn propaganda voor zoete koek te slikken.

“Dat is niks nieuws,” zei ik. “Om dezelfde reden heeft Peter Handke zich aan de zijde van de servische nationalisten geschaard en de begrafenis van de oorlogsmisdadiger Milosevic bijgewoond.” De linkse duitse intelligentsia schiet automatisch in een haatkramp waar het Amerika betreft en verwelkomen alles wat ooit communistisch was, of beter anti-Amerika, zoals franse intellectuelen in de jaren 50 steevast het stalinisme goedpraatten.

Na deze verhitte discussie maakten we de fles Freiburger Sekt buit, die al een jaar bij Stefan in een donker hoekje achter de imposante boekenkast lag te verstoffen.

 

 

Zondag 14 augustus

Weer is het warm. Gisteren nog in aller ijl diverse blikken goulash met bonen ingeslagen in verband met Maria Hemelvaart morgen in de katholieke wereld. We moeten verder voor een tweedaagse tocht naar Osijek. Als de pompen maar benzine spuiten.

Onder onweerswolken tijdens een tussenstop door een alleraardigst oostenrijks stadje gestruind, waarvan de naam mij is ontschoten en dat op een hucht lag die alleen via houten trappen te bereiken was. Overnachting in Traisen bij Wenen in een omgeving, die als twee druppels water op het Zwarte Woud lijkt.

In het Karl May blad, dat ik uit de Villa heb meegegrist lees ik een artikel van de meester zelf met alleraardigste anekdotes. Zo beklaagt hij zich uitvoerig over de keerzijde van zijn roem in de vorm van allerhande idioten, die dagelijks aan de poort van de Villa kloppen. Maar zoals iedere ijdeltuit kan hij de verleiding niet weerstaan om de deur open te houden, of, erger nog, naar her en der af te reizen om zich te laten fêteren door de volgende schraper, die te gierig is om naar Radebeul af te reizen. Zo beschrijft hij dat hij de hand van een van hen bij de begroeting dermate fijnknijpt dat de arme man van pijn in het rond danst. Of hoe een zogenaamd briljante, maar platzakke criticus om geld bedelt waarop Karl voorstelt dat hij dan maar zijn biografie moet schrijven, dan doet hij tenminste nog wat voor de kost. En dat de criticus vervolgens verontwaardigd uitroept: “U hebt vast zelf schulden. U bent een schrijver van niks, anders had u mij voetstoots in mijn noden voorzien.”

 

 

Maandag 13 augustus

Nog steeds is het redelijk warm, zodat ik de dag begin met een duik in het campingzwembad. Dat had ik misschien beter niet kunnen doen, want een uur later loop ik te snotteren met een zakdoek letterlijk onder mijn neus, voor zo ver ik er niet in wegduik voor een nieuwe nies en is het weer ook omgeslagen.

Tom stuurt ons over kronkelige landweggetjes dwars door Hongarije. Soms zien we geen hand voor ogen door de regenval. Natuurlijk nergens een uitspanning te bekennen, dus plassen geschiedt naast het portier met de plu in de hand.

Het is al donker als we de grens met Kroatië bereiken en hij staat er echt: de Muur tegen de vluchtelingen, afgewerkt met prikkeldraad. Twee douanebeambten stappen ferm op de auto af. Waar gaat dat hene? “Naar Kroatië,” antwoorden wij met onze naïefste toeristenlach. Waar naartoe in Kroatië en wat gaan jullie daar doen? Het klinkt allemaal bijzonder onvriendelijk en ongastvrij. Uiteindelijk gaat de Muur krakend een stukje open, net breed genoeg voor de auto om zich erdoor te persen.

Maar in Kroatië neemt de regen eindelijk af. In het appartement wacht ons de slivo van Jasmina’s schoonpapa en ze heeft er ook nog een schaal met hapjes uit de Baranja bijgedaan.

 

 

Transit Magyar

 

Nu is het lichaam tochtig en leeg alleen

het vertrouwde karkas kruipt door de

uren over drassiglanderige wegen. Het draagt

een oliejas waarlangs de regen afglijdt.

 

Vergezichten huilen neuzen druppen maar zijn

naar de voorruit gericht. Steen vertaalt

zich hier in linten van wegen en kaarsrechte

buurtschappen die middels vreemde namen

 

hun identiteit weigeren prijs te geven.

Gestrekt is het land en gesloten als de

mystieke vreemdeling na het sprookje

van één nacht. Geluidswallen zijn geen

 

vereiste het ruisen van het hart overstemt

alles. Er is geen bescherming van muren

niet de valse schijn van een haard. Het hoofd

is in de wolken als God een vinger krom

 

maakt is het door er bliksem uit rond te

slingeren aderen te pulseren en telefoondraden

tussen jou en mij elektrisch geladen. Ga niet

van de weg af. Rij het prikkeldraad aan flarden.

 

 

Dinsdag 16 augustus

Aankomst in Osijek betekent aankomen in de taal, wat ieder jaar sneller lijkt te gaan: al gedurende de eerste dag raak ik gewend aan de klanken, die zich tot zinnen aaneenrijgen in plaats van verbrokkelde fragmenten. Ik begrijp wat de verkoopsters in de winkels zeggen, al kan ik nog niet veel terugzeggen. Het lukte me zo waar om een paar gedichten te lezen, bijna zonder het woordenboek te gebruiken. In het plaatselijke antiquariaat, waar het wemelde van de moeders die schoolboeken voor het kroost kwamen afhalen, een bundel gekocht van een dichteres uit Vukovar. De Vecernji List gespeld: iets over het referendum van Dodik, een of andere oostenrijkse gezant heeft gesteld dat het tegen de wet is en dat het enige doel ervan is om Bosnië verder te ontwrichten. Ja, èn? Wat voor consequenties worden hieraan verbonden? Geen enkele natuurlijk. Men staat niet bekend om daadkrachtig optreden als het om de bosnische periferie gaat. Dan maar beter iets lezen over taal en literatuur. Het glagolitische schrift werd nog tot in de 17e eeuw gebruikt en daarna door het latijnse overgenomen. Opmerkelijk is evenwel dat het Kroatisch alleen in Dubrovnik de ambtelijke taal was; in Dalmatië en Istrië was dat het Italiaans en in het noorden en oosten het Duits en het Hongaars. Daar werd het Kroatisch alleen door boeren en arbeiders gebezigd.

 

 

Woensdag 17 augustus

Vandaag naar het Memorial Center voor de doden van Vukovar in de loods van een voormalige schapenfabriek. In het veld ertegenover was een concentratiekamp; later zijn de mensen de bossen ingedreven en geëxecuteerd. In het Memorial Center foto’s van de vermoorden en de documenten/snuisterijen die ze bij zich droegen; in het midden van de zaal een video-installatie, die de namen in een zitkuil projecteert en ze in een draaikolkbeweging in de grond laten verdwijnen.

“It was the total destruction of the croatian state,” hoorde ik een vrouw tegen een toerist zeggen. “It had nothing to do with anymosities, it was pure hate.” Zoals overal in Joegoslavië, dacht ik mismoedig en dit is het treurige resultaat. Een medewerker van het naburige kerkhof wist te vertellen dat zo’n 900 mensen er een laatste rustplaats hebben gevonden, maar dat er nog 350 slachtoffers worden vermist. Wat kun je anders dan “Nikad vise” (Nooit meer) in het gastenboek schrijven?

 

De wolvenburcht opgeleverd

 

Ik zal dit lichaam onder de knie

krijgen landtongen likken verleidelijk

het bekken spreidt zich gewillig

als een opengewrikte schelp. De wolven

 

hebben de burcht verlaten de welpen

zijn weerloos en ik vermaal ze onder

mijn ratelende rupsbanden. Ik ben het organisme

dat dood en verderf zaait dat muren

 

wegvreet dat zich liederlijk uitleeft

in alle hoeken en gaten de pik als een

loop gericht en alle pikken bij elkaar

drijven de lammeren naar de schapenvelden.

 

Zo leren ze het echte wolvenverdriet kennen.

Ik ben gepantserd de rivier deert mij niet

mijn huid is van staal het hart een brok

graniet ik ben gekomen om te vereffenen

 

van watertoren tot de ingesleten sporen in de

geschiedenis. Toen het genoeg was trok ik mij

terug rolde mijn tank tot het hoofdkwartier

liet me voorgoed voor gek verklaren.

 

 

Vrijdag 19 augustus

En alsof we er maar niet genoeg van konden krijgen, reden we naar Jasenovac aan de bosnische grens, waar tijdens WOII het grootste concentratiekamp van Joegoslavië was gehuisvest. Gerund door de fascistische Ustase, al dan niet met medewerking van franciskaner priesters en met goedkeuring van het Vaticaan. Meer dan 82.000 mensen zijn er vermoord, waarvan de helft servisch, een derde joods en roma en nog wat kroatische verzetsstrijders, Slowenen en Duitsers.

Het was een tocht van ruim twee uur en het was warm. Het monument – een betonnen roos – was al van ver zichtbaar, als een baken ontsproot het aan misdadige grond. Van dichtbij was het enorm en plomp en het binnenste als een guur viaduct om te schuilen voor de regen. Twee strofen uit het gedicht “Jama” (Afgrond) van Goran Kovacic stonden er op een gedenkplaat afgebeeld. Het hele gedicht (er staat een engelse vertaling op internet) gaat over de slachtingen die de Ustase aanrichtten, hoe de mensen in zelfgegraven troggen werden gegooid en vermoord. Kovacic was de kroatische Federico Garcia Lorca: overtuigd antifascist en verontwaardigd over het feit dat de Ustase zo veel Serviërs afslachtten, sloot hij zich bij de Partizanen aan om in 1943 door servische paramilitairen (cetniks) te worden vermoord.

Het museum is duidelijk nieuw, met glazen gedenkplaten, waarin de namen van de slachtoffers zijn gegraveerd. En nog altijd zijn niet alle namen bekend. Het komt mij voor dat heel Joegoslavië één groot kerkhof is.

Jasenovac zelf is een boerendorp met een ijssalon, een bar en een restaurant, waar we als de enige gasten op de valreep nog een pita met cevapcici konden bestellen. Nadat we de deur weer achter ons dicht hadden getrokken, gingen de lichten meteen uit. De stilte en de volle maan begeleidden ons op de terugtocht.

 

Stilleven bij Jasenovac

 

Dit is een dorp met afgronden opgetrokken uit

dodenakkers barakken doen de kakkerlakken

verstuiven en onbewogen moerassen omsluiten

het lichaam in ontbinding zo struikel je

 

niet over poëtische pleisterplaatsen. Het schuldig

landschap is altijd ergens veraf gelegen

een betonnen roos uit de joegoslavische tijd

in het verwelkte knoopsgat en een partizanengedicht.

 

De boer ploegt de akkers om de grond

huisvest niet meer geheimen dan ieder

gepokt en gemazeld karkas waarin al het

pleinschreeuwen is verstomd. Er gaan oorlogen

 

overheen laag boven laag van niet meer

dan onmenselijkheid en humus een stad

van levende doden en zwetende zoden.

Ze roepen vanonder verkalkte bergen: nooit

 

meer maar het afgetrainde lichaam houdt zich

doof. Een zonnestraal gaat landerig onder.

Zo nachtelijk was het nog nooit. In het kantoor

mept de opzichter de overige vliegen dood.

 

 

Zaterdag 20 augustus

Vanwege de warmte warmte de hele dag binnen wat zitten internetten met de airco aan. Het volledige gedicht “Jama” van Kovacic gelezen, dat uit tien delen en in totaal 68 strofen bestaat. Aan het eind van de middag naar Tito’s jachtslot bij Tikves gereden om in het omringende bos te wandelen, maar de muggen en steekvliegen waren ondanks de droogte al ver voor zonsondergang actief. Ik vraag me af of de maarschalk in dit jaargetijde wel van het buitenhuisje gebruik maakte. Het jachtseizoen is sowieso pas in de herfst geopend.

Volgens Gordana was er een festival in de slottuin van Darda, maar meer dan een braderie met een rommelmarkt en wat trommelmuziek was het niet. Dan maar naar de Tvrda voor het zaterdagavondgevoel: eten bij Kod ruze (Bij de roos), het authentiek slavoonse restaurant alhier en de tralalaviolisten, harmonica’s en banjo’s waren inderdaad weer luidkeels aanwezig. Men spreekt er Engels voor de weinige toeristen, maar toen ik stug in het Kroatisch bestelde, begreep de ober mijn dappere poging en was mij ter wille.

 

 

Zondag 21 augustus

Aan de rand van het gemeentelijke zwembad in een boek over kroatische geschiedenis zitten lezen. Daaruit leer ik dat Kroatië in 1102 zijn zelfstandigheid verloor toen het door de Hongaren werd bezet en pas weer een semi-onafhankelijke vazalstaat werd onder de Ustase in WOII, met de Poglavnik (Führer) Ante Pavelic als stroman van Hitler.

Na zonsondergang nog maar een wandelingetje over de boulevard langs de Drava en op de vestingsmuur klimmen. De lucht ziet er al betrokken en enigszins dreigend uit. Later, als we gelukkig lang en breed weer in het appartement zijn, barst er een dermate heftig onweer los dat de straatverlichting uitvalt. De bliksem zet de hele straat in lichtelaaie.

 

 

Maandag 22 augustus

Vanochtend was het nog maar 17 graden en woei er een ijzige wind. In de bus naar Tuzla zat ik alweer naast iemand uit de vrijstaat Brcko, een katholieke Bosniër, die afwisselend in Zagreb en Wenen woont en bij zijn broer in Brcko op bezoek ging. Marko sprak mij in het Duits aan en eenmaal op dreef stortte hij zijn spraakwaterval over me uit. Overigens was hij wel een stuk positiever over Brcko DC dan de trouwlustige jongeman van vorig jaar. Een generatiekwestie soms? Ik heb al eerder geconstateerd dat de bosnische jongeren niets met al die opdelingen en nog minder met politiek en politici hebben.

“Als heel Bosnië op de manier als in Brcko geregeerd werd, zou het goed gaan,” aldus Marko. (Brcko is een cofederatie van moslims, katholieken en orthodoxen, dus hier wordt wel met elkaar samengewerkt.) “Maar in de rest van Bosnië kan de huidige situatie nog honderd jaar blijven voortbestaan en dan komt er weer een nieuwe oorlog.”

Ik kletste ook nog wat met hem over de politiek in Kroatië. Volgende maand zijn er verkiezingen en ik deed mijn best om de peilingen in de krant te ontcijferen. Vooralsnog staat de HDZ (de partij van oudpresident Tudjman) bovenaan, gevolgd door de sociaaldemocraten en Most, een (populistische) rechtsconservatieve partij. “De rechtsen vechten elkaar nu de tent uit,” wist Marko, “maar na de verkiezingen vallen ze in elkaars armen. Ze moeten wel. En de sociaaldemocraten, dat zijn de oude communisten, niet te vergelijken met de sociaaldemocraten in Duitsland of Oostenrijk.”

Ik vroeg hem of het er in Kroatië democratischer aan toegaat dan in Bosnië waarop natuurlijk een hele litanie volgde tijdens welke Marko van verontwaardiging steeds meer begon te “wienerlen”. Wat ik ervan begreep was dat hij zo ongeveer iedereen de schuld gaf van het falen van Bosnië: Tito de dictator, die de bevolking monddood had gemaakt, Milosevic met zijn nationalisme en expansiepolitiek en – en dit had ik nog niet eerder gehoord – Izetbegovic met het uitroepen van de onafhankelijkheid. Volgens Marko was Alija de directe aanstichter van de oorlog geweest. Dit wordt ook altijd door Karadzic en de zijnen beweerd; ik wist evenwel niet dat deze visie ook onder katholieke Bosniërs opgeld deed. Maar hoe veel katholieke Bosniërs had ik nou helemaal ontmoet?

Nadat Marko in Brcko was uitgestapt, dacht ik hier nog wat verder over na. Er schoot me ineens de titel van een boek te binnen: Sterven voor Bosnië? Hoe cynisch klinkt dat in dit verband! Maar het is waar: de Kroaten hebben tenminste nog het idee dat ze gestreden en geleden hebben voor de vrijheid en het vaderland. Maar de Bosniërs? Die hebben enkel gestreden voor dit postkoloniale wangedrocht, dat ze niet eens zelf beheren.

 

 

Dinsdag 23 augustus

Ik heb mijn oude kloostercel weer terug; vannacht sliep ik op een driepersoonskamer waarin ik verzoop en die aan de voorkant geheel van glas was met zicht op de moskee. De imam kon mij bij wijze van spreken zien kakken als ik de badkamerdeur open liet staan. Nu gelukkig op een kale kamer met een bed, tafeltje en stoel, die op een blinde muur uitkijkt. Ik zette meteen de TV aan voor het 12 uur journaal op de kroatische publieke omroep terwijl ik de rest van de krant probeerde te ontcijferen. Toch kan ik de Kroaten veel beter verstaan dan de Bosniërs: ze spreken luid en duidelijk en slikken niets in, wat de Bosniërs nogal eens doen, vooral de klinkers. Zo deed ik vanmiddag mijn best om een luidruchtige conversatie tussen een boekhandelaar en twee vrouwen af te luisteren, maar ik kon er werkelijk geen kaas van maken terwijl ik normaal gesproken toch wel wat losse woorden opvang. Voor de rest wat door de stad gelopen, gegeten bij de Cevapdzinica met een watertje. Er is hier wel het een en ander veranderd, er wordt druk gebouwd (ook bij het pension is een nieuw stuk aangebouwd), er is een nieuw monument voor Ban Kulin – de eerste heerser van Bosnië – met een tekst van hem in het Bosanski, de middeleeuwse bosnische taal – vergelijkbaar met het Glagolitisch in Kroatië. En er is een monument met teksten die zijn ontleend aan de stecci, de middeleeuwse grafstenen, die her en der in het landschap staan.

 

 

Woensdag 24 augustus

De enige andere gasten in de ontbijtkamer op het uitslaapuur van half elf waren een jongeman met een vrouw in niqaab. Ooit eens zo iemand in het winkelcentrum Overvecht aanschouwd, toen sperde ik mijn ogen wijdopen bij deze buitenissigheid. Nu dacht ik slechts: de islamisering heeft kennelijk definitief in Bosnië toegeslagen. Ik had me echter vergist. Nadat ze de hielen hadden gelicht foeterde de pensionbaas in gebroken Engels: “Dat zijn vast Saudi’s. Voor Bosnië is dit niet normaal. Zo extreem.”

Hij zal in de toekomst nog wel meer van dat soort gasten krijgen, dacht ik bij mezelf toen ik de trappen naar mijn kamer besteeg voor het 12 uur journaal. Vervolgens was het tijd voor de studie: de krant spellen, woordjes in mijn schrift noteren, hoewel het geleerde tegenwoordig even snel weer naar buiten lijkt te sijpelen. Halverwege de middag liep ik naar het zoutmeer voor een duik, maar er was geen lokettist bij de ingang. Een duits gezin stond ietwat verdwaasd om zich heen te kijken, ik zei dat ze gewoon door moesten lopen alsof hun neus bloedde. “What can you do, these are the Balkans,” zou Jasmina zeggen. Later tegen de “dodenberg” opgelopen, het stadspark waar de helden uit diverse oorlogen liggen. Terug in de stad rakija besteld bij een ober, die dolblij was dat hij Engels met me kon spreken.

 

Helende stad badend in zout

 

Ik ben de stad die alles samenbrengt

wat krom en onaf en alle losgeraakte eindes

aan elkaar breit. Ik ben het eeuwenoude

kristal van zal ik of ik wil. Er ontploften

 

granaten in mijn straten en de hellingen

vertonen de witte littekens van zout dat tot stof

de maden van het landschap die zich almaar

verder in skeletten hebben ingevreten en verstopt.

 

Maar het deert me niet men mag nog zo

veel bedekken doodshoofden sluieren deze

ontluikende wellust in schaamlappen verpakken

binnenin het lichaam bonkt en vonkt gruwt en

 

spuwt het en zet alles wat lief op het spel

dit onwelbevinden is verre van de dood

de littekens geen slagveld de held eet

geen genadebrood en het hart niet stuk

 

te krijgen door saboteurs die zich als

ziekmakende kotstroepen verspreiden want ik

weet jou hier en als ik mijn ogen dichtknijp zie ik

een innige verstrengeling van ons beiden.

 

 

Donderdag 25 augustus

Toen ik vanochtend bij het afscheid tegen de pensionbaas zei dat ik naar Srebrenica zou gaan, tuitte hij vervaarlijk de lippen: “But it’s very dangerous over there.” Ik heb al vaker geconstateerd dat er ook in Bosnië vooroordelen over Srebrenica bestaan, als zou je er niet veilig kunnen rondlopen. Dat is natuurlijk onzin, alhoewel de servische provocaties toenemen door het referendum van Dodik over een “servische onafhankelijkheidsdag” en de flirtages met Poetinland. Tevens lees ik nu ook weer dat men in Servië een standbeeld voor Milosevic wil oprichten, alsmede een straat naar hem vernoemen omdat het proces tegen Karadzic eindelijk heeft uitgewezen dat Milosevic niet verantwoordelijk was voor de oorlogen in Kroatië en Bosnië. Hoezo geschiedsvervalsing! Maar voorlopig kan ik in Srebrenica nog ongestoord rondlopen.

Op het busstation werd ik geconfronteerd met een uitermate chagrijnige lokettist, die ook weer verwoed klinkers inslikte en aan wie ik drie keer dezelfde vraag moest stellen voordat ik er kaas van kon maken. En dan weer die bedelende zigeunerkinderen die me voor “Schwabe” uitscholden toen ik “beat it” naar ze riep, gevolgd door: “You only want my money ‘cause I’m a bloody foreigner.” Strontziek word ik ervan – alsof ik een rijke salontoerist zou zijn! Dan zou ik wel in Bangkok zitten, of aan de Franse Rivièra, of desnoods in Opatija aan de kroatische Lunghomare. Eén meisje volgde me zo ongeveer tot in de bus en zette het op een krijsen toen ik haar stug negeerde.

Reizen met de bus door Bosnië betekent ook sightseeing. Deze keer reed de bus een andere route via Zvornik, dat zich als een parel aan de Drina openbaarde. Je waant je net bij de Loreley aan de Rijn.

In het pension kreeg ik het penthouse toebedeeld: een tweekamerappartement met vijf bedden en balkon voor mij alleen. Bezorgd daalde ik naar de receptie af om daarover met de poetsvrouwen/kamermeisjes in gebrekkig Bosnokroatisch over te onderhandelen. Voor mij zou gewoon de prijs van een eenpersoonskamer gerekend worden, begreep ik na enig soubatten. Ja goed, maar ik had er ook geen zin in om halverwege de week mijn boeltje weer te moeten inpakken om te verkassen, zoals in Tuzla, alleen kreeg ik dat weer niet uitgelegd.

Daarna de stad in voor wat boodschappen; ik besloot om via een omweg langs de andere rivieroever te lopen, maar wat je dan allemaal tegen het lijf loopt... Eerst passeerde ik een oud vrouwtje, dat haar geiten in de berm liet grazen. Toen ik voor de tweede keer langsliep (omdat het pad niet verderging en ik langs dezelfde weg terug moest), sprak ze me aan en in een handomdraai wist ik dat de cetniks haar man, zoon en haar baby en nog vier andere familieleden hadden vermoord. Ze was pas 62, maar zag er als 80 uit. Ik beloofde haar familie op de begraafplaats in Potocari op te zoeken, met name baby Eljub Begic.

Ik vervolgde mijn weg, maar kwam niet ver. Toen ik voor een huis stilstond om een vrucht op te rapen, verscheen er een struise dame op het balkon, die me paprika’s en pepers uit haar tuin aanbood en me zo ongeveer naar binnen sleurde voor een kop koffie waarop ze kwam aanzetten met cake, pita en gebraden kip. Nadat ze alles op tafel had gezet wierp ze zich met een van pijn vertrokken gezicht op de bank. In een handomdraai ervoer ik dat haar ruggegraat scheef stond door een val bij de verzorging van haar ouders en dat ze hieraan geopereerd moest worden, maar daar vooralsnog het geld niet voor had. O jee, dacht ik bezorgd, al die gastvrijheid is toch niet bedoeld om een gift los te peuteren? Dan is ze bij mij aan het verkeerde adres, want ik kan mijn eigen doktersrekeningen amper betalen. Dat herinnerde me er trouwens aan dat mijn ouwe vader vandaag aan zijn heup geopereerd zou worden en ik nog niets daarover van mijn reisgenoot vernomen heb. Wel was er gisteren een SMS dat hij in Leibniz was aangekomen, maar ik kon niet terug SMS-en (had ik dat net eindelijk onder de knie!), kennelijk omdat het beltegoed alweer op was.

In ieder geval zei ik na een tijdje tegen Munevera (“Zeg maar Vera”) dat ik echt moest gaan om brood te kopen, maar dat was geen excuus, want ze stond al cake en pita in folie in te pakken. Na nog een tijdje zei ik dat ik toch echt voor het donker in het pension terug wilde zijn en toen kon ik gaan, maar niet na beloofd te hebben zondag mee naar het stierenvechten te gaan. Nog een snelle foto van haar met haar twee katten genomen (want ik wil wel alles ook in beeld vangen) en in de schemering de weg naar de stad gevonden.

 

Vrijdag 26 augustus

Naar Potocari om daar tegen een grafsteen geleund een gedicht te schrijven. Ik had geluk dat ik Srebrenica nog niet uit was met de benenwagen toen er een bus stopte en de chauffeur vroeg of ik naar Bratunac moest. Nou, bij het Memorial in Potocari wilde hij ook wel stoppen, daar kwam hij toch langs. De expositieruimte in het Memorial Centre was niet meer vrij toegankelijk en alleen nog maar voor groepen. Ik doolde nog wat over de compound rond, maar in feite waren de Dutchbatvertrekken ook niet zo spectaculair meer sinds ik van Michael – een Dutchbatter die ik een paar maanden geleden op de jaarfinale van de Slam in Tilburg heb ontmoet – heb gehoord dat de meeste schilderingen nadien door servische soldaten zijn aangebracht, waaronder de fameuze “Bosnian Girl” tekening, die hét symbool werd voor de minachting die de Dutchbatters koesterden jegens de mensen die ze moesten beschermen.

Terug wel met de benenwagen naar Srebrenica om bij Mile iets te eten, maar hij en ook Restoran Bato sloten net de deuren. Dan maar naar Aleksander, die me naar Alic verwees en me uitnodigde om daarna nog iets in zijn café te komen drinken. Toen ik terug kwam, zat er een man met een wit baardje naast hem op het terras, die tot mijn verrassing heel goed Nederlands bleek te spreken. Kemal (“Kemo”) woont in België, “vlakbij de administratieve grens”. Dat hij Vlaams ratelde merkte ik niet zo zeer aan zijn tongval als wel aan zijn veelvuldige gebruik van allez en goesting. Ene Mujo voegde zich even later bij ons en zo leek deze stille dag nog vrolijk te eindigen. Toen Aleksander wilde sluiten – “Horecaverordening, om elf uur gaat hier alles dicht,” zei Kemo zijn pols naar zijn ogen bewegend -, stelde Kemo voor om voor nog een drankje naar hem toe te gaan. “Alleen als je goesting hebt,” zei hij tegen mij. “Je hoeft niet bang te zijn.” Dat was ik natuurlijk niet, dus stapte ik onbevreesd bij Mujo in de auto voor de paar honderd meter naar Kemo’s huis, dat zich gelukkig wel op weg naar het pension bevond. De mensen pakken hier voor het kleinste wissewasje in de stad de auto, die toch een soort statussymbool wordt als je voor de rest niet veel meer hebt.

Kemo toverde binnen een mum van tijd brood en een fles wijn op tafel en daar zaten we dan, druk pratend waarbij Kemo Mujo zo veel mogelijk voor mij vertaalde, als ze niet op geëxalteerde toon met elkaar aan het discussiëren waren en soms liepen de gemoederen dermate hoog op dat ze tegelijkertijd opsprongen en snuivend tegenover elkaar stonden. Waarop Kemo steevast een wegwerpgebaar maakte en ze zich berustend weer op hun zitplaats lieten vallen. “Waarom winden jullie je zo op?” vroeg ik aan Kemo. “Ach, dat zit in onze natuur,” grijnsde hij. “Maar we houden echt wel van elkaar, hoor.”

Over één ding waren ze het echter roerend eens: hun bewondering voor Tito. “Toen was alles goed, toen was dit een mooi land en Srebrenica vol leven. Nu is het een spookstad.”

Dat kon ik moeilijk ontkennen. Nu ja, eerder een bejaardenrustoord. In weerwil van de berichten die over Srebrenica in de media verschijnen is het er niet gevaarlijk, niet sinister en niet gruwelijk, maar gewoon stil. ’s Avonds na tienen is het enige geluid dat je hoort het ruisen van de rivier.

Maar hier waren we, het was al na middernacht en met aardig wat wijn achter de kiezen begon Mujo uit volle borst Sevdahliederen te zingen. Hij bleek zo waar een professionele zanger te zijn. Daarop vatte ik moed om het gedicht voor te dragen, dat ik vanmiddag leunend tegen een steen op de begraafplaats had geschreven. “Ona je nasa prijatelja,” zei Kemo bewonderend tegen Mujo en dat had ik wel degelijk verstaan.

Ze haalden me over om de volgende dag met hen naar een recreatiemeer in de buurt te gaan. “Daar gaat iedereen heen. Niemand blijft hier in het weekend.” Waarom ook niet, Srebrenica kan niet alleen maar kommer en kwel zijn.

 

 

 

 

De soldaat in haar

 

Ik moest de stad verdedigen in al haar

armetierigheid maar wie kan de holle

kassen bedekken wie de lege ramen met

schaamlappen behangen? O, het krioelde

 

er genoeg, het wurmde zich door de straten

heel het leven opeengepakt en opgehoopt

tot bergen stront heel die composthoop

van onmenselijkheid prikkeldraad is niet

 

vereist want buiten de lijnen sluipen de

schutters de messentrekkers met scalpen

voor de buik hoe moet ik dan van die fuik

een veilige haven maken met het manna

 

aan de bomen en pioenrozen uit de kanonnen?

Mijn pikhouweel slaat slechts gaten in de

lucht die verzadigd is van zweet en het geile

bloed deze stad doet zich tegoed aan wie haar

 

hebben wil de toegangswegen gespreid opdat

tanks het schuimende zaad diep in haar lendenen

stoten. Ik ben slechts haar pooier ik hoef

alleen de resten bijeen te vegen en te begraven.

 

 

Zaterdag 27 augustus

Ik werd tegen de middag wakker terwijl ik om halftien met Kemo en Mujo naar het meer zou vertrekken. Shit, me verslapen door het late uur en de kater. Het was een mooie gelegenheid geweest om wat met Srebreciani op te trekken en de taal te oefenen. Nu moest ik ook nog zelf de reservering voor de terugreis van Sarajevo naar Utrecht regelen. Kemo had de vorige avond gezegd dat hij dat door zijn zus zou laten doen, aangezien hij ook met de bus terug naar België moest en dan kon zij gelijk mijn reservering doorgeven.

Ik met mijn horreur voor telefoneren en speciaal in een taal die ik gebrekkig beheers. Ik heb het geweten met ratelende telefonistes, die mij radeloos in tranen deden uitbarsten waarop de jonge ober van het pension bezorgd kwam toegesneld en als een mantra bleef herhalen dat ik kalm moest blijven. Bleek even later dat men mij bij het kopen van het ticket het nummer van het Eurolineskantoor in Zvornik had gegeven en niet in Sarajevo.

“Dat is het kengetal van de Republika Srpska,” wees de ober. Dat had hij me ook wel eerder mogen vertellen. Dus ik naar Sarajevo bellen en opnieuw een ratelende telefoniste te woord staan tot er plots een Engelssprekende meneer in de hoorn sprak. “Hallelujah!” riep ik dolgelukkig uit.

Na deze interactie wilde ik geen mensen meer zien en vooral voor de rest van de dag de taal niet meer te hoeven spreken, dus trok ik de bergen in. Vanaf het pension volgde ik de autoweg naar boven om uiteindelijk op een orthodoxe begraafplaats onder het genot van een weidse blik uit te rusten. Dit land is geplaveid met begraafplaatsen, op deze bevonden zich zelfs picknickbanken, voor families tijdens het zondagbezoek aan hun dode verwanten.

In de schemering liep ik terug naar de stad. Ik had geen zin om weer, zoals gisteravond, de hele stad te moeten afstruinen naar een restaurant dat wél open zou zijn, dus ik liep het warenhuis in om proviand voor de avond in te slaan waarna ik het café bovenin aandeed voor een aperitiefje. “Polinaaaaaa!” galmde het door het dranklokaal en ik liep naar het plafondhoge raam, dat uitkijkt op het dorpsplein, om Munevera en twee vrienden te begroeten. Ik schoof aan en luisterde wat naar hun gebabbel, maar ik miste Kemo’s ondertiteling. Bovendien had ik even geen trek meer om op de taal te moeten zweten, dus nipte ik zwijgend van de pelinkovac (balkanese vermouth annex hoestdrank van balkanese makelij). Om half tien, bij sluiting van het warenhuis, werden we eruit gegooid. Het hele gat was godvergeten verlaten. Het zag ernaaruit dat Kemo gelijk had, dat het godganse dorp inderdaad aan het meer zat. Munevera liep met me op naar het pension, al wiebelend op haar hoge hakken, voor haar was dit kennelijk haar zaterdagavonduitje. “Polina ide brzo kao metak,” verzuchtte ze keer op keer. “Wat betekent metak?” wilde ik weten. Daarop zette ze het op een lopen met kleine dribbelpasjes, haar wijsvinger achterna. “Kogel,” zag ik even later op mijn kamer in mijn woordenboek staan. Snel als een kogel – ik had gezworen dat het een of ander beest was.

Ik deed me te goed aan het ingekochte proviand en de wijn: de avond was nog lang.

 

 

Zondag 28 augustus

Nu, om elf uur ’s avonds ben ik de enige bewoner van het pension, de laatste der Mohikanen. Het personeel is zojuist vertrokken – hoewel ik net nog gestommel hoorde, evenals het gillen van een leiding en het paniekerige gezoem van een geëlektrokuteerde mot. Het is echt waar dat je, als je moederziel alleen in een gebouw bent, plotseling alle geluiden hoort.

Vanmiddag weer een “ronde” door Srebrenica gemaakt: eerst naar Munevera, die niet thuis was, maar ik trof haar verderop wiedend in een veldje aan, in gezelschap van kitten en hond. Natuurlijk werd ik op de koffie gevraagd en geleidelijk aan druppelden familie en buren de tuin binnen, de bosnische variant van de zondagsvisite, zeg maar. Er werd druk getetterd, de feeëriek blonde tweeling werd zowat doodgeknuffeld, want Bosniërs zijn net zo verkikkerd op hun grut als Italianen, en temidden van dit rumoer zat ik als een stugge hollandse zuil, die een tikkeltje nieuwsgierig werd opgenomen, maar meer ook niet. Ik kon het geratel niet volgen, maar de dorpsbekommernissen zullen wel overal ter wereld gelijk zijn, neem ik aan. Toen ik mijn kans schoon zag om weg te glippen, liet ik het niet na en hup, de bergen maar weer in. Bij Srebrenik ontdekte ik een weg naar boven die ik nog niet kende, maar helaas begon het net donker te worden. Weer terug in de stad trof ik Kemo op een terras aan. Hij bleek ook niet aan het meer te zijn geweest. Mujo was niet op komen dagen en sindsdien zoek. Hij gebaarde uitnodigend naar een stoel en ik besloot om voor één drankje te blijven, want hoewel ik vanmiddag al had aangekondigd de maaltijd in het pension te zullen gebruiken kon ik er niet van op aan dat men eeuwig met een prakje op mij zou wachten. Daarop werd een bierglas voor me neergezet, dat tot de rand werd gevuld met een goedje dat het midden hield tussen lambrusco en cassis. Ik klokte het naar binnen en ging weer op weg. Halverwege kwam ik een echtpaar tegen dat “goeienavond” tegen me zei, dus ik draaide me verrast om. Ze hadden mij al vaker zien lopen en natuurlijk ben ik zo plomp hollands als een Dutchbatter. Het waren bosnische Nederlanders uit Bergen op Zoom. In 1992 uit Srebrenica gevlucht, eerst naar Montenegro, toen naar Slovenië, daar op de bus gestapt en er in Nederland weer uitgekomen.

“Ik wilde eigenlijk meteen weer terug,” vertelde de vrouw namens Zumra, “en ik wilde ook niet de taal leren.”

“Ik ken het gevoel,” zei ik, “ik heb hier hetzelfde.”

We kletsten nog wat over taalproblemen. Toch lijkt Nederlands me veel gemakkelijker te leren dan Bosnokroatisch. Zumra vond het verschil tussen de en het al vreselijk ingewikkeld, maar wat te denken van al die naamvalsuitgangen in het Bosnokroatisch die vaak ook nog hetzelfde zijn? Zo is de uitgang van mannelijk Datief en Lokatief hetzelfde als die van vrouwelijk Akkusatief en zijn er zeven naamvallen die ook nog eens veelal niet synchroon lopen met de naamvalsregels in het Duits. Goed, Latijn is nóg ingewikkelder, maar dat hoeft niemand te spreken.

Na dit onderhoud toog ik als de bliksem naar het pension, waar mijn komst voor enige paniek zorgde, want eigenlijk wilde men de tent al sluiten. Ik putte me in duizend excuses en zei dat de kok me toch vooral wat de pot schafte moest voorzetten. Dus mocht ik aan de personeelstafel plaatsnemen en kreeg even later een bord met kip, groente en frieten toegeschoven, al met al een tamelijk copuleuze maaltijd.

 

In haar tuin

 

Ze spit in de nazomertuin waar spinnen op

zilverdraden dansen ondanks haar geknakte

ruggengraat het leven is hard in deze

stad van haar vooroorlogse gelaat ontdaan.

 

Ze verft voor mij de vruchten van het land

bol de schoot bitter en puur brandend als chili’s

op de tong haar woelende ondergrond is waar

zij beklijft. Ze lijft mij in zoals de aanloophond

 

die op de naam Wickie de oren strekt de kop

nekt een Vikingheld heeft ook hier het laatste

woord op het koord van spraak waar ik ben

beroofd van alle taal net zo schraal als

 

het lichaam dat zij behoedt en bewerkt met

lompe schoffelstrelingen. Hele families lopen

uit ik ben de bezienswaardigheid die zij

op de kop heeft getikt voor de duur van

 

dit verlegen uur voordat de wolven praatjes

krijgen. Ik in al mijn westerse pracht wil

me het liefste in haar bloembedden verschuilen.

Dit is voor altijd. Tot het uitgestelde afscheid.

 

 

Maandag 29 augustus

Vandaag wilde ik iets nuttigs doen en niet alleen op terrassen en in tuinen of op kerkhoven rondhangen. Bovendien had ik geen trek meer in kakelende Bosniërs. Ik was moe, had weinig geslapen (door de oprispingen van het lege huis?) en dan kan ik ook niet meer zo alert op de taal zijn. Ik versta er evenwel nog genoeg van om te kunnen begrijpen dat de mensen het onderling over de dagelijkse ditjes en datjes hebben, hun buren en hun kwaaltjes, net als in NL. De koffie met rakija lurkende Bosniër op het terras als equivalent van de bierdrinkende Nederlander op zijn stoepje in de Gouden Eeuw, alles wat voorbijtrekt becommentariërend. Wat mij zo ongemakkelijk doet voelen – en dat heb ik altijd in gezelschap – is dat er van mij verwacht wordt dat ik iets terugzeg, of ook mijn licht op de dingen laat schijnen – althans, dat denk ik voortdurend. Ik ben al geen spraakwaterval (alleen op papier) en in zo’n ingewikkelde taal al helemaal niet.

Dus ging ik naar het Dom Kulture en ontdekte daar een heuse bibliotheek. Meteen kwam er een muts uit een kantoortje toegesneld die me “izvolite” (wat iets betekent als: kan ik u helpen) toesnauwde en me langs alle boekenkasten volgde tot ze het welletjes vond en op haar horlogeloze pols tikte, hoewel het bij lange na geen sluitingstijd was, maar sluitingstijden zijn hier relatief. Dan maar koffie drinken op het terras van Aleksandar en de (servische) krant lezen. Er stond een artikeltje in over de Nederlander die ik twee jaar geleden bij Restoran Bato had ontmoet, dat zijn bedrijfje een financiële injectie uit NL had gekregen. Andere manieren om hier te overleven lijken er niet te zijn. Maar wat stond die krant – die onafhankelijk heette te zijn – bol van de propaganda. Het belagen van de servische president Vucic door de Moeders van Srebrenica op de herdenking in Potocari vorig jaar heette een heuse “moordaanslag” te zijn. Jaja, vrouwen met enkel paraplu’s als wapen zijn daar echt toe in staat! En Dodik deed zijn duit in het zakje door te stellen: “Dit is Bosnië. Hier bestaat de rede niet.” Dodik de roeptoeter, de bosnischservische evenknie van onze blonde twittergeilaard, met het verschil dat de eerste de uitstraling van de allersaaiste apparatsjik aller tijden heeft.

Toen ik genoeg had van de krant, liep ik het pad, dat ik gisteren ontdekt heb, verder naar boven. Het was een stevige klim, die me evenwel een gevoel van triomf bezorgde door eindelijk aan de “enclave”, die toch in een enigszins claustrofobische kom ligt, te kunnen ontsnappen. Boven aangekomen strekte een hoogvlakte zich voor me uit. Ik had geen idee welke kant ik op moest, dus sloeg ik maar een van de drie wegen in, dat ik volgde tot ik plotseling opmerkte dat de zon de kim al bijna raakte. Tja, de poldernederlandse in mij is gewend om de zon op gelijke hoogte in de zee of het weiland te zien zakken, maar in het dal was hij natuurlijk allang onder! Dat betekende dat ik me moest haasten om voor het donker terug te zijn. Ik struikelde over de kiezels naar beneden en hoopte maar dat de bordjes met “opgepast mijnen”, die ik in mijn ooghoeken waarnam, ook echt voor de plekken golden waar ze waren opgesteld, namelijk in het ondoorzichtige struikgewas. Het was nog net niet helemaal donker toen ik terug in Srebrenik was. Ik at maar weer een burek in het neonlicht bij Motel Alic, iets anders was er op dit tijdstip niet meer open. Daarna begon de lange avond, goed om mijn indrukken van de dag op te schrijven.

 

 

 

Spoken na de storm

 

Dan ben ik nog in leven door ferme zuilen aan

hel en vlammenzeeën onttrokken en karavanen

trekken altijd verder zonder omkijken naar

geblakerde beelden en vlagende vergezichten.

 

Er komen anderen herenboeren te schonkig om

mij te kunnen bewonen burgemeesters van

het achterland rurale geitenhoedsters en pastorale

weduwen. Zij kunnen deze spookstad niet

 

opbouwen niet het leven in mij noch mijn zonen

blazen. Zo laat ik het karkas open en bloot

dat de wind er vrij spel heeft en toeristen

zich aan diashows van lichtflitsen uit het verleden

 

vergapen met hun vette zetels gespreid over mijn

graven. De vrolijke Bosniër is een trucker

uit België met heimwee naar het Titoïsme

de melancholicus liep ooit achter Vincents

 

kleindochter aan en ik vraag me voortdurend

af of ik nog voor jou besta of je me vergeten

bent ook nu de rook uit doodgewone schoorstenen

walmt en niet uit mediagenieke openluchtcrematoria.

 

 

Uitbraak ondanks innig

 

En dan heb je eindelijk een uitweg uit

dit lichaam gevonden ontsnapt en nachtelijk

weggeglipt uit die omhelzing de borst

van de enclave van zwarte melk voorzien

 

door smurfsoldaten door bossen opgeslokt

en het inkt van het late uur het enige te

vrezen bomen buigen welwillend hier

vallen geen granaten alleen getijden en blad

 

de regen spoelt geen bloed weg de rivier

vervoert alleen water er is een later

een toekomst waar jij ook nu in je

deplorabele staat aan denken mag. Maar de

 

stad trekt en zuigt als een moeder

aan haar ontrouwe minnaarszoon ook

al kijkt ze je onbewogen aan met holle

gaten. Als het water begint te branden

 

moet je weg. Ze heeft je genoeg gevoed

met schuld en boete en het gif uit tepels

als granaatappels. Ook al zijn bomen stug en nachten

krijtwit. Kun je weduwen en wezen horen praten.

 

 

Dinsdag 30 augustus

Vandaag naar Bratunac gegaan, waar het enige verschil is dat de warenhuizen er groter zijn (maar niet meer assortiment hebben), de café’s talrijker (en luidruchtiger) en er meer kiosken zijn. Maar geen enkele boekhandel te bekennen, wat die boeren de hele dag doen is koffie met rakija drinken, roddelen, hout hakken en TV kijken, voilà de bosnische ziel, of in Bratunac zal die wel servisch heten. Ik had gehoopt hier iets van een wandelkaart te kunnen scoren, maar ik had natuurlijk moeten weten dat niemand hier voor zijn lol in de bergen gaat wandelen tenzij er weer een etnische zuivering plaatsvindt.

De taxichauffeur herkende me nog van vorig jaar. Ik weet niet hoe het kan, maar mijn kennis van de taal holt achteruit naarmate ik hier langer ben en steeds onbegrijpelijker idioom moet aanhoren. Het kostte me de grootste moeite om een gesprek met hem te onderhouden. Of ik heb gewoon een slechte dag. De warmte helpt ook niet echt.

Bij Mile op het terras sprak een man me aan, die me uitnodigde om ergens anders nog iets te drinken. Ik zou inmiddels moeten weten dat dit de meest doorzichtige versiertruc aller tijden is, maar het was mijn laatste avond hier en ik had onderhand wel eens zin in een verzetje in plaats van eenzaam op mijn hotelkamer wijn te slobberen. Hij nam me mee naar een hardrockcafé dat ik nog niet kende, maar het was een slechte keuze, het was rokerig, rumoerig en de muziek stond zo hard dat ik nu ook akoestisch geen kaas meer van die onbegrijpelijke taal kon maken. Nadat ik een tijdje had zitten knikken en lachen en mijn keel met wijn gesmeerd vluchtte ik halsoverkop het café uit. Ik kwam echter niet ver, een auto haalde me in en reed stapvoets naast me. Het was een jongeman, die ik ook in het café had gezien (ik ben toch veel te oud voor hem, dacht ik) en ik stapte in.

“Begrijp je een beetje Servisch?” vroeg hij. Jezus, was het er weer zo een. Het spijt me zeer, maar het ijekavisch (wat in Kroatië en Bosnië wordt gebezigd) aanduiden als Servisch (wat de ekavische variant is) is taalkundig gewoon onjuist. Gelukkig beschikte ik niet over de taaltrapezemiddelen om hem dit eens haarfijn uit te leggen.

Nadat de jongeman oneindig rondjes om het pension had gedraaid, zodat ik hem toch wel enigszins begon te knijpen, hield hij stil en perste zijn kleverige lippen op de mijne. Hij nam geen genoegen met mijn dichtgeritste vriendschapszoen en wrong zijn tong tussen mijn tanden, die ik eigenlijk had moeten afbijten. Met zulke kerels ken ik inmiddels geen genade meer. Waarom menen ze constant op vrouwen als op trofeeën te moeten jagen? Ik was blij toen ik eindelijk in mijn eentje op mijn kamer wijn kon slobberen.

 

 

 

 

Hotel Fontana van kolonel en generaal

 

Dit is de omgekeerde wereld naar lichaam

en geweten binnenstebuiten er zijn altijd

waarheden aan beide zijden van de oorlogsmedaille.

Het gedrocht leeft in een kunstmatige baarmoeder

 

de schoot van een wanstaltige natie gesticht

met het bloed van anderen altijd zijn het de

anderen die iets teweeg hebben gebracht die

een loop richten het slachtoffer steeds binnen

 

schootsafstand dan wordt de loop gewoon

als een uilenkop gedraaid en is het eigen

vege lijf doelwit. Uit naam van goden worden

zo enclaves gesticht kruisvaarten ondernomen 

 

het kloppende hart monddood gemaakt want

de geest is zwak en alle goede wil gebroken.

De kolonel en generaal piesen om het verst

daarna is het proosten met het bloed uit fonteinen.

 

Ook hier is men vogelvrij vluchteling is hij die

bij vertrek de deur openlaat en zich zonder

huid of stadsmuur weet. Ik ben hier slechts te leen.

Ik krijg het bloed niet meer van mijn handen.

 

 

Woensdag 31 augustus

Ik heb vandaag alleen afscheid kunnen nemen van Mile, die me vaderlijk bezorgd vroeg of gisteravond alles wel goed was gegaan. Kennelijk had hij het niet zo vertrouwd en ik haastte me om hem gerust te stellen.

Kemo was van het terras verdwenen toen ik terugkwam van het boodschappen doen en Munevera was niet thuis, zodat ik een afscheidsbriefje in mijn beste Bosnokroatisch in haar brievenbus schoof.

De aardige jonge ober bracht me naar de bushalte, zodat ik de gelegenheid had om wat met hem te kletsen en meer over hem aan de weet te komen. Hij woonde in Potocari, werkte sinds vier maanden in het pension, waar hij zeven dagen per week aan het oberen was en ging nooit met vakantie. “You’re a fine waiter,” zei ik hem, maar ik ried hem bij het uitstappen aan toch vooral eens op vakantie naar de kroatische kust te gaan.

De taxichauffeur in Sarajevo was deze keer een iets vriendelijker exemplaar, hoewel hij evengoed het dubbele voor de rit rekende. “Alle Serviërs zijn fascisten,” riep hij zigzaggend door het verkeer. “Nou ja, sommigen zijn misschien alleen maar een beetje fascistisch,” nam hij gas terug op mijn tegenwerpingen. “Bosniërs zijn goed, Bosnjakken zijn goed, Kroaten zijn goed, Roma zijn goed, joden zijn goed, maar Serviërs zijn slecht.”

Ik gebaarde naar het Franz Ferdinandmuseum waar we in vliegende vaart langsscheurden. “Zie je wel!” riep hij triomfantelijk. “Gavrilo Princip was een servische terrorist. Niets dan ellende hebben we altijd met die Serviërs gehad. Gelukkig hebben we hier niet veel last van ze.”

Zonder verdere kleerscheuren bereikte ik het hostel en nadat ik had ingecheckt en mijn spullen de trap op naar de stapelbedkamer gesleept liep ik een stuk lichter de heuvel af naar de Bascarsija om iets te eten. De eigenaresse van het visrestaurant “Sestre” kende me nog; ze had nu een studente in dienst die vloeiend Engels sprak. Eindelijk iemand bij wie ik mijn frustraties over de taal kon luchten. “Wacht maar tot je eens in het zuiden komt,” glimlachte ze. “Dan versta je helemaal niks meer.”

Nog een borrel op een terras, weer tegen de heuvel opklauteren en naar bed.

 

Donderdag 1 september

Ik ontwaakte met servische propaganda, mijn transistor annex wekker stond kennelijk op een “foute” zender afgesteld. De taxichauffeur mocht dan gisteravond menen dat de servische invloed hier miniem is, maar de Servische Republiek strekt zich wel tot Oost Sarajevo uit.

Ik was de enige in het hostel, samen met een ook weer uitstekend Engels sprekende jongeman, die me gisteravond min of meer had “opgevangen”. Nu trof ik hem in boxershort en T-shirt in de woonruimte aan. Ik dacht dat het een Amerikaan was vanwege zijn accent, maar hij bleek Turks te zijn. Of hij ook op doorreis was? “Hell no, I sort of live here for a while. I help Harris out, I’m his housekeeper, administrator, receptionist and God knows what else.”

Ik liep weer de stad in voor een broodje en een krant, die vol stond met het nakende referendum over de Onafhankelijkheidsdag van de Servische Republiek, dat Dodik zonder toestemming van meneer Dayton heeft uitgeroepen. Verder wist de krant te melden dat hij een kleinzoon heeft gekregen. Bah, het hele doen en laten van de politici wordt breeduit in die kranten uitgemeten en al hun quotes geciteerd, hoe onzinnig ook. Alsof iedere tweet van Wilders in de krant wordt afgedrukt.

Ik klom met moeite weer tegen de heuvel op, want de warmte begon me parten te spelen en de vermoeidheid speelde op, dankzij het virus dat jojo speelt met mijn lichamelijke gesteldheid. Drijfnat kwam ik bij het hostel aan en ik moest met dit kloffie nog de hele dag, nacht en de volgende dag doen.

Harris’ zus bracht me naar het station. Ik vroeg haar naar het referendum, of dat wel mocht van meneer Dayton. “Hell, no!” riep ze verontwaardigd uit.

“Waarom doen ze het dan?”

“They just do.”

Dat lijkt hier wel voor alles de verklaring te zijn: they just do, en er wordt hen geen strobreed in de weg gelegd door de kikkers die niet merken dat het water warmer wordt tot het te laat is.

Bij het station sprong ik uit de auto om van mijn laatste geld peuken te kopen en gaf de rest, samen met de kamerhuur, aan Harris’ zus, die terstond verbleekte. “Maar dat is veel te veel...”

“Hou het maar,” zei ik. “Ik doe er toch niks meer mee.” Ik was in een vrijgevige stemming, aangezien de kamer maar 10 euro had gekost en ik voor mijn penthouse in Srebrenica voor bijna een week ook maar een prikje had hoeven betalen.

Toen was het inchecken en de bus vinden, die ieder jaar groter en luxer en minder wendbaar op de bosnische landweggetjes lijkt te worden. Ik had twee stoelen voor mezelf en goede zin. De man achter mij nodigde me gelijk bij de eerste stop al uit om met hem te gaan roken en vertrouwde me vervolgens in goed Nederlands toe dat Kroatië van plan is om samen met de EU de Servische Republiek aan te vallen in geval van afscheiding. Zo ver is het nog niet. Vooralsnog sukkelden we gemoedelijk over de landweggetjes verder tot de kroatische snelweg van vriendschap en broederschap zich voor ons ontrolde.

 

 

Land van de kaart

 

Het konvooi trekt uit het land door die

open deur ingetrapt en gehavend in hengsels

de splinters staan als grafstenen in het

landschap het is één groot kerkhof

 

van alle laarzen die zijn getreden en toch

ademt het lichaam en is de ziel onthecht

maar ongehecht enkel pleisters op het verleden

het heden is tomeloos in die wrakken

 

aan de kant van sluipwegen je krijgt

het leven niet uit de mens het hart niet

uit de man het land niet van de kaart

of uit het bestaan grenzen zijn alleen

 

administratief voor het gerief van gespleten

hoofden maar de rivier verandert zijn loop niet

en gebroken harten groeien vanzelf naar elkaar.

Altijd denk ik dat ik je weer zie jij bent voor mij

 

het land die hand die onder mijn huid kruipt

in deze enclave ben ik van jou daar woon ik

in jouw lichaam en als ik ga neem ik je op

mijn rug zo ver als mijn verzen je kunnen dragen.

 

 

Vrijdag 2 september

Zo tegen middernacht, als we door de kroatische laagvlakte suizen, krijg ik altijd een inzinking. We zijn dan al best lang onderweg en nog niet eens bij Zagreb waarna we ettelijke sloveense en oostenrijkse bergen over moeten en het vanaf München evengoed nog een hele dag rijden is. Dat is ook het moment waarop mijn medepassagiers me op de zenuwen beginnen te werken. De jongeman aan de overkant van het gangpad, die de hele reis als een standbeeld uit het raam zat te staren, geen woord zei en het enige aan hem wat bewoog was zijn hoofd dat nu en dan op zijn borst knikte. De vrouw voor me met het jengelende kind, die me vroeg of ze de stoel naar achteren mocht klappen, zodat hij kon slapen. “Ik moet ook kunnen slapen,” zei ik botweg en stelde vervolgens iets vriendelijker voor dat ze hem maar aan het gangpad moest zetten (ik zat bij het raam), maar dat wilde ze niet – áls ze me überhaupt al begreep, want ze sprak geen Engels, Duits of Nederlands. Wat deed zo’n vrouw eigenlijk met een klein kind op een bus naar Nederland? De man achter mij die de hele tijd zijn knieën in mijn rug porde en last but not least de oudere man naast hem aan de overkant van het gangpad, die een onvervalste bosnische redenaar bleek te zijn. Dat is een soort apart: ze kunnen namelijk urenlange monologen afsteken, meestal over politiek. Het zijn veelal mannen, want in Bosnië is politiek én voetbal voornamelijk een mannenzaak, zoals het dat bij ons in de jaren vijftig was. Na de laatste stop in Slovenië (we hadden net een uur lang voor de grens stilgestaan) begon hij een urenlange monoloog tegen de man achter mij, wat mij belette om in te dutten, hoewel ik er niets van verstond. Eén keer dreigde de monotone stem van de man in de mist van de slaap te verstommen, maar toen maakte de bus een onverhoedse beweging waarop ik hem haarscherp “To su bajke” (Dat zijn sprookjes) hoorde zeggen en meteen weer klaarwakker was. Niet veel later werden we aangehouden door zwaailichten en mannen met fluorescerende hesjes langs de kant van de weg en toen viel hij eindelijk stil. Gerettet durch die Polizei. Ik keek op mijn telefoon, het was half zes. Evengoed duurde het weer een eeuwigheid voordat de politie ervan overtuigd was dat er geen illegalen in de bagagenetten verstopt zaten of aan de uitlaat hingen. Toen we eindelijk verderreden, begon het al te gloren en bij München was het inmiddels volop licht. Ik bracht de ochtend door met het lezen van de Süddeutsche, koffie halen bij benzinepomps en het ontcijferen van een boek met volksverhalen uit Srebrenica en Bratunac. Voorbij Frankfurt, toen we na een stop de bus weer inklommen, zei de redenaar iets tegen mij. Hij bleek zowaar Nederlands te spreken! Waarom ook niet, in een bus die waarschijnlijk vol zat met Bosniërs die naar het gastland terugkeerden. Hij vroeg wat ik aan het lezen was en ik gaf hem het boek waarop hij me “overhoorde” of ik de verhalen wel begrepen had. Ik zei eerlijk dat ik er niet veel van snapte waarop hij zijn leesbril opzette en de tekst uitvoerig bestudeerde. “Hm, het is ook niet eenvoudig,” mompelde hij. “Er staan typische moslimzegswijzen in, die moeilijk te vertalen zijn.”

Daarop ontrolde zich een heel gesprek over taal, over de verschillen tussen Bosnokroatisch en Nederlands, zodat ik begon te denken dat de redenaar in feite leraar was, maar Fikret bleek een kunstschilder en woonde in Deventer. “Ik ben 23 jaar geleden met het Rode Kruis naar Nederland gekomen,” vertelde hij. “We konden naar Zwitserland, Denemarken of Nederland, maar ik vond alles best. Sindsdien ben ik maar een keer of zeven terug in Bosnië geweest. Ik wilde mijn draai in Deventer proberen te vinden. Bovendien kom ik uit Odzak, wat een moslimkroatische enclave binnen de Servische Republiek is en ik word altijd claustrofobisch als ik daar ben. Het is een dode enclave en ’s nachts blaffen de honden. Ik heb altijd voornamelijk geprobeerd mijn plek in Nederland te vinden. Veel immigranten willen én hier én daar zijn en dat is dodelijk vermoeiend. Eigenlijk zijn ze nergens. Ik heb respect voor veel Bosniërs, die in Nederland hun leven weer hebben opgebouwd, maar ik heb enkel heimwee naar een land dat niet meer bestaat.”

Ook hij sprak vol nostalgie over de joegoslavische tijd. “Toen had ik een reispas voor het oosten én het westen. Toen waren we vrij.”

We spraken urenlang over taal, geschiedenis en de toestand in Bosnië en de wereld en zo vloog de tijd om en werden de laatste loodjes toch een stukje lichter. Onmerkbaar kwam de grens dichterbij en toen we Enschede binnenreden, begon het heel zachtjes te regenen.

 

 

Thuiskomst in basalt

 

En nu ben je thuisgekomen het lichaam

ontwend als een slobberjas die je bent

ontgroeid de tas met dromen vergeten

onder de bijrijdersstoel. Het is een eeuwig

 

aankomen in het nieuwe land heet dat nu

officiëel immigrant je hebt het huis

ontmanteld het eeuwenoude gezicht weggegooid

hier zijn steden tochtig en verwaaien gerafelde

 

levens in de wind. Het kind in jou leert

opnieuw lopen wadend door hoog water

en praten tegen lege luchten. De blije Bosniër

speelt in een kluchtige pantomime en verbergt

 

de enclave als een bochel op zijn rug onder

dikhuidige duffels. Rondjes draaien in

de ziel over opgedoekte grond maakt

claustrofobisch. Na een tijdje vergeelt het

 

land wordt het een tanige geliefde. Ze kent

hem niet meer terug terwijl hij haar altijd

is blijven achterna lopen. Ongewild heeft hij

de basalten kleur van de Noordzee aangenomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reacties

OVER WEGEN DOOR VERHALEN PANORAMA BALKAN 2015

 

Ik zoek een wijkplaats om de storm te mijden.

Daar: ’t is een wonder dat ik hem kon vinden.

Zo krijg ik alles wat ik vraag behalve

mijn hart, mijn lucht van toen, voorbije tijden.

 

Umberto Saba (1883-1957)

 

 

Zondag 9 augustus

De reis begint met een lunch ter gelegenheid van de 80-ste verjaardag van mijn pa in restaurant Kwiziene in de Wouwse Plantage bij Roosendaal, waar hij en stief een vakantiechalet hebben. Met mijn reisgenoot en zus een tekst uit eigen keuken voorgedragen over de vakanties van onze jeugd aan de Italiaanse Rivièra tussen Genua en Ventimiglia. Er werd hartelijk gelachen, maar de klapper van de dag waren natuurlijk de grappige filmpjes van stief.

Het is al half 7 ’s avonds als alle rituelen zijn afgewerkt en we door naar Duitsland kunnen. Aardig tipsy glijd ik op de bijrijdersstoel en vlak voor het donker bereiken we de camping in Erftstadt nabij Brühl en Bonn.

 

Dagen van wespen en vergane glorie

 

We komen aangewaaid voor vader

op deze wespenrijke dag in augustus.

Zomers duren eeuwig, maar vader

houdt zijn stok bij de hand. Het land

 

gonst van herinnering, we zijn geen

Festenfamilie, dus klinkt er een

schaterlach bij iedere anekdote.

Dik beweegt de camera, bezeten om

 

iedere ongerijmdheid vast te leggen.

Een dag niet gefilmd is een dag

niet geleefd, net als moeder toen

ze er niet was om mijn ongeluk

 

vorm te geven, klaagt Damien, maar

hij vergeeft haar alles naar eer en

geweten. Ik onderhoud mij met Trudy

over zelfmoordzangeressen en stiekem

 

zijn we jaloers op roem. Het is ons te doen

om de falsetten. Iedereen komt tegenwoordig

op TV, zegt vader, zelfs Sonja Barend. Onbedoeld

leeft hij geruisloos in een ander jaargetijde.

 

 

Maandag 10 augustus

Picknicken langs de snelweg tussen de gutsende buien door en koffie bij de Burger King. Als ik van de WC terugkom, staat niet alleen de hele parkeerplaats blank, maar zijn de plassen ook nog eens enkeldiep. Dan maar barrevoets een sprint naar de auto getrokken. Bij Koblenz alweer stralende zonneschijn. De volgende standplaats is in Schömberg bij Pforzheim, want morgen een Slam in Mühlacker, dat evengoed nog een aardig eindje hier vandaan is. Maar het is hier mooi, bosrijk en de campingbaas spreekt met de mij vertrouwde badische tongval.

 

Achtbaan naar de regenboog

 

Op de snelwegen van het teutoonse

achterland kom ik je sluipenderwijs

tegen. Het gemis giert om de schenen

ik vier het met een picknick in de gouden regen,

 

voordat de zomerhitte begon. Er moeten

kilometers worden gemaakt om te reiken

om te bereiken, de snelheid opgevoerd om

overal te zijn waar jij ook bent

 

maar soms wil ik het erbij laten

en is het genoeg dat de lucht

beweegt, vrachtwagens die de leegte

ondertitelen, de Méditerranée een cappuccino

 

bij de Burger King ver. Tom stottert ervan

mijn reisgenoot trekt een plan zonder

voorgekauwde uitvalswegen. Je mag

weer borden lezen. De parkeerplaats

 

verandert in een binnenzee, onze koetsen

hulpeloos aan de overkant. De zondvloed

is een feit. We stichten een gemeenschap

onder het afdak, noemen het voorzienigheid.

 

 

Dinsdag 11 augustus

Slam in Mühlacker in het noordelijke Zwarte Woud in de voor de duur van de zomer aangelegde tuinen aan de voet van de burchtruïne. “Dit is een rondreizend circus,” vertelt de man bij de ingang. “Ieder jaar is er een tuinfestival in een andere stad in Baden-Württemberg.”

Het is indrukwekkend, maar bloedheet en door de overwegend jonge aanplant weinig schaduw, wat de biblischer Skulpturweg dan wel weer biedt. Het vertelt het bijbelverhaal van de vlucht uit Egypte onder leiding van Mozes. Ja, het is een bijbelvaste omgeving.

Vervolgens naar de Aktionswiese voor de OpenAirSlam. Er is veel bekijks, hoewel er vorige week volgens de moderator ondanks het slechte weer maar liefst 400 aanwezigen waren. Deze Slam vindt van mei t/m augustus maar liefst iedere week plaats. “Je bent toch wel beschikbaar op 25 augustus en 1 september?” vraagt de organisatie bezorgd. “Want dan hebben we onze halve en hele finale.”

Ik verzwijg dat ik dan nog in Bosnië zal zijn; gelukkig word ik “slechts” vierde, zodat ik niet naar de hele, noch naar de halve finale hoef. Na afloop eten we Flammenkuchen op een schaduwrijk terras.

 

 

Woensdag 12 augustus

Niet verder gekomen dan Hall bij Innsbruck door files bij Ulm en voor de Fernpass, waar meerdere auto’s in elkaar opgekruld langs de kant van de weg lagen. Een kettingbotsing bij dit stralende weer? De buitenthermometer gaf in de Allgau 36 graden aan. Voor vannacht zijn er vallende sterren voorspeld.

 

Vallende sterren smeken om melancholie

 

Ik bezoek plekken die melancholiek stemmen

waaiend met de Tiroler valwinden

mee. De zon die op bergwanden te

pletter slaat, gehavende auto’s in de

 

berm, het tergende stilstaan voor een

verre pas en spijt dat je te veel hebt

gezegd als je beseft dat waarheid en liefde

elkaar niet verdragen. Een automobiliste

 

breit de tikkende tijd weg, maar ik heb

geen geduld met pech en panne noch jouw

wollige klaagzangen. Ik herinner me

alleen onze dunne huid nog.

 

Aan het einde van de dag laaf ik mij

in Stromboli aan de Inn om met anderen

zwijgend rookgordijnen op te trekken. Vannacht

zullen sterren op knoestige hoofden vallen.

 

 

Donderdag 13 augustus

Na een dollemansrit door de Dolomieten in Ankaran onder Trieste, net over de sloweense grens, neergestreken. Mijn literaire gids vertelt mij over Trieste: “Hier herinner je je meer dan elders vergane tijden, verkeken kansen, verloren vrienden met de zoete triestheid die onamopoëtisch is voor deze plaats.” Kijk, daar kom ik voor, dit is pure poëzie.

 

 

Vrijdag 14 augustus

In de voetsporen van de triëstijnse dichter Umberto Saba (1883-1956). Boemelen door de wijken waar hij opgroeide en woonde, de boekhandel die hij dreef en waar hij zijn gedichten over winkelmeisjes schreef, de café’s die hij bezocht. Na afloop het glas geheven in Café Walter tegenover “zijn” boekhandel. Hij stierf in een psychiatrische kliniek in Gorizia, maar het zal in het Italië van toen evenwel niet makkelijk zijn geweest om homoseksueel te zijn. Ik ben nu al verliefd op zijn melancholieke verzen, maar hoewel ik aardig Italiaans kan lezen, durf ik zijn Verzamelde Werken niet aan, het enige wat hier te krijgen is.

Trieste is in de gids natuurlijk idyllischer dan in werkelijkheid, maar ik had een suffe provincieplaats in een vergeten uithoek van het land verwacht en dat is beslist niet het geval. Er zijn kronkelige, duistere steegjes (hoewel Mussolini de joodse wijk met de grond gelijk heeft gemaakt), alsook avenuen, pleinen en door jachtig verkeer verstopte alleen.

Gelukkig was Saba’s wereldje destijds nog klein en beperkte zich tot het havengebied en de centro storico, met daarboven uitrijzend de Burcht en het Monument voor Gevallenen. Meer zit er bij deze hitte niet in.

 

La vita è bella

 

Dit is kamp Adria voor badgasten

hier kan men de zorgenkindjes

uitlaten en juwelijkse sleurkluchten

luchten door passerende, kokerslanke

 

madonna’s legaal visueel uit te kleden. Iedere

vrouw heeft een zuidelijke-obercomplex

iedere man wil in abrikozige borst- en

bilpartijen. Hier op dit scharnierpunt

 

snakt men naar een goede afloop.

Dag na dag wordt hoop geput

uit meeslepend leven. Katers voelen

als zonnebrand, je legt nieuwe huid

 

aan en weet iedere keer een beetje

beter hoe eendimensionaal te beminnen.

Je gaat op de foto met een dichter

maar alleen als hij dood en onder de zoden.

 

 

 

Zaterdag 15 augustus

Naar Piran op de uiterste westpunt aan de sloweense kust. In Slowenië gelukkig geen hinder van Maria Hemelvaart, geen processies of hermetisch gesloten winkelcentra.

Het is een schilderachtig en rustiek plaatsje met een beklimbare klokkentoren en een vuurtoren. De straten zijn vernoemd naar beroemde Italianen en de vrijheid, eenheid en broederschap uit de joegoslavische tijd. Het gebied is nogal eens van eigenaar verwisseld: Venetië, Napoleon, Habsburg, Italië, Joegoslavië, Slowenië.

Af en toe klinkt er gerommel in de verte, maar het onweer durft niet te naderen. De gewenste afkoeling trouwens ook niet. Dan maar het terras op voor een Campari Soda.

 

Kaap van goede piraten en partizanen

 

Hier is de zee ovaal en blaast

het zorgeloze zout van mijn piratenhuid.

Ze zegt nooit iets terug en geeft

alleen geruis als de kerkklokken luiden

 

voor een begrafenis. De straten zijn

geplaveid met partizanen en scrabreuze

Italianen. Een rondje om de Kaap

en je bent weer thuis. Je bent vergeten

 

dat je ooit achter het Ijzeren Gordijn

huisde in geruisloos duistere kadasters.

Een weidse blik moet je leren

net als iedere vakantie op een ander

 

eiland. Ik stel mij voor hoe je hier

nooit eerder bent geweest, drink

Campari Soda en zie hoe jouw zon

bodemloos in mijn glas verdrinkt.

 

 

Zondag 16 augustus

Toen ik gisteravond op de Kaap in Piran een tekening zat te maken, werd ik aangesproken door een jonge vrouw, die me in het Engels vroeg of ze me een paar vragen mocht stellen. Ze intervieuwde mensen in opdracht van de plaatselijke VVV ter verbetering van het toerisme. Praten en tekenen gaan wel samen, dacht ik, tot ze me vroeg wat me het meeste aan Piran beviel. “Walking through the narrow gasses,” antwoordde ik gedachtenloos. Tja, als je nog steeds met dat Duits in je kop zit (Gässle), kan het gebeuren dat je even niet meer op “alleys” kunt komen. Nu is dat onze running gag geworden: What were you doing during the war? I was walking through the narrow gasses.

Niet veel later stak er een stevige wind op, die evenwel pas laat op de avond in onweer met de daarbij behorende wolkbreuk culmineerde. Vanochtend kon ik niet zwemmen omdat gele tongen voortdurend op het water afketsten. De receptioniste van de camping jammerde dat de zomer beslist voorbij was. Halverwege de middag gleed ik eindelijk door een spiegelgladde zee. Vervolgens naar Koper gereden, de havenstad verderop, met weer een campanile te beklimmen. En een heleboel “narrow gasses” te doorkruisen.

 

Vrijhaven voor eeuwig optimisten

 

En als de slagregens komen is de zomer

voorbij en de goede zin in het water.

De boot vaart weer, maar de ballingen

staan aan de kant onder een treurende

 

hemel. Het vertier verdient een

zeemansgraf, je kunt weer eenzaam

zwemmen. Er zijn havens die

ingescheept moeten worden, torens

 

dienen beklommen en kerkuilen willen

gestreeld. Er is gelegenheid voor ingekeerd

binnenleven, het chagrijn de vrije teugel

al zijn er altijd optimisten met een

 

camera op een stokje om je mondhoeken

op te tillen. Je wenst ze een verpletterend

onthaal op de keien en begint luidkeels

te zingen om betere tijden en alles pracht.

 

 

Maandag 17 augustus

Zwemmen in de regen. In Muggia net over de grens in Italië rondgelopen, weer zo’n rustiek stadje. Een mooie tocht door de bergen naar Rijeka in Kroatië; van daar alleen maar oersaaie snelweg naar Osijek. Ik maakte maar van de gelegenheid gebruik om de zondageditie van de Vecernji List te spellen, een soort weekendbijlage van het NRC met beschouwende, moeilijke artikelen. Ik kreeg het voor elkaar om een paginagroot artikel over Karl May te ontleden en een intervieuw met een katholiekbosnische schrijver/filmmaker. Ik begreep eruit dat katholieke Bosniërs een bosnisch én een kroatisch paspoort hebben. Merkwaardig, dat werkt toch nationalisme in de hand.

 

Woensdag 19 augustus

Gisteren een rustdag ingelast. Boodschappen gedaan en ons onderhouden met Gordana over haar Bobby, de Spaniel die ze vorig jaar uit het asiel heeft gehaald. Gewerkt aan een erotisch verhaal, dat ik voor het einde van de maand voor een wedstrijd wil insturen.

Vandaag naar Ilok in het oostelijkste puntje van Kroatië, maar op een verlaten burchtruïne na was er niets te beleven. Uitzicht over de Donau en Servië aan de overkant. We zonken maar op een terras voor een perenbrandewijn neer. Het weer is nog steeds onbestendig en we sprintten tussen de eerste regendruppels door terug naar de auto. We wilden onderweg in Vukovar iets eten, maar het was dermate noodweer dat we de auto niet uit konden en zijn toen maar rechtstreeks naar Osijek teruggereden.

 

Moeras naar nergensland

 

Naar dit zompige uiteinde van het land

tot de rivier de doorgang verbiedt.

De vijand is weer onbereikbaar

de wegen met greppels omzoomd

 

om dronken koppen te breken, wijnschuren

wankelen op palen. De buurtschappen

liggen voor het oprapen, maar vandaag

vormt onweer de grootste dreiging.

 

Het hart is een spookstad, Carol

zingt dat er voor alles een te laat

en geen terugblik is. Van spijt gaat

de motor niet draaien en in de

 

achteruitkijkspiegel snelt de verwoesting

naderbij. Je mist de afslag naar

beter tijden en zit hier voorgoed

vast, snakkend naar diesel en kilometertellers.

 

 

Donderdag 20 augustus

Vandaag is het gelukkig vooralsnog droog, maar wel iets frisser. Een bezoekje aan de kapper is altijd weer een taalkundig avontuur. Gelukkig was er een juffrouw, die het in het Engels voor mij vertaalde toen mij in het Kroatisch werd gevraagd of ik een wasbeurt wilde. Er waren drie kapsters in de zaak: de ene knipte mij, de andere vertaalde en de derde beoordeelde het werk van de eerste. Het volgende avontuur was naar de opticien om de poot van mijn bril te laten vastzetten, gelukkig had die aan een half woord en gebaren naar de brillenpoot genoeg. Tja, wat de taal betreft heb ik altijd een week nodig om erin te komen. Veel TV kijken dan maar, maar het is bijna allemaal Engels/Amerikaans wat de klok slaat en op de radio heerst een soort 538-terreur. In het antiquariaat kocht ik een bundel van Vesna Parun, de Grande Dame van de kroatische poëzie, van wie ik inmiddels fan ben.

 

 

Zaterdag 22 augustus

Nog steeds miezert het af en toe, maar vanmiddag was het droog genoeg voor een fietstochtje. Mijn reisgenoot had op Google Maps een route over de dijk uitgestippeld, die ons naar Darda zou moeten voeren, waar een slot staat, dat in 1849 door een commandant uit Bratislawa, Kazimir Eszterházy, werd gebouwd. Maar we hobbelden verder en verder over een grindpad, dat zich door een niemandsland slingerde, met nergens een afslag. Eindelijk een bouwplaats met een levende ziel in een wachtershuisje. De man tekende heel behulpzaam uit hoe we naar Darda moesten, maar het was nog zeker 10 kilometer en het begon al te schemeren. Dan maar tanden- en wielenknarsend terug en in de Tvrda (oude binnenstad) voor een slivo neergestreken. Eten tussen de slavoonse couleur locale, omringd door violen en trekharmonica’s.

 

 Slavoonse bruiloft

 

Dit land is met de grond gelijk

gemaakt en de pleegzusters zagen

dat het goed was. Soms is er vraag

naar hogerhand en soms scheren bliksemende

 

tongen over het tafelblad. Ook zonder

aardwallen vreest men de stallen

niet, want een Lippizaner gooit

fier het hoofd in de wind. Het hengstenbal

 

is van start met veel vlagvertoon.

Je trouwt toch altijd met de verkeerde

dus kun je er maar beter het beste

van maken. Sommigen komen na jaren

 

nog eens ter zake anderen blijven bij

het wijwater, zout in wonden, zand

in de ogen. Soms wens je je een berg

om je aan het zicht te kunnen onttrekken.

 

 

Zondag 23 augustus

Dan maar met de auto naar dat vermaledijde slot. Of nou ja, slot, het was een rechtgeaarde bouwval zonder ramen en de frames hingen losjes in de sponningen. Je kon eindeloos dwalen door zalen waarvan alleen de muren nog overeind stonden, hier en daar was het behang er nog niet geheel afgerukt. Tijdens de oorlog was het een UNPROFOR-basis en vervolgens leeggeroofd. Als God geldschieters stuurt, zou uit de ruïne een luxe-hotel moeten verrijzen. Dan gelijk ook maar door naar het kasteeltje in Bilje, dat er toch iets minder vervallen uitzag en waar je helaas niet in kon. Door Tsaar Leopold in de 18e eeuw aan de oostenrijkse veldheer Eugen von Savoy geschonken omdat hij de weg van Osijek tot Doboj in Bosnië Turkenvrij had gemaakt.

 

 

Maandag 24 augustus

Vandaag gaat de reis weer verder, maar dan zonder reisgenoot. Die zette me in Slavonski Brod op de bus naar Tuzla in Bosnië. Ik perste me tussen een jongeman, die een beetje Engels sprak, en zijn tassen in. Aan de grens werden we allemaal de bus uitgejaagd om onze paspoorten aan de man in het wachtershuisje te tonen. De bewuste jongeman met de tassen wond zich er zichtbaar over op. “This is ridiculous. This isEuropeand I’m a Europeman.” Admir kwam uit Brcko en was in Zagreb bij zijn vriendin geweest, met wie hij volgend jaar gaat trouwen. Hij liet me zijn paspoort zien, dat vol met stempels stond. Ik noemde de status aparte van Brcko, dat weer een apart district binnen de Moslimkroatische Federatie vormt. “BrckoDC,” zei hij spottend. “Ridiculous. All because ofDayton. We don’t want Dayton, this is Europe.”

Zijn favoriete steden waren Zagreb, Osijek en Sarajevo – van Tuzla was hij niet zo gecharmeerd. Daar kan ik inkomen, want het verkeerslawaai, dat de pensionkamer binnenstroomt, doet zeker niet voor Parijs onder. Na aankomst draalde ik op het plein bij een paar boekenstands. De verkoper schoof me een paar boeken over de islam toe waarop ik hem probeerde uit te leggen dat mijn Bosnisch bij lange niet niet goed genoeg is voor zo’n ingewikkeld religieus werk. Hij wenkte een hoofddoekje, die hier over het algemeen uitstekend Engels spreken. Ik zei haar dat ik op zoek was naar bosnische schrijvers, van wie boeken in de engelse vertaling waren verschenen. Daarop noemde zij Mesa Selimovic, van wie hier een eindje verderop een standbeeld staat. Volgens mij is het enige boek, dat van hem is vertaald, “De derwisj en de dood” en het schijnt tamelijk onleesbaar te zijn. Hoe veel Bosniërs hebben dat boek daadwerkelijk gelezen? Zoals ook maar een enkeling “Der Zauberberg” heeft gelezen, maar iedere Duitser weet wie Thomas Mann is.

 

Dinsdag 25 augustus

Bij het wakker worden plensregen, maar een paar uur later was er niets meer aan de hand en steeg de temperatuur zienderogen. Mijn gymoefeningen onder een luidkeels blazende airco gedaan. Vervolgens bestudeerde ik de huisregels op de deur. Explosieven en wapens niet toegestaan (dit is Bosnië), evenmin als npr-pse. Een speciaal soort bosnische hond, kennelijk. De pensionbaas gaf een staaltje van bosnische humor weg toen ik hem naar een pinautomaat vroeg. “Daar doen we hier niet aan. Je moet die ring verkopen en van de opbrengst de kamer betalen.” “Dit prul is niks waard,” zei ik hierop, “dus daar schiet je niets mee op.”

Buiten scheen een stekende zon. Ik liep puffend naar het gloednieuwe winkelcentrum om in het restaurant bovenin met de Oslobodjenje neer te strijken. De avond gedood met struinen door de stad en op terrasjes zitten. Toen ik naar het pension terug wilde en daarvoor het plein met de fontein en de boekenstands moest oversteken, kwam ik langs een terras met livemuziek. Ik bleef even staan luisteren, zag verderop een groepje jongeren elkaar aanstoten en naar me wijzen. Eén van hen maakte zich los en liep naar me toe. “Hi, would you have a drink with us and join us for a while.” Ik bedankte en zei dat ik erg moe was. Dat was niet gelogen, want na al dat gestruin door de hete stad stond ik te tollen op mijn benen, hoewel ik ook nieuwsgierig was naar wat ze van me wilden. Waarschijnlijk Engels praten en horen hoe het leven is over there in Europe.

 

Karavanen voeren kinderen en toeristen aan

 

Hier rijdt de trein alleen voor kinderen

en toeristen, zo kan er niemand voor

springen en hoeven de wissels niet

onderhouden. Ik laat mij naar

 

een staat in een staat vervoeren

het laadruim slikt mijn bezittingen

gulzig in. In de pannonische vlakte tellen

de kilometers maar grenzen zijn

 

er overal aan deze rand van Europa.

Admirs pas staat vol met de littekens

van een misplaatste verscheidenheid.

Het zijn de wachters die hem van

 

de vrouw van zijn dromen afhouden.

Zo gezegend is de man die omwille van

de liefde zijn hamer en sikkel

tegen de blauwhemden heffen kan.

 

Woensdag 26 augustus

Gezwommen in het zoutwatermeertje, dat daadwerkelijk naar zout smaakt maar ook naar chloor. Er is een recreatiestrandje met een glijbaan, ligstoelen, douches en WC’s, die echter allemaal op slot zitten. Tot zo ver de bosnische maatregelen om het waterplassen tegen te gaan en de lichamelijke hygiëne te bevorderen. Vervolgens door het Titopark (of heet dat niet zo? Er staat in ieder geval een borstbeeld van Tito) tegen de heuvel opgeklauterd, gelukkig onder een bewolkte hemel. Een tegemoetkomende vrouw strekt haar handpalm uit naar de lucht en niet om te bidden. “Kisa,” zegt ze veelbetekenend. Ik maak een gebaar terug van: het is niet te hopen. Bovenaan de heuvel maak ik een tekening van de stad, daarna is het weer terrassentijd. Er valt toch geen regen.

 

Goudzoekers in het digitale

 

En toen trof ik jou aan, jij bent hier

geweest. Dat je met dezelfde gehaaste

ogen keek, dezelfde regenboog ophoestte.

Hoe je haar roze hotpants streelde

 

groef naar schatten in het zilvermeer

en nooit gedacht dat je een ander

verzon. De droom heb je gevonden

maar de schat is nog altijd zoek.

 

Ik vernoem straten naar jou omdat

ik niet weet hoe anders de weg

te vinden. Iedereen wil mij in het

Engels aanspreken en de ConneXXion

 

rijdt ook hier. De tijden hebben een

metamorfose ondergaan. Ik hoef maar

in het digitale te graven voor een naam

om voet te zetten in jouw bestaan.

 

Donderdag 27 augustus

Vanaf mijn balkon bestudeer ik de honden van Srebrenica, altijd een boeiend fenomeen, alleen hun koppen houden ze ook ’s nachts niet. Eentje heeft de sprong de afvalcontainer in gewaagd terwijl de ander vanaf een eerbiedig afstandje toekijkt.

Grote schrik vanmorgen: ik ging pinnen om de kamer te betalen en de Bankomat gaf geen geld. Moest ik nu alsnog iets gaan verpatsen? “Do you have enough money on your account?” vroeg de baliemedewerker. Daarop trok hij iets uit de muur, wat nog het meeste op een schuifla leek, maar waarschijnlijk het innerlijk van de automaat was. Hij prutste wat aan moertjes en draadjes en schoof de la toen weer dicht. “Now you try again.” En warempel, het geld floepte uit de gleuf. Sindsdien haal ik deze anekdote altijd als voorbeeld aan om aan te tonen dat in Bosnië weliswaar alles gebrekkig functioneert maar uiteindelijk weer op zijn pootjes terechtkomt. Als er in Nederland ergens een computerdefect optreedt, ligt het hele systeem gelijk uren plat.

Nu dat was opgelost kon ik met bagage omhangen in de brandende zon naar het busstation, een wandelingetje van zo’n twee kilometer langs een stinkende verkeersader. De bussen van de ConneXXion raasden langs, onze afdankertjes zijn hier het nieuwste van het nieuwste. Bij het winkelcentrum tien minuten pauze onder een boom, waar meer mensen op elkaar gepakt stonden. Ik was dolblij toen ik eindelijk kletsnat bij de perrons op een bankje kon neerzijgen. De zigeunerkinderen doken als vliegen op de stroop op me af. Toen ik een foto van een oldtimer – die zijn hier nog gewoon in gebruik – wilde nemen, ging zo’n joch, type mister bonbon?, er heel brutaal voor staan, zodat er niets anders op zat dan een foto van hem met de oldtimer op de achtergrond te nemen. Nadien vroeg hij ook nog eens geld voor zijn modellenwerk. Een glimlach nauwelijks onderdrukkend duwde ik toen maar een mark (50 cent) in zijn groezelige knuisten. Niet veel later hield hij me een zakje chips voor en wist te vertellen dat de bus naar

Srebrenica – waarvan ik me al begon af te vragen waar die nu weer bleef – pas na drieën zou komen. Heel handig, want die luidsprekers daar zijn niet te verstaan.

Uiteindelijk vertrok de bus met een uur vertraging. Het was ook zo’n stokoud geval van oostenrijkse makelij, waarvan ik me afvroeg of hij de vier uur durende rit naar Srebrenica wel zou overleven. Binnen was het snikheet, er was één dakraampje dat openging, zodat ik maar daar vlak achter plaatsnam om zo veel mogelijk wind te vangen. De chauffeur was ongeveer zo oud als zijn vehikel. We waren de stad nog niet uit of hij sloeg af bij een pompstation om te tanken. Had hij dat niet voor de rit kunnen doen? vraagt de efficiënte Nederlander zich korzelig af, maar wat was er nou voor haast bij? Ik had zeeën van tijd om de krant te spellen, die ik in die taal in de regel niet in een vloek en een zucht uit heb. Ik las dat de bosnische toevoer van melk naar de EU was opgeschort door een veto van Kroatië, dat ontevreden was over de laksheid van de benedenburen. Tja, als die Bosniërs zo graag bij de EU willen, moeten ze wel beseffen dat de zweep erover gaat, dat ze dan aan europese standaarden en veiligheidsvoorschriften moeten voldoen. Dat de buschauffeurs dan niet meer vanwege de warmte met open deur mogen rijden, de motor niet meer mogen laten draaien als ze gaan plassen en in de zwembaden de WC-deuren van het slot moeten. Ik geloof niet dat de lokale handophouder zich dat realiseert.

 

 

Vrijdag 28 augustus

Vandaag ondanks de hitte naar de voormalige compound van Dutchbat tegenover de begraafplaats in Potocari gelopen, gewapend met een paraplu en een fles Kiseljak (de bosnische Spa). Bij de ingang, vlak achter het wachtershuisje, het beeldje van de klaagmoeders. Waar was dat museum nou, waar zo veel over te doen was? Ik zwierf maar wat rond door verlaten loodsen en bouwvallen. Toen ik de “woonkazerne” betrad, werd het interessant met allerlei pornografische wandschilderingen. Het museum, of beter Memorial room, bleek zich achter op het terrein te bevinden, eveneens in een verdiepingenhoge loods. Het meeste van wat daar werd tentoongesteld was mij wel bekend – hier en daar aangrijpende foto’s, zoals van een bungelende vrouw aan een boom nadat haar man door de Serviërs is afgevoerd. Een kleine achterruimte, waar enkele huidige bewoners van Srebrenica aan het woord komen, zoals een jongen, die zich stierlijk verveelt omdat hij maar één kroeg heeft om naartoe te gaan. Dat vind ik nou een stuk interessanter: hoe breng je het leven terug in die dodenstad?

Ik had intussen wel de hele middag rondgesjouwd en pufte in de ondergaande zon even op een bankje bij de begraafplaats uit. De terugweg kostte me aanzienlijk meer moeite, maar dit zou Bosnië niet zijn als er niet halverwege een auto stapvoets naast me kwam rijden. Ajo zette me voor het warenhuis af en ik stapte Mile’s kroeg binnen voor het avondmaal. Tussen twee happen door koeterwaals je dan maar weer zo goed en zo kwaad als het gaat. Mij werd duidelijk dat alle aanwezige mannen mijn collega Sefkija van het comité kenden – natuurlijk kent iedereen daar elkaar, maar het is een tikje bevreemdend om het zo ver van huis over een gemeenschappelijke bekende te hebben. Aleksandar nodigde me voor maandagmiddag op de koffie in het Dom Kulture uit. Mile liet me een filmpje op zijn telefoon zien van hem en zijn vrouw op zijn boot. “Waarom is hier geen zwembad?” vroeg ik. “De mussen vallen van het dak.” “We hebben een meertje, 15 kilometer verderop, ik ga daar iedere zondag varen.” “Jij moet samen met hem gaan varen,” bemoeide Aleksandar zich ermee. “We zullen zien,” grijnslachte ik, een antwoord waarmee je zo ongeveer iedere conversatie kunt afsluiten. Mile had me genoeg van zijn kwartliters bijgetapt, tijd om mijn vier muren op te zoeken.

 

Srebrenica in de polder

 

Opgroeien is niet makkelijk als je

maar één kroeg hebt om naartoe

te gaan. Je vader had als hobby

schieten en neuken, dat kon toen nog

 

gewoon in het open veld. Als je pech

had behoorde hij tot de afvalligen

en was het knallen of afgeknald worden.

Moeder onder de wapenen had vast

 

alle mannen gecastreerd en blauwhelmen

waren ook maar jongens. Oorlog

biedt al vertier genoeg en gas is

om je suf te lachen. Wat was ik dan

 

een bloemige deerne in de maagdelijke

klei. Wij hadden geen kalashnikovs

om het vege lijf. Die ene kroeg, daar

kwamen alleen de hitsig vlotgebekte wijven.

 

Zaterdag 29 augustus

Toen ik vanmiddag mijn kamer verliet, trof ik een dik insect met lange poten op de deurpost aan. Ik schrok me wild, ik heb het niet op beesten binnenhuis. Als kind had ik nachtmerries van de dikke, zwarte spinnen, die mijn kamer binnendrongen, aangezien we aan de rand van het bos woonden. Eén keer waagde ik het om mijn moeder midden in de nacht wakker te maken waarop het slimme ondier zich liet vallen om, toen alles opnieuw in diepe rust was, doodgemoedereerd weer tegen de muur op te klimmen. Ik trok mijn beddegoed mee en overnachtte op de harde plavuizen van de overloop met de deur van mijn kamer potdicht.

“Beast?” gaf Avdo, de pensionbaas, verward. “You don’t mean a big animal? Oh, you mean an insect. But you are in nature, so what do you expect? Allright, I’ll send someone upstairs. “

Met het schaamrood op de kaken liep ik achter de jonge, mooie ober aan. “You are a very brave man,” grapte ik desondanks.

“As long as it doesn’t have teeth,” grijnsde hij. Hij veegde het “beest” met één handgeweging weg. “This is nothing.” Nog een tikkeltje roder dan daarnet bedankte ik hem uitvoerig voor de moeite.

Niet veel later hoorde ik op het terras een man iets opmerken over “rattlesnakes in the mountains”. Toen hij merkte dat ik geïnteresseerd zat te luisteren, draaide hij zich naar me om en zaten we boven onze bosnische koffie druk te converseren. Rune uit Noorwegen bleek boordevol verhalen te zitten. Hij is fysiotherapeut en paardentemmer, doet iets met paarden en patiënten met PTSS. In 1992 was hij in Srebrenica gelegerd, toen UNPROFOR nog wel op de Serviërs mocht schieten. Hij was sowieso niet zo over de Serviërs te spreken en al helemaal niet over de politiek en de bureaucratie in de Servische Republiek. Hij wist van een man met hartfalen, die met spoed naar Tuzla moest worden vervoerd, maar in Zvornik net zo lang door de autoriteiten werd vastgehouden – zogenaamd voor het invullen van formulieren – tot het te laat was geweest. Volgens hem zijn vooral de Serviërs schuldig aan het dwarsbomen van het staatsrechtelijke apparaat. “I don’t get this serb regression. They act as if they own the whole ofYugoslavia.” Ook sprak hij vol verontwaardiging over een bekende servische politicus, die voor 28.000 euro naar Amerika was gevlogen terwijl de weeskinderen nauwelijks te eten hebben. Dat klinkt als in communistische dagen. Hoe wil zo’n land ooit tot de EU gaan behoren?

 

De enclave revisited

 

Hij ment paarden, want dat is goed

tegen de oorlogskater en als er een later

is wil hij mensenlevens redden.

We praten met de zwarte geur

 

van bosnische koffie in onze neusgaten.

Het is zo warm als weleer, hoewel

je toen nog op Serven mocht schieten.

De tanks rolden een half uur lang aan

 

ruim baan voor de omhooggevallen Goliaths

de generaal van het hemelse volk.

Dit hier was ooit een hulppost

gebaart Rune naar mijn schuilplaats

 

voor de nacht. Honden houden nog altijd

de wacht. Ze zijn blij met een

habbekrats en een aai. Armzalig

de mens die ze onwetend paait.

 

Zondag 30 augustus

Zo gaat dat in Bosnië: je strijkt op een terras neer of struint door de stad en kijkt wie of wat je tegenkomt. Voor een controlfreak als ik eigenlijk heel aangenaam: als je niet weet wat je kunt verwachten, ligt alles open en kan er van alles gebeuren, maar dat geeft niet, want niets ligt vast. In Nederland kan ik er niet tegen als een afspraak wordt afgezegd, of als de dingen anders lopen dan gepland, maar ja, daar staat of valt het hele maatschappelijke leven bij afspraken. Hier is dat niet nodig, want je komt elkaar toch vroeg of laat weer tegen. Je weet nooit wat de dag gaat brengen en dat is wel zo verfrissend.

Gisteravond is een oostenrijkse schoolklas in het pension neergestreken om een week lang aan een huis te bouwen. De hopman verontschuldigde zich dat hij mij vanmiddag geen lift had aangeboden, maar ik stelde hem gerust door te zeggen dat ik erop uit was getrokken voor een wandeling over de Waldweg, het bospad, dat boven langs de stad loopt. Ik ging eerst bij Fadila, Sefkija’s zus langs, maar ze was niet thuis. Ik zat gisteravond met haar op haar balkon, het ging niet zo goed met haar – hartritmestoornissen – en misschien moest ze vandaag naar het ziekenhuis in Sarajevo.

Toen ik na de wandeling op een helling nog een tekening zat te maken, kwam er een druk pratende en gesticulerende man op me af. Hij sprak een mengelmoes van Bosnisch en Duits en hoewel ik me op mijn tekening moest concenteren, kon ik aardig volgen wat hij zei. Het viel me alleszins mee dat hij mijn Duits aardig begreep. Hij stelde zich als Laki voor. “Laki?” herhaalde ik onnozel. Die naam had ik hier nog niet eerder gehoord.

“Da, Laki Luke.” “Ah Lucky Luke!” riep ik uit. “Da da, Laki.” Goed, sindsdien noem ik hem dus Laki. Hij had tijdens de oorlog in Wenen en Linz gezeten, vandaar zijn redelijke kennis van het Duits. Hij woonde vlakbij het pension en had me al vaker zien lopen, daarom sprak hij me nu aan. Hij wilde koffie met me gaan drinken, maar ik zei dat ik naar een vriendin moest. Hij toonde zich verontwaardigd dat ik in het pension verbleef, want ik ging toch niet betalen voor mijn verblijf terwijl ik gratis bij hem kon verblijven? Jaja, dat heb ik vaker gehoord. “Ich brauche keine Frau, ich brauche Gesellschaft,” gaf hij een tikje beledigd. Hij stelde voor om samen naar het pension te lopen; opnieuw zei ik dat ik naar mijn vriendin moest, maar dat we later op het terras van het pension wel iets konden drinken. Toen moest hij ineens de andere kant op. Schouderophalend liep ik naar Fadila, die nu wel thuis was. “Misschien moet ik morgen naar Sarajevo, misschien overmorgen,” zei ze zichzelf koelte toewuivend. “Hangt van de dokter af. Hij bood aan om me daarheen te brengen, maar ik wil met de bus. Dokters praten alleen maar over kwaaltjes.”

 

Maandag 31 augustus

Ik zou het liefste een duik nemen en voor de rest van de dag mijn gat aan een koele plas neersmijten. Aan iedereen die ik tegenkom vraag ik: waarom is hier geen zwembad? “Dat was er wel,” zei Fadila, “maar het werd dertig jaar geleden door een storm verwoest en niet herbouwd. En toen was het oorlog.” Me hoela, dertig jaar geleden toch nog niet. Hier wordt alles opgebruikt tot het uit elkaar valt en dan is het pech gehad. Dus vooralsnog moet ik het met de nauwe douchecabine doen. En waarom brengen de radiozenders alleen maar jengelmuziek? Bij gebrek aan TV op de kamer heb ik me voor de taalvaardigheid op de radio gestort, maar het is niks gedaan. Na lang aan het staafje draaien kwam ik bij een sarajeefse zender terecht, die tenminste ook normale (engelstalige) muziek brengt, maar die valt regelmatig weg. Terwijl ik in Kroatië juist moeite had om een zender te vinden, die niet als Radio 538 klonk.

Dan maar weer het terras op voor koffie onder de parasol en in het gezelschap van de “huishond”, een soort teckel met lange, blonde manen. “He came out of nowhere,” legde de ober uit, “and my boss liked him because he’s good looking. That’s even for dogs important.” Toen de hond zich op de rug rolde om zich door mij over de buik te laten aaien, stelde ik vast dat de “he” in feite een “she” was.

Onderweg naar de stad leverde ik het bakje bij Fadila af, wat ze me gisteren voor de appelpita had gegeven. Het is nog onzeker wanneer ze naar Sarajevo vertrekt, haar bloeddruk is nu nog te hoog om te kunnen reizen.

In het Dom Kulture kwam ik bij toeval in een historisch museumpje terecht. Een man kwam een kantoortje uit waarop ik aangaf op zoek te zijn naar Aleksander. Hij meende dat deze in het café werkte. Alweer een domper, ik dacht dat hij in het Dom Kulture zelf werkte en me zou rondleiden om me meer vertellen. Nu blijkt hij gewoon de barman te zijn. De kantoorklerk bood me aan om me naar hem te begeleiden, maar ik zei dat ik eerst nog wat in het museum wilde rondkijken waarop hij zich als een suppoost tegen de glazen wand opstelde en aangaf dat ik hem alles mocht vragen. Gelukkig sprak hij goed Engels, zodoende kwam ik aan de weet dat de huidige ruïne in Srebrenik 800 jaar geleden door de Osmanen is gebouwd, door de Habsburgers gerestaureerd en daarna vervallen. Op oude foto’s zag ik dat op de plek van die knots van een moskee een veel kleinere versie stond. Er is ook een voetbalelftal, het Guber, dat voor de helft uit moslims en voor de helft uit orthodoxen (Serven) bestaat. Ik vroeg de man waarom er geen engelse vertaling van de teksten bij de foto’s en snuisterijen was. Daarvoor moest eerst een “donatie” komen, meende hij. Geklaag over geldgebrek lijkt hier wel de allesoverheersende volksziekte. Daarna bracht hij me naar Aleksander, die in het gezelschap van de juten uit Mile’s kroeg verkeerde. De ene herkende me nog van twee jaar geleden, hij gaf me heel vriendelijk een hand en zei: “Postovani (aangenaam)”. Aleksander stelde me aan hen voor als “nasa prijatelja” (onze vriendin), wat klonk als “sympathisante voor de servische zaak” waarop bij mij meteen alle alarmbellen afgingen. Maar goed, ik glimlachte slechts, nam aan hun tafeltje plaats en liet Aleksander koffie en een glas water voor me inschenken. Ik brabbelde maar weer wat, voor zo ver ik de conversatie kon volgen. Wat ik heel goed kon volgen was dat Aleksander op een gegeven moment tegen me zei dat ik zo goed servisch sprak en een echte servische was. Wat die lui zich al niet inbeelden. Toen de politie weg was, gebaarde hij dat ik hem naar de keuken moest volgen. “Kom, ik laat je zien hoe je bosnische koffie maakt.” Enfin, daar was ik wel benieuwd naar, maar terwijl de koffie op het vuur stond te pruttelen, vond hij het tijd geworden om zijn handen hier en daar op mijn lichaam te laten rusten. (Waarom grijpen mannen toch altijd meteen naar je tieten en je kont?) “Breng dit even naar de klant,” verordonneerde hij terwijl hij het koffiekannetje in mijn handen drukte. Ja zeg, werd ik me daar ook nog aan het werk gezet! Toen ik dit had gedaan en voordat hij de kans kreeg om me opnieuw te betasten, zei ik dat ik nog naar een vriendin moest en maakte aanstalten om te vertrekken, maar het was toch niet te geloven, hij achtervolgde me met zijn losse handjes tot ik zo ongeveer op straat stond.

Ik was toe aan een wandeling en rust. Ik liep het pad naar de Guberbron omhoog, aan het einde verrees nog steeds het karkas van het hotel, waarvan de bouwwerkzaamheden al jaren geleden zijn gestaakt en dat vermoedelijk nooit af zal komen. Fadila had me gezegd dat het pad nog verderging, maar na tientallen meters liep het toch echt dood op een rotswand waar een stroompje water uit sijpelde. Toen ik terugliep, kwam een man met een waterfles me tegemoet. “Het water is gezond en heilzaam,” verklaarde hij. Tja, vroeger kwamen de toeristen hier voor de bronnen, die inmiddels net als het toerisme opgedroogd lijken.

Toen ik een stukje verder op een rotsblok zat uit te rusten, stond hij plotseling naast me. Hij zei dat het bronwater goed voor de ogen was. Hij vroeg waar ik vandaan kwam en vroeg of er in NL veel pravoslavi (orthodoxen) zijn. O nee, niet weer zo’n trotse Serf, dacht ik, en kwam overeind om hem van me af te schudden. Hij bood me een lift aan (hij was taxichauffeur), maar ik zei dat ik liever ging lopen. En of het nou toeval was of niet stond bij Restoran Bato de TV ook al afgesteld op de servische zender met veel geschiet en kletspraat over het ware Servendom. Ik heb mijn dagelijkse portie servisch nationalisme meer dan ruimschoots binnen, dacht ik en rekende af, waarbij ik de ober een grotere fooi gaf dan de bedoeling was. Snel naar het pension voordat er nog meer Serven mijn pad zouden kruisen. “Polina!” riep een uit het duister tredende figuur. Dat is gemakshalve mijn aangenomen balkanese naam, die klinkt als mijn tweede doopnaam, in internationale, engelstalige kringen uitgesproken als Pauleen. Het was gelukkig Laki maar, hij paste op het huis van een vriend. Op het bankje voor het huis rookte ik een sigaret met hem terwijl hij me weer de oren van het hoofd kletste. Door zijn elementaire kennis van het Duits wist ik de conversatie enigszins gaande te houden, door daarop over te schakelen als ik er in het Bosnokroatisch niet meer uitkwam. Toen ik een foto van hem maakte, vroeg hij om mijn fototoestel waarmee hij een paar onduidelijke plaatjes van lantaarns en straatstenen schoot. Ik begreep dat hij beeldend kunstenaar is, hij wilde me zijn kunstwerken laten zien. Ik zei hem dat ik moe was en nu graag naar het pension wilde, maar morgenavond graag mee zou gaan. Hij liep nog tot zo ver met me op. “Ik zag je vanmiddag op het terras zitten,” zei hij, “maar ik kon niet naar je toekomen, ik heb mot met de baas. Hij is een voormalige jeugdvriend van me.” Ik vroeg er verder niet naar, het klonk als een of andere mannenvete en waarschijnlijk om een vrouw.

“Morgen dan, zelfde tijd, zelfde plaats,” zei hij toen we bij het pension waren. Op het balkon nam ik nog een paar foto’s van de volle maan.

 

 

 

Honds vertier

 

De baas houdt haar op het terras

omdat ze er zo lekker uitziet met

haar lange, blonde manen. Ook voor

een hond is het belangrijk dat je

 

haar goed zit. Aleksander heeft

vers vlees in de kuip en meet

met het plaatselijke gezag

mijn rondingen. Jij bent de ware

 

servische vrouw, zegt hij, en laat

me zien hoe je bosnische koffie

zet. Ook zonder schort mag

ik voor hem sloven zo lang

 

ik Servië boven roep. De taal

breekt me op. Ik stop en zeg

de groeten. Hondenharen kleven aan

mijn lip, kietelen mijn geschoren manen.

 

Dinsdag 1 september

Een nieuwe dag, de laatste alweer, net nu ik aan de bosnische laissez-faire begon te wennen van ’s ochtends wakker worden en geen idee hebben wat de dag brengt. Opnieuw een brandendhete dag, ik had het plan opgevat om naar Bratunac te gaan, ondanks de waarschuwing dat het daar nog warmer zou zijn vanwege de ligging in het Drinadal. Van Fadila had ik begrepen dat ik het beste met de taxi kon gaan, maar ze drukte me op het hart om van tevoren naar de prijs informeren.

Tegenover het warenhuis stond een rijtje taxi’s met daarvoor verveeld tegen het portier hangende chauffeurs. Ik koos met opzet de jongste uit, ik had even geen trek meer in klagelijke vijftigers. Het bleek een vriendelijke jongeman, die mij enthousiast de taal begon te leren door luid en langzaam en met veel herhalingen te praten. Ook hem vroeg ik waarom er hier geen zwembad is. “Dat is niet het grootste probleem,” gaf hij. “Er zijn geen mensen en zonder mensen is er geen economie. Voor de oorlog waren hier veel mensen. Maar nu is Srebrenica moslim en servisch en zijn alle anderen naar Bratunac verhuisd vanwaar ze hooguit een paar uurtjes in Srebrenica komen werken.”

Als dank voor deze verduidelijking gaf ik hem zeven mark in plaats van de door Avdo aanbevolen vijf.

Bratunac is bekend van Hotel Fontana waar Karremans met Mladic het lot van de moslimmannen bezegelde, maar ik zou niet weten waar ik het moest zoeken, misschien bestaat het niet eens meer. Ach, het is maar een gebouw. In ieder geval was er meer leven in de brouwerij dan in Srebrenica, er was zelfs een heuse Kneipenmeile van café’s, restaurants en terrasjes. Ook veel posters van Poetin trouwens. Ik liep door de horecastraat naar de orthodoxe kerk om daar op een bankje onder een boom ineen te zijgen. De hitte begon zijn tol te eisen, bovendien was ik een stuk vroeger onderweg dan de voorgaande dagen, op het warmst van de dag. Na iedere honderd meter moest ik een boom opzoeken omdat het zweet in straaltjes uit mijn oksel liep en ik sterretjes zag. Uiteindelijk zonk ik in de Kneipenmeile op een bankje neer om een paar aantekeningen te maken. En verdomd als het niet waar was, ik kreeg alweer gezelschap. Eerst van een zwerfhond, die zich hijgend aan mijn voeten vlijde en daarna van een eentandige zwerver, die heel brutaal het schrift uit mijn handen rukte en het volkliederde met cyrillische tekens. Beleefd vroeg ik wat er stond, want ik was toch wel nieuwsgierig geworden. Dat had ik nou niet moeten doen, want hij begon een litanie dat Servië altijd bezet was geweest door de Turken en dat de laatste oorlog niet had bestaan. Toen ik mijn schrift terug had, wist ik niet hoe snel ik me moest verwijderen. Dan maar gezeten op een muurtje bij een parkje met een oerlelijk monument uit de communistische tijd. De zon begon te zakken en ik was blij toe. Rune had gelijk, hierbij vergeleken was Srebrenica een verkoelende oase. Ik liep terug naar de horecastraat om op een terras een borrel te drinken. Iemand riep iets in het Engels naar me. Of het door de hitte of door de moeheid kwam, ik herkende Rune niet direct en stond aldus even te schutteren. Hij was in het gezelschap van een blonde jongeman met een onuitspreekbare naam. “Ach, noem me maar gewoon Ned,” wuifde hij, dus stelde ik me ook bij mijn engelse pseudoniem voor. Ik ben immers schrijver, ik grossier in namen.

Ik vroeg of ik erbij mocht komen zitten. Rune bestelde een biertje voor Ned en hem en een rakija voor mij. Opeens stond die nationalistische klaploper weer naast mij, maar Ned joeg hem onverbiddelijk weg. “Ik ken hem,” zei hij. “Hij heeft niets kwaads in de zin, als hij droog staat is ie best te pruimen, maar als hij zich aan Bacchus heeft overgegeven wordt ie vervelend.”

Ned was een soort welzijnswerker, in die hoedanigheid had hij met het IKV te maken gehad en was vaker in Nederland geweest. Hij kende Puco van het comité ook, maar iedereen hier kent Puco. De beide mannen herkenden zich in mijn moeilijkheden met de NGO. “They like to do things for themselves,” aldus Ned. Zeker om de hulpgelden in eigen zak te steken, dacht ik er cynisch achteraan. Hij zei dat hij er zelfs als Bosniër niet tegen kon en zich maar al te vaak kwaad maakte over de tegenwerking. Daarop vertelde hij dat er vanuit Nederland best veel geld naar Srebrenica is gegaan (4 billion euros!), maar dat er niet de juiste mensen zijn – eufemistisch uitgedrukt! – om het te investeren. “This is a paradise for politicians. They don’t even live here. How can you see to it that the money is being properly used if you don’t live here?”

We hadden het over de demonstraties en opstanden van vorig jaar, ik vroeg of die iets hadden veranderd. Ned schudde mismoedig het hoofd. “Vergeet het maar. Daarvoor is een landelijke organisatie vereist. De protestbewegingen in de diverse steden stonden nauwelijks in contact met elkaar. Hoe kun je verandering bewerkstelligen als er geen onderlinge samenwerking is?”

Rune merkte op dat hij zich stoort aan het feit dat de oorlogsmisdadigers in het buitenland worden berecht. “Laat de Bosniërs dat toch zelf doen. Geef ze het heft in eigen handen.”

Na het tweede drankje maakten de mannen aanstalten om iets te gaan eten waarop ik zei dat ik terug naar Srebrenica moest. Door de warmte waren de rakija’s me iets te snel naar het hoofd gestegen en ik moest ook nog Laki’s kunstwerken gaan bekijken. De taxichauffeur zei me bij het instappen dat het tien mark kostte, veel te veel dus. “Zeven,” zei ik. We kwamen op acht uit, maar gezien het feit dat hij me probeerde te versieren had ik eigenlijk meer moeten afdingen.

Een snelle hap bij Mile en toen ik langs Fadila’s huis liep, wenkte ze me vanaf het balkon. Ik was verrast haar hier nog aan te treffen. “De dokter brengt me naar Sarajevo. Het gaat helemaal niet goed, met die warmte kan ik niet met de bus.” Hoge bloeddruk, dichtgeslibde aderen, hartritmestoornissen – allemaal stressgerelateerde klachten als je het mij vraagt. “Eigenlijk zou ik moeten stoppen met roken, maar dat gaat niet. Het leven is moeilijk voor een vrouw alleen.” Ik dronk een koffie met haar en toen moest ik verder naar Laki. Ik wenste haar het allerbeste. Ze keek me meewarig aan. “Jij bent nog zo jong.”

Ik heb anders even veel last van de warmte, dacht ik. Al bijna een week klimt de thermometer overdag naar 38 graden, gelukkig draagt het dak van het pension zonwerende platen, in mijn mansarde in Utrecht had ik dit nooit uitgehouden.

Laki zat niet voor het huis van zijn vriend. Ik herinnerde me dat hij had gezegd dat hij zelf op nummer 13 woonde, dus iets voorbij het pension, maar ik kon geen nummer 13 vinden. Ik sloeg een grindpad in, ook daar niets. Aan het einde zonk ik op een rotsblok neer om een peuk te roken en naar de krekels te luisteren, toen een stem door de duisternis schalde: “Tko je kamo?” (Wie is daar?) Aan de overkant zag ik een donker silhouet tegen een verlichte balkondeur, binnen klonk een hysterische vrouwenstem. Ik antwoordde niet en wilde me onzichtbaar maken in het donker, maar de man bleef roepen. Straks gaat hij nog schieten, dacht ik gehumeurd, kwam overeind en begon het pad af te lopen. Achter me hoorde ik het geknerp van wielen op het grind waarop een auto stapvoets naast me kwam rijden. De man draaide het portierrampje open, hij wilde weten wat ik daar deed. “You see, my cousin is very worried. We have some troubles with our neighbours.” Ik putte me in excuses en zei “very sorry” te zijn dat ik ze had laten schrikken. Dat ik in het pension verderop verbleef en tijdens mijn avondlijke wandeling even was gaan zitten om een sigaretje te roken. De man wenste me uiterst voorkomend een goede nacht en een prettig verblijf en reed me voorbij. Tja, problemen met de buren. Toch verdenk ik ze er hier wel van om in zo’n geval naar het karabijn te grijpen.

Nog altijd geen Laki te zien. Ik stapte het pension binnen en ging linea recta naar mijn kamer.

 

Woensdag 2 september

Je weet nooit wat je hier te wachten staat. Vanochtend was er geen water. Niet voor de afkoeling noch voor het lessen van de (na)dorst. Toen het na een uurtje toch weer begon te stromen, vulde ik meteen maar een flesje uit voorzorg. Daarna naar het dorp om reisproviand in te slaan en, ik ben de beroerdste niet, Aleksander gedag te zeggen. Die reageerde heel schichtig en wist zich geen houding aan te geven. Zo gaat dat, eerst proberen ze je te versieren en vervolgens kijken ze je aan alsof ze een slang zien. Ik liet het geld voor de Kiseljak op mijn tafeltje achter en ving de terugweg naar het pension aan. Laki liet zich nog steeds niet zien, maar ook dat hoort erbij: je loopt elkaar wel weer tegen het lijf, of niet, zo Allah of God het wil.

De vriendelijke ober, die het insect had verjaagd, bracht me naar het busstation, althans, daartoe had hij opdracht gekregen van zijn baas. En die man maar sloven voor hulpeloze vrouwen, die dubbel zo oud zijn als hij. Terwijl ik op de bus zat te wachten, sprak een oudere man me aan. Memed had een zoon in Maastricht en een in Rotterdam en wilde met me “na kavu”. Ik beloofde hem een koffie-onderonsje als ik volgend jaar terugkom. Vreemd eigenlijk, dat Srebrenica nu zo veel vriendelijker op me overkwam dan vorig jaar met al die regen. Het begint al bijna een normale plek te worden, waar mensen leven en hun dagelijkse beslommeringen hebben. En zoals vaker bij dat soort plaatsen verlaat ik ze met een lichte weemoed.

 

Met het konvooi mee

 

En zo verlaat ik deze enclave

mijn diensttijd zit er weer op.

Mijn luchten van toen heb ik niet

gevonden, al raakte het vuurwater

 

even op. Maar de mensen zijn

nog altijd van de lome dagen

en ’s nachts richten enkel honden

een feestgelag aan. In de ochtend

 

doet Aleksander alsof hij een slang

ziet. Mile somt de dagkaart

op. Laki is door een zinderende

zon verzwolgen, het is een komen

 

en gaan. Memed vraagt me op de

koffie, want het land waar ik vandaan

kom is goed. Maar ik moet met de stoet

mee, terug kan altijd nog.

 

Woensdag 2 september (vervolg)

In Sarajevo lijkt geen verblijf mogelijk zonder een avontuur met een taxichauffeur mee te maken. Deze keer liep het zelfs bijna op een ruzie uit. Ook dit exemplaar begon meteen te slijmen dat ik zo aantrekkelijk was en de taal zo goed sprak. Toen ik zei dat ik net uit Srebrenica kwam, begon hij meteen driftig gebarend over Naser Oric, die een paar maanden geleden in Zwitserland door Interpol van zijn bed is gelicht en in Servië vastgezet. Als ik het in die taal had kunnen zeggen, verzweeg ik wijselijk dat Oric een oorlogsmisdadiger was, die destijds alleen maar was vrijgelaten wegens ontbrekende getuigenverklaringen en dus gebrek aan bewijs. Vervolgens vroeg hij of ik getrouwd was. “Waarom is je man dan niet hier?” Daarop vroeg hij of ik kinderen had. “Waarom niet? Je hoort toch kinderen te hebben!”

“Omdat ik altijd aan het werk ben.” En dan zeker niet in mijn uppie door Bosnië zou kunnen reizen, dacht ik erachteraan.

“Ja, en? Ik ben ook altijd aan het werk.”

“Voor een man is dat anders.” Wederom was mijn kennis van de taal ontoereikend om de nuances van de emancipatie uit te leggen. Of zou hij serieus denken dat ik hier bij hem in de auto zou zitten als ik kinderen had gehad? Goed, ik ben het ermee eens dat ook een vrouw met kinderen zich vrij door deze wereld moet kunnen bewegen alsmede fulltime werken, maar zo ver is zelfs bij ons de emancipatie niet voorgeschreden. Maar wacht, hij nam natuurlijk aan dat mijn eventuele kinderen allang volwassen waren, dus hield hij me voor een aantrekkelijke vrouw, evengoed wel van middelbare leeftijd.

“Waarom?” riposteerde hij. “Je hoort toch kinderen te hebben!” Hij wond zich steeds meer op en schreeuwde het bijna door de autocabine.

“Werken en kinderen gaan niet samen,” zei ik beslist terwijl het me niet was ontgaan dat hij via een heel andere route naar het hotel reed. Hij kan zeven mark voor dit ritje krijgen en geen cent meer, dacht ik vinnig. Daar was hij het natuurlijk helemaal niet mee eens waarop de verwensingen en de inshalla’s me om de oren vlogen. Gelukkig verscheen Haris op dat moment in de deuropening van het hostel. Hij sprak sussend op de chauffeur in, die vervolgens wegreed. Ik begon al te denken dat ik me misschien toch in het bedrag had vergist. “Wat was dat nou?” vroeg ik in het Engels aan Haris, die de bagage van me overnam. “Heb ik niet het juiste bedrag betaald?”

“Het is niets,” wuifde hij. “Hij wilde nog een extra fooi, daarom was hij kwaad. Maar vergeet het, het had niets te betekenen.”

Die sarajeefse taxichauffeurs jagen me in Bosnië nog het meeste de stuipen op het lijf.

 

Donderdag 3 september

Opnieuw was het snikheet. Sarajevo lag te blakeren onder een niet aflatende zon. Ik liep nog even naar de Bascarsija voor een paar boodschappen en een turkse koffie, maar moest daarna weer tegen die hucht op. Bij de begraafplaats lagen de zwerfhonden in de spillebeenschaduw van de islamitische graven. Ik bewoog me als een oud vrouwtje voetje voor voetje voort en zag alleen nog maar sterretjes. Ik bad dat ik deze keer een redelijke taxichauffeur zou treffen om me naar het busstation te brengen. Gelukkig heeft men in het hostel weet van fidele taxibedrijven.

De bus naar Nederland zat aardig vol en dan moesten we op weg naar Kroatië door al die bosnische steden om nog meer mensen op te pikken. Wat een ellende. Tenminste deed de airco het en had ik vooralsnog een tweezitsplaats voor mezelf.

Tijdens de tweede stop – de schaftpauze van het buspersoneel – vroeg een bosnisch echtpaar met een jongen van een jaar of twintig mij aan hun tafel. Ze spraken Nederlands. De man bood me een drankje aan, wat ik beleefd afsloeg. “Geen biertje bij deze warmte?” reageerde hij verbaasd. Ik zei dat ik liever niet te veel dronk om niet te vaak naar de WC te hoeven. Vooral van bier word ik spontaan incontinent. Ze vertelden dat ze zes weken in Bosnië waren geweest en nu op weg waren naar Deventer, hun woonstee in Nederland – het typische immigrantengezin. Ik zei dat ik in Srebrenica was geweest waarop de man vertelde dat hij uit Srebrenica kwam. Ik vroeg niet verder, ik ben het onderhand moe om mensen over hun oorlogsverleden uit te horen. Als amateurjournaliste zou ik dat wel moeten doen, maar ik vind het het iets ongepasts opdringerigs hebben en mensen, die juist wel willen praten, moet je eerder wantrouwen, zo weet ik inmiddels uit ervaring. Dat zijn de glamourslachtoffers, of de mensen, die een zekere zieligheidscultus uitbuiten. Al die tijd zat het zoontje er schaapachtig glimlachend bij. Zou zo’n jongen het niet zat worden om ieder jaar met zijn ouders op familiebezoek in het land van herkomst te gaan? Op de middelbare school had ik een vriendin van spaanse afkomst, die iedere zomer verplicht zes weken met haar ouders naar Spanje moest en dat land stond voor haar voor de twee dingen, waar ze het meest de schurft aan had: hitte en familiebezoek.

De man haalde nog een biertje nadat hij me opnieuw had gevraagd of ik niet iets wilde drinken. Ik vroeg of we onderhand nog niet naar de bus terugmoesten. “We hebben de tijd,” zei hij. “De chauffeurs zitten uitgebreid te eten.”

Ik merkte nog maar weer iets over de hitte op, die tegen de avond en in de nabijheid van het laagland van Noord-Bosnië bepaald drukkend begon te worden. “In Nederland is het momenteel 18 graden,” wist de vrouw. “O, heerlijk!” riep ik opgetogen uit.

Ik probeerde bij de kiosk nog een pakje shag op de kop te tikken. Dat viel niet mee, te meer omdat ik geen idee had wat het servokroatische woord voor “shag” is. Is tobacco dan geen internationaal woord? Zo stond ik maar te hannessen en te mimen dat ik een shagje rolde. De verkoopster reikte me een pakje vloeitjes. Neenee, het gaat me om wat erin zit, de contents, verdomme! Eindelijk klaarde haar gezicht op. Duhan! Verhip, nu herinnerde ik me weer dat ik dat woord vaker was tegengekomen, maar in die taal lekken de meeste woorden in een mum van tijd weer uit mijn geheugen als uit een vergiet. “Nemamo duhan,” zei de verkoopster, ondanks de overdaad aan vloeitjes, die ze me had laten zien.

In de schemering reden we richting grens. De bus raakte voller en voller en bij Brcko raakte ik ook mijn bijzitsplaats kwijt. Ik wierp de instappende jongeman een bozige blik toe en propte mijn spullen met duidelijke tegenzin onder de stoel. Slapen kon ik sowieso wel vergeten, maar toen ik het leeslampje aanknipte, klonk er al snel een klagelijk stemmetje achter me: “Ieck gebbe last van die lààààmp.” Gelukkig had ik nog een zaklampje bij me, maar toen de man voor mij frank en vrij zijn licht aanknipte, hoorde je de trut niet meer. Schuin achter mij zat een ouder echtpaar afkomstig uit de Achterhoek, zo te horen. Waar kwamen die nu weer vandaan? Helemaal naar Bosnië gekomen om hier de landlucht op te snuiven? Ik was zo gefrustreerd dat ik bij de eerste de beste pompwinkel een flesje Travarica kocht om tot bedaren te komen. Het zoontje van het bosnische echtpaar, dat me bij het restaurant aan hun tafel had gevraagd, stuiterde door de winkel. “En wat ga jij kopen, wat ga jij kopen?” herhaalde hij maar. Volgens mij was hij een beetje achterlijk. Zat ik opgesloten in een bus vol gekken en dan hadden we de douanecontroles nog niet eens gehad. In Slovenië begon het aarzelend te regenen en flitsen stipten de horizon aan. Ik vouwde mezelf in een zo comfortabel mogelijke houding op en staarde met Gilbert Bécaud in mijn oren naar de langsglijdende oostenrijkse bergen waar mistflarden omheen dansten. Het wegdek dampte en de wielen baanden zich slurpend een weg over doorweekte asfaltlinten.

 

Transit voor huiswaartskerenden

 

Wij zijn in deze oplichtende barak

bijeengebracht op razende wielen naar

vroeger en later. De kater komt altijd

wanneer je hem niet verwacht. Er zijn

 

treurige verpozingen langs het digitale

maar deze snelweg is echt en zonder

einder. Het is de ruis die telt

dit kilometers vretende dat je beter

 

voor het weerzien kunt bewaren.

Je reisgenoot krult zich op om iedere

herinnering aan lichamelijk genot

te vermijden. Ergens moeten honden

 

zijn, je denkt je hun jammerklachten

in. Het slaaphuis glijdt door de nacht.

Je waakt staande. Fluistert een zin die beklijft

in eindeloos maanbeschenen asfaltlijven.

 

Vrijdag 4 september

Op een tankstation nabij München de nieuwe dag begroeten met koffie en een Süddeutsche Zeitung. Ondanks de sandwichhouding heb ik toch nog geslapen – nou ja, ik was even niet bij bewustzijn en dat was me al heel wat waard.

Denk je eenmaal in Duitsland een heel stuk te zijn opgeschoten, moeten we nog de hele dag. Ik heb inmiddels wat aanspraak bij de man naast mij, die Elvir heet en in Brcko woont. Hij heeft veertien jaar in Nederland, in Nijmegen, gewoond en toen wilde hij terug. “Ik ken veel mensen, die op een gegeven moment heimwee kregen en zijn teruggegaan,” zegt hij. Hij biedt me een plastic zak met pruimen aan. “Uit eigen tuin. In Bosnië zijn we zelfvoorzienend.” Nu gaat hij voor drie weken terug naar Nijmegen om dingen te regelen en vrienden te ontmoeten. Hij werpt een bewonderende blik op mijn kroatische grammatica, die ik opengeslagen voor me heb liggen. “Voor Nederlanders is het geen makkelijke taal,” zegt hij en ik kan hem hiervoor wel omhelzen, want hij is de eerste Bosniër, die mij dit compliment maakt, afgezien van het gebruikelijke “Kazes jako dobro” (Je spreekt erg goed) terwijl ik sta te hakkelen als een dementerende redenaar, of een dichter zonder tekst.

Elvir heeft tijdens de oorlog onder andere in Srebrenica gezeten; later is hij nog één keer teruggegaan onder begeleiding van Gerrie Eijkhof van de NOS en een snorrende camera. Het zou te ver gaan om over die gebeurtenissen uit te wijden, vindt hij. Ik vraag niet verder. Iedere vraag zou sowieso ongepast zijn. Inmiddels heb ik geleerd dat waar en wanneer ook het woord Srebrenica valt, er een onzichtbare muur wordt opgetrokken, die zowel ondoordringbaar als poreus is en de nabestaande en de onwetende geïnteresseerde onherroepelijk van elkaar scheidt.

De rest van de dag brengen we door met het kijken naar ontelbare afleveringen van Lud, zbunjen i normalno (Gek, in de war en normaal), een in Bosnië ongekend populaire TV-serie. Ik met een schuin oog op mijn bosnokroatische woordenlijst en een half oor voor de melige conversaties op TV. “De bosnische Goede tijden slechte tijden,” meent Elvir, maar het doet mij meer aan Swiebertje denken, met de slapstick van archaïschdorpse personages als huishoudsters en veldwachters.

Eenmaal in Nederland sluit het wolkendek zich en begint het met bakken te regenen. We hebben ook nog eens een flinke vertraging opgelopen door de twee flinke files, waar we op de duitse Autobahn op zijn gestuit. Elvir gaat er in Arnhem uit. In Utrecht regent het nog steeds in stromen en eenmaal bevrijd uit die claustrofobische bus ben ik een prooi van de gure vlagen, die over het Jaarbeursplein vegen. Mijn hotpants en espadrilles bieden daar dan ook niet echt bescherming tegen. Ik ril in onder de glazen overkapping van het bushokje, wachtend op de stadsbus, waarmee ik het laatste traject moet afleggen. De gevoelstemperatuur ligt stukken lager dan 18 graden, de eerste vluchtelingen staan te trappelen om het land binnen te mogen.       

Reacties

Buslied

 

Het voelt als een schoolreisje

zingend over klotsende dichtwegen:

zorg dat je je bedrinkt

steek een paraplu op tegen zure

 

regen en laat de troepen ongestoord

marcheren. Weet waar je aan

begint. Laat de poëzie je het dagelijkse

verdriet vergeten, laat iedere stad

 

een gedicht zijn. Breng het woord

naar de gemankeerden en verstoorden

dat het leven hen tot troost wordt.

Stap in die karavaan van ronddwalende

 

verbalen onder leiding van pelotonoverste

Irene en haar boomlange vlaamse vent.

Wij weten ons in goede handen

wij declameren in stegen en tegen

 

muurgevels op. Van Rotterdam tot Maastricht

van Turnhout tot Oostende brengen wij

het woord tot leven. Poëzie aan de

man is immer ons verstokt streven.

 

Beginhalte van letterkundigen

 

We laten de wielen snorren van kust

tot limburgse heuvelrug ten behoeve van

het woord. Dit Letterkundig Museum het oord

waar alles begon. Blozende dichters

 

drommen vol schoolse opwinding samen.

Van boekenblues geen spoor, men is een

en al gehoor voor versterven in tedere

verzen. Derrel staart naar de sterren

 

in de hoop daar de vrouw van zijn

leven te ontdekken of anders een planeet

met de naam van een hond. Zo

droom je je gezond, denkt Keet

 

met blauwe kont danzij een aanvaring

met een kamikazetoerder. Gelukkig is er

gintonic als zalf op de wond. Je stapt op

krukken door het land, maar vandaag kom je

 

even thuis in die eregalerij: uitzicht op

Ilja’s haargroei en Ischa’s teelballen.

De thuisblijvers hebben het er maar moeilijk mee

jij hebt een muze in iedere stad.

 

 

Hall of fame

 

In Tilburgs textiel- en botsautootjesvertier

dieselen we deze industrie van kermis

en vermaardenhal in. Het getuigt van

manie om op wielen voor te dragen.

 

Als taalingenieurs skateren we in

weefgetouwzalen en onder glasinloodplatanen

door. Je hoort de directeuren

van verre snorren. Zo boemelen we voorbij

 

gelauwerde zomermiddagen. De eerste stappen

zijn gezet. De bus zou menig Balkanvehikel

naar de kroon steken. Droom maar

door, later wil hij misschien iets

 

afspreken. Zo lang je belofte bent

hoef je niets in te lossen. Je trekt naar

de volgende paradebaan. Tijd is niet

het enige waarmee ik je tekort heb gedaan.

 

Gouden ballen en blauwe zijde

 

In het huis van Derrel waar echte

mannen biljarten en potdeksels dragen

de vrouwen om schouders hangen

en de tap altijd klaterend watert.

 

Vera spreidt haar armen wijd en zijd

maar waar is die ene gouden bal nou?

Hij gaf geen antwoord toen ik op hem

wachtte en dat was jaren gelee. Er zijn er

 

zo oud als dit café. Dit is onze

hunkerbunker die wordt gevuld met

roes en poëzie. De dandy heeft zijn

verzen op orde, de Vlaming doet er alles

 

aan om de orde te verstoren, maar Derrel

is een straffe redenaar. Na sluitingstijd

weer de bus en het echte leven in. In de

nacht lijkt alles zijdeblauw en zacht.

 

Lustwarande op drift

 

Zo rotjeknorde de bus de Grote Markt op

ondanks parkeerverbod maar dankzij

de vlijtige ambtenarij. De fietsen

uitgepakt en achter Nico aan langs

 

Warande en jachtslot. Wij zijn geen

vluchtend hert, wij kijken de Vlaming

recht in de ogen, wij zijn de koorddansers

in het web dat het turnhoutse stratenplan

 

omkranst. Wij kennen geen mededogen voor

pennenlikkers en schriftocraten, maar Vlaams

is een struikgewas vol bermbommen. Poepsnoep

voor zetpil. De ambtenaren eten droog brood

 

in het neonlicht, maar laten zich gewillig

met poëzie begieten. De luxebroodjes

verlaten het stadskantoor door de

achterdeur. De hongerdichter gaat voor.      

 

Maastricht met harde hand

 

Nu was het eens geen Vlaming

die de bus ophield, maar een limburgse

papaverbabbelaar. Derrel wil carnivoren

en velt hem met een moersleutel

 

in de knuist terwijl de dichters rustig

verder hoereren onder een omfloerste

maan. Micky bezingt zijn Romeo

Von Solo beweent de getrouwde man

 

die geen klootzak meer zijn kan in

de jurk van Dean. Zo kleed je je

gezond viriel en het vleugje plattelandsgrond

doet de papaver verjagen. De herbergier

 

schenkt wijwatergenot. De vrouwenzaal

gaat hermetisch op slot, maar geen Von

of er zwaait een Panzerfaust. Het wordt

vertrouwd, het is een haast intieme loutering.

 

Groupies courrant derrière l’autobus rouge

 

C’est à Bruxelles la cité de

Jacques Brel dont nous sommes éternels.

Je couris les rues et je ne trouve pas

la porte.Irène fait tous ce qu’elle peut

 

dans le charbonfrancais. Tous les Bruxellieux

sont tous les oreilles. C’est dans la classe

de yoga où succombent les verres

quand Mark agit les bras trop forts.

 

Derrel est finalement heureux

parce qu’il a tué quelque chose.

Martin voudrais bien signer ses bandes

épaises avant que la masse le déchire.

 

C’est un retraite sans gloire mais

les filles dans l’autobus rouge sont patientes.

Bassie nous conduit n’importe où

les groupies nous recèvent sans haleine.

 

Groupies achter de rode bus aan

 

Het is in Brussel in de stad van

Jacques dat we faam verwerven.

Ik draal door stegen en vind de

achterdeur niet. Irene doet wat ze kan

 

in het steenkolenfrans. De Brusselnaars

zijn een en al oor. In het yogaklasje

breken de glazen wanneer Mark

al te driftig met zijn armen zwaait.

 

Derrel is eindelijk gelukkig

omdat hij iets heeft doodgemept.

Martin wil zijn uitdijende werken

signeren voordat de menigte hem verscheurt.

 

Het is een roemloze aftocht maar

de meisjes in de rode bus wachten wel.

Bassie rijdt ons overal heen tot waar

de groupies ons ademloos achtervolgen.

 

Idylle op de loer

 

Zand wervelt in alle toonaarden

jachtschepen liggen beschonken klaar

maar aan alle idylles komt een eind.

Rik wacht vergeefs op Martine

 

bij het ijshuisje, ik ga er met

zijn gedicht vandoor. De golven

breken in koor. We staan te tochten

onder Leopold de Tweede en nog steeds

 

is er niets te drinken. Door die badkuip

is menig Engelsman ontvlucht die de boot

van zijn leven niet wist te dichten.

Derrel krijgt onthoudingsverschijnselen

 

want alle mosselen zijn op. De zee

ligt er mooi bij vandaag. zeg ik.

Martin vindt er niets aan maar vraagt

of hij me eervol mag betasten.

 

Dit is het einde van iedere idylle:

Rik en Martin druipen onverrichter

zake af. Dit is Oostende, de stad van

iedere geliefde met wie je nooit was.

 

Drink de dag in

 

Woorden roffelen op de hoofden van de

zotten bijeen gegaard in priëlen met

dichtbeboste vagina’s. We drijven

de kater uit elkaars lijven ondanks Ria’s

 

oproep tot dronkenschap en op

Riks djembé dansen wij de regen los.

Het is zomer in Boukenborgh, dit

Bilthoven in België, waar de lippen

 

net zo stijf en de aardappels net zo heet.

Antwerpen huilt van ontroering

wanneer Jan Derrel nadoet. We slapen

in strandstoelen, delen de spotlights

 

met kakelkuikens die voor de spiegel

oefenen voor vamp. We voelen ons als

op kamp, in deze concentratie van

gelijkgezinden en duiken straks voor

 

onze opvoedloeders weg. Morgen sjorren

we onze stropdas om en staan weer

in de rij, lopen binnen de lijnen waar we

vandaag met onze dronken kop over vallen.   

 

Afterparty in de remise

 

En daar ga je weer met achterlating

van alles wat je lief is. Wat blijft

is een bittere man die niet tegen

jammerklachten kan. Er moest nog

 

van alles worden gehecht, maar de plicht

roept. Levenswerken verwoest zinnen vermorst

de teloorgang een korst op de ziel.

Nooit gedacht dat het zo beviel, deze

 

karavaan van gemankeerde woordderrelisten.

Maar de tijd is om, de bus terug in de

remise. De treinen sporen er met verweesde

laptops vandoor. De stropdas weer

 

strak als een touw om de nek.

En toch worden er ook goede dingen

te vondeling gelegd: de carnivore geest

van Derrel alsmede Vera’s waterpijpje.

 

In die zuidelijke lichtstad komt het

doodgewaande eindelijk boven water:

het vrijdaggebed is gehoord. Laat de poëzie

maar rondzingen en de machines zoemen.

 

   

 

Reacties

Ik sta hier met u voor het Vredespaleis

aan het einde van de Mars voor de waarheid

en aan het begin van de lange reis

door heden, toekomst en verleden tijd.

 

Dit paleis herbergt zalen vol geschiedenis

opgericht uit naam van de vrede

het was ooit de droom van iedere pacifist

die moest doorwerken tot in het heden.

 

Gesticht door een russische tsaar

die zijn wereldrijk zag verkruimelen

toch was het ook een nobel gebaar

wilde men niet in het moeras van oorlog tuimelen.

 

Al in 1898 liep de wapenwedloop uit de klauwen

en stond de ontwikkeling van mens en maatschappij in de weg

Nicolaas wilde een stutwerk voor vrede bouwen

met een duif voor ieder en een bladgouden heg.

 

Hij was te gast op Huis ten Bosch

en het Hof van Arbitrage was een feit

de trossen voor een vredesconferentie gingen los

Den Haag stond borg voor neutraliteit.

 

Het Hof zocht permanente huisvesting

dus stond in 1907 de eerste steen

dankzij amerikaanse bemiddeling

weldoener Carnegie schonk veel en niet eens te leen.

 

Cordonnier trok het op uit glanzend barok

in 1913 was de opening door de koningin

het was een race tegen de klok

want de Eerste Wereldoorlog stond aan het begin.

 

Had zo’n paleis dan eigenlijk nog wel zin?

Er werden geen oorlogen mee voorkomen

maar al te vaak was de vrede in het geding

en wereldverbeteraars hebben grote dromen.

 

Het Internationaal Gerechtshof werd een belangrijk instrument

dat de wereldpolitiek wezenlijk veranderd heeft

maar nu zijn we zo door vrede verwend

dat we geen idee meer hebben wat er aan oorlogen leeft

 

dat er in 1991 nog een Joegoslaviëconferentie was

om het bloedvergieten aldaar te stoppen

van den Broek erheen met een overvolle aktentas

en heilloze plannen om waarnemers te droppen

 

maar zonder hoop om een einde te maken aan het geweld

zo paradeerden de hoogwaardigheidsbekleders zij aan zij

zo werd het keer op keer rondverteld

ze praatten de blaren op hun lippen en zichzelf vrij.

 

Dat was nog maar het startschot voor genocide

de wereld stond erbij en keek ernaar

we dachten: dat zijn maar vervanonsbedgebieden

want met oorlogen zijn wij helemaal klaar.

 

De vredesmacht moest de veilige havens bewaren

met een mandaat dat alles te wensen overliet

laat die Bosniërs toch zelf de klus klaren

we trekken ons terug zonder dat iemand het ziet.

 

Niks in het geweer tegen die tank door het maaiveld

in onze onderbroek gaan we ervandoor

en krijgen als dank een medaille opgespeld

van excuses aan de nabestaanden geen enkel spoor.

 

De overste proost met de generaal

terwijl verderop de lijken liggen te vergaan

na 20 jaar ontloopt hij ook nog eens een procesverbaal

en het hele land lijkt opnieuw onaangedaan.

 

Net als zij wil het volk het niet weten

de westerse ziel is te gevoelig voor zo veel leed

maar wij staan hier tegen het vergeten

en memoreren waar men in het Vredespaleis ooit voor streed.

 

Ik hoef geen schaamlap om mij ervan bewust te zijn

dat wij jullie in de steek hebben gelaten

soms voel ik mij gewoon zo klein

want de naakte waarheid is niet goed te praten.

 

Nederland heeft gefaald, het hield de tank niet tegen

ook met een buks kun je schieten leren

sommigen hadden het misschien bekocht met hun leven

maar we hadden het tij kunnen keren!

 

Vandaag staan uw dierbaren rechtop en roepen ons toe

wij zijn met de doden en de levenden in Potocari

wij zijn het strijden nog niet moe

voor erkenning en tegen alle ontkenning en larie.

 

Was er ooit vrede in onze tijd?

Maar wat als we er niet meer naar streven

dan raken we iets kostbaars kwijt

dan zouden we onszelf echt niet meer kunnen vergeven.

 

Want dit is waar wij nu voor staan:

dit paleis van vrede, dit hof voor recht

om wat jullie overlevenden is aangedaan

en dat er eindelijk eens iemand sorry zegt.

 

 

 

               

Reacties

“Want niemand is alleen die dwaalt langs de straat”

 

Simon Vestdijk

 

DOOR REGEN EN STRALEN

REISVERSLAG BALKAN 2014

 

 

 

Dinsdag 12 augustus

Eerste stop: Grimmstad Marburg an der Lahn. Na de Slam in Vestdijks koperen tuin de stad met het koperen slot in de ondergaande zon. Stad van de gebroeders Grimm en de vele trappen. Om helemaal bovenaan het reusachtige muiltje van Assepoester aan te treffen. “Wat heeft Marburg eigenlijk met Grimm?” vroeg ik aan de serveerster in de Konditorei. “O, ik geloof dat een van de broers hier heeft gestudeerd,” luidde het antwoord. Ook zonder Grimm kan Marburg er als toeristische attractie goed mee door met straten om langs te dwalen en vergezichten over stad en land.

 

Woensdag 13 augustus

Kilometers maken door de regen. Niet verder gekomen dan Erlangen bij Nürnberg na een bezoek aan de Lidl voor de dagelijkse boodschappen, het tuincentrum voor een gasbrander en me suf zoeken naar een Drogeriemarkt voor een simpele eyeliner. De krant op schoot: de zelfmoord van Robin Williams is hot, evenals Gregor Gysi – leider van Die Linke en in DDR-tijd van de communistische SED -, die heeft gezegd dat Duitsland de Koerden in Irak moet bewapenen tegen IS, wat in de duitse antimilitaristische traditie gelijk staat met het gooien van een bom op de linkse kerk. Voor ons reikt de wereld niet verder dan dit stukje asfalt met die leegstromende wolken. Maar de tent staat.

 

 

Pitstops vol antihelden

 

Je zit langs de weg te dromen:

de regen valt altijd ergens anders.

Vrachtwagens vol kleefgerei en handboeien

maar jij denkt jezelf vrij, want

 

altijd in beweging. De regenboog lijkt

iets dichterbij, de pitstops in deze

negorij donkerkamers en dichtbezaaid.

Je pikt hier en daar wat op

 

en beoefent de liefde in alle

toonaarden. In de krant een vermoeden

van druilerigheid. Een acteur gestikt

in zijn eigen lach, het mag geen

 

tragedie heten. Gelukkig gaat het

ons virtueel goed. De wegen zijn

geplaveid met de antihelden van de nacht

maar de schoonmaakdienst kuist

 

ze op voordat ze hun aderen vullen

met zon of zich ontfermen over

beren en oosteuropese dagloners.

Het meisje weer mooi en aandoenlijk

 

terug in de schelp. Trek dat vel over

been, recht de rug tot kaars. Je schudt

je baleinen, stapt de piste in. Het eerste

luie oog heeft zich in je vastgezet.

 

 

Donderdag 14 augustus

In Burgenland, het vlakste stukje Oostenrijk, dat tegen Hongarije aanschurkt. De muggen prikken bulten als eieren. Na de habsburgse heerschappij werd dit gebied verdeeld tussen Oostenrijk en Hongarije, waarbij Oostenrijk het grootste stuk van de cake kreeg. De streek dankt de naam aan de burchten, die de Romeinen bouwden om de barbaren te weren, de Hongaren om de mongoolse horden te weren en de Habsburgers om de Turken buiten te houden. Op deze immense vlakte zie je de vijand al van ver aankomen. Bij Sopron (Oedenburg) trokken in 1989 de eerste scheuren door het Ijzeren Gordijn.

 

Vrijdag 15 augustus

Vanwege de muggen zijn we verkast naar de stad, naar een alleraardigst campinkje met een zwembad net groot genoeg voor de vlinderslag. Sopron was altijd een soort vrijstaat voor allerlei gezindten, ook Kroaten en Serviërs vonden er onderdak. De Serviërs hebben de meest in het oog springende toren – de Feuerwachtturm -  gebouwd. Franz (Ferenc) Liszt werd hier in de buurt in Raiding (nu Oostenrijk) geboren, maar hij beschouwde zichzelf als Hongaar. In 1882 ondernam hij een reis naar Venetië om zijn dochter Cosima te bezoeken, die met Richard Wagner getrouwd was. Na Wagners dood in 1883 resulteerde dit in de compositie La lugubre gondola. In 1921 kozen de Sopronners met overweldigende meerderheid voor aansluiting bij Hongarije waarop er een einde kwam aan de oostenrijkse heerschappij. De Duitsers werden na WO II allemaal verdreven nadat ze vele joden uit het gebied hadden weggevoerd.

 

 

 Tijdreizen voor treurgondeliers

 

Hij wordt gespot op binnenwegen

langs lagunes en in stadions

een valies dragen valt hem zwaar

daarvoor torst hij een instituut

 

met hondstrouwe slagen op zijn

rug. Hij bezoekt goedmoedige kathedralen

stelt de treurgondelier de aloude vragen

en ziet zijn eigen gezicht. Hij laat

 

zich glijden door driehoeksverhoudingen

maar op het einde gaan de geliefden

altijd dood of worden ingemetseld.

Zijn vrouw draagt het gebroken wit

 

van de verongelijkte chaperonne, zijn

kind is een Siegfried die gouden bergen

smeedt. Hij is niet van de poëzie

daarom biedt hij een venster op

 

leukbare sentimenten. Hier is het paleis

hier de toeristen die alles onderschijten, het

carnaval van gelijken. Droeve harlekijnen

wenen de zonverlegen kanalen vol.

 

 

Zondag 17 augustus

Na een enerverende fietstocht over een heuvelrug, die imposanter bleek dan gedacht bij de grensovergang waar op 19 augustus 1989 het eerste gat in het Ijzeren Gordijn werd geknipt, wat de aanleiding was voor een massale exodus van met name Oostduitsers naar het Westen. Vanwege de kritieke politieke situatie in de DDR waren de ambassades van Budapest en Praag volgestroomd met vluchtelingen, die wachtten op toestemming om naar het Westen te kunnen. Toen ze hoorden van de “paneuropese picknick” op deze plek zijn ze in hun trabanten hiernaartoe getuft. Mensen zouden elkaar aan weerszijden van het Gordijn ontmoeten. Het prikkeldraad zou gedurende drie uur opgerold worden om een delegatie door te laten, die hun oostenrijkse collega’s in Sankt Margarethen de hand moest schudden. Ze werden op de hielen gezeten door wanhopige Ossis, die hun kans roken, en dat betekende het begin van het einde.

 

 

Prikkeldraadpicknick

 

We tuften een eind om voor dit

Europa op onze idealen van schroot.

Dit was wat er bleef:

een berasterde enclave vol trabanten

 

op kosten van de staat. We dampten

vervaarlijk, eten deden we

in de open lucht. Herr Liszt reisde

in een treurgondel maar op eigen

 

faam. Hij wist niet hoe grenzen

zijn: beweeglijk als een touw en vast

als een honk. Maar ik wist nog

hoe je stem klonk. Hoe vaak

 

droomde ik niet van jou tijdens

nachtelijke picknicks voordat de regen

begon en het prikkeldraad tot

niemandsland uitgerold. Er bestaat

 

een plek waar we allebei niet kunnen wonen.

Het werd een gat in de tijd, zo veel

andere dingen gingen er verloren

dan de oorkondes die ons scheidden.

 

 

Maandag 18 augustus

Een lange dag van tuffen over hongaarse en kroatische binnenweggetjes. Overal Baustellen en een slinger aan dorpjes, waar je niet harder mag dan 70, alhoewel de meeste automobilisten dat gevoeglijk aan hun laars lappen. Ik noteer driftig woorden op passerende reclameborden, die ik niet ken, in mijn schrift. We schieten zo slecht op dat het lang en breed donker is als we in Osijek aankomen. Gordana, onze hospita, heeft een nieuwe hond uit het asiel, die ze angstvallig achter slot en grendel houdt. Vanuit de verduisterde spelonk van het huis stijgt een vervaarlijk gegrom op. “Hij is bang van iedereen, die hier langskomt,” verduidelijkt ze. Daarna snel een blik opentrekken en in de kussens op de bank verzinken. De kroatische TV zendt alleen maar suffe amerikaanse politieseries uit.

 

Dinsdag 19 augustus

Rustdag. Een wandelingetje naar de stad, schoenen gekocht. De Vjecernji List proberen te ontcijferen, maar dat is een moeilijke krant als je de taal niet goed beheerst – als de Volkskrant of Trouw. Morgen maar een equivalent van de Telegraaf of nog beter van de Bildzeitung zien te bemachtigen.

 

Woensdag 20 augustus

Naar de stad, waar de stoeterijen van de Lippizanerpaarden zich bevinden, maar geen Lippizaner gezien. Kennelijk staan ze in de zomervakantie op stal. Wel in de enorme kathedraal geweest, met de crypte van Josip Strossmayer (1815-1905), bisschop van Bosnië met zetel in Dakovo en geboren in Osijek. Een plaatselijke grootheid dus. Achter de kathedraal bevindt zich de kloostertuin met piepkleine nonnenwoninkjes. Strossmayer probeerde katholieken en orthodoxen te verenigen en de kroatische taal en cultuur binnen Hongarije te promoten. (Kroatië behoorde tot het hongaarse gedeelte van Habsburg. De Baranja ten noorden van Osijek ging na WO I over aan Kroatië.)

 

 

Stilleven met Lippizaner

 

We probeerden pirouettes uit

op een Lippizaner om de versierkunst te

leren. Er was een oude Hongaar die wist

hoe te dresseren: dit land is vergeven

 

van amazones. De kappers hebben geen tijd

en Samsons haar maar groeien als de

manen van een schuimbekkende schimmel.

De meisjes dragen al te zware rokken

 

en groepen bijeen in kloostergangen.

Ze willen niets liever dan paarden mennen

ware dit niet een surrogaat voor

zondig zelfbevredigen. Op het land

 

wil elke Lippizaner de vleugels

strekken en iedere lintworm naar

het licht, maar slagkracht hebben alleen

zij die de flanken laten ademen.

 

 

Donderdag 21 augustus

Kiespijn. Gisteravond in een hard stuk pizza gebeten met de kies waar al een breuk in zat. Zo lang ik er niet op kauw gaat het goed. Fototoestel kwijt, waarschijnlijk in diezelfde pizzeria laten liggen, maar toen we ervoor teruggingen was het weg. Gelukkig hadden we wel bijna alle foto’s op de laptop gezet, alleen die van Dakovo zijn verloren, maar ik heb tenminste nog een schets. Naar de kapper geweest voor omgerekend 3 euro. Ik zat peentjes te zweten, biddend dat ik de kapster in mijn gebrekkige Kroatisch mijn wensen duidelijk zou kunnen maken en dat ze me niet met een vlashoofd uit die stoel zou laten. Door de stationsbuurt gezworven, die vergeven is van afgebladderde, verganeglorievilla’s met verwilderde tuinen. Man met hond in het Kroatisch te woord gestaan, die onder mijn jurkje probeerde te gluren. Een zwerfster heb ik maar verjaagd met de gevleugelde woorden, die je klaar hebt voor iedere ongewenste situatie: I don’t understand. Turkse koffie gedronken in een bar met countrymuziek. Toen Dolly Partons “Here you come again” klonk, werd ik haast euforisch en was al het leed vergeten.

 

 

 Muggen en kathedralen

 

Je hebt de kappers overleefd

die met de schaar in een onbegrijpelijke

taal jongleren, maar de mooie

plaatjes zijn zoek. Je weet niet meer

 

hoe de stad er gisteren bij lag en of

de ansicht wel een bezoek waard was.

Je herinnert je kathedralen waar

bisschoppen op dode zeerollen schrijven.

 

Je verstaat je alleen met de zwervers

en de muggen hoewel je doet alsof

je de taal niet spreekt. Het station

is vele bruggen te ver. Je hebt je

 

vastgezogen als een insect. Je strijkt

voor een turkse koffie neer. Dwaze

Dolly zingt dat ze je nooit meer

wil zien. Je komt tot rust.

 

 

Vrijdag 22 augustus

Het stadje Vinkovci zou bekend zijn vanwege een liedje over een lantaarn – of stond Marlene hier soms stiekem op haar soldaat te wachten? Googelen bracht mij alleen bij “Dodi u Vinkovce”, een traditioneel patriottistisch lied, ook over een soldaat, die naar zijn geliefde in Vinkovci terugkeert. De rapversie is erg geinig. Evenmin heb ik de beroemde lantaarn kunnen ontdekken tussen de sliert in de hoofdstraat.

Het nabijgelegen Vukovar is tijdens de Servisch-Kroatische oorlog van 1991/92 (hier noemen ze dat de “vaderlandse oorlog”) vrijwel geheel verwoest en twee jaar geleden waren de ruïnes nog talrijk, maar nu is er asfalt gelegd en al veel opgeknapt. Het kersverse EU-lidmaatschap zal de Kroaten vermoedelijk geen windeieren leggen.

 

Zaterdag 23 augustus

Het tafelblad van de Baranja in de regen is even troosteloos als Walcheren op zondag. Voor de regen een wandeling gemaakt in het natuurpark Kopacni Rit, een van de grootste

wetlands van Europa. Wel de pas erin om de muggen voor te blijven! Daarna over een modderpaadje naar Tito’s datsja gereden. Al rennend een paar kiekjes geschoten voordat dazen groot als vliegtuigen zich als een bommenwerper op me konden werpen. Koffie met rakija gedronken in een ouwemannenkroeg in Bela Manastir nabij de hongaarse grens. Eten voor 5 euro in de Old Bridge Pub in de osijekse oude binnenstad, de Tvrda, in de 17de eeuw door de Habsburgers gebouwd als verdediging tegen de Turken.

 

 

Baranja Blues

 

Dit is een land dat verzinkt

In mistige vergezichten. De steden

dragen kerktorens en lantaarns waar

tevergeefs wordt gewacht. Er is een

 

staakt het vuren van kracht, maar

laaglanden willen overlopen, hun

vrouwen onder de voet terwijl de

mannen zich aan de rakija laven.

 

De barman bootst de helden op

het witte doek na. Hier wil iedereen

naar het westen op een tijdreis

van zwartwit naar kleur. De radio

 

spuugt clubhits, haar jockeys verstaan

alleen de sporen van de overwinnaars

van het succes. Hoe zeer ik ook wens

dat ik je voor de regen had gekend.

 

 

Zondag 24 augustus

Vandaag werd herdacht dat Servië op 24 augustus 1991 Vukovar aanviel. Kroatië had zich in juni onafhankelijk verklaard van Joegoslavië waarop Servië (destijds Klein-Joegoslavië) het land binnenviel, zogenaamd om de servische minderheid te beschermen, maar in werkelijkheid om het grondgebied bij “Groot-Servië” te trekken. En om de datsja’s aan de kust veilig te stellen natuurlijk.

Gordana kwam aanzetten met een literfles zelfgestookte slivovietsj, als cadeautje bij het afscheid. Hij smaakt prima.

 

Maandag 25 augustus

Mezelf vast wat moed ingedronken van Gordana’s slivo, want reizen door Bosnië is altijd weer een hele onderneming. Ik heb trouwens mijn kont nog niet gekeerd of manlief gaat met Gordana aan de kersenrakija, zo liet hij me bij aankomst in Tuzla over de telefoon weten. De busreis vanaf Slavonski Brod verliep wonder boven wonder gladjes, op het DDR-ritueel aan de grens na van alle paspoorten innemen en ze na een half uur wachten weer teruggeven, waarbij de namen werden afgeroepen als in een schoolklas. De grenswacht las bij mij Paulien. Misschien een idee om me op de Balkan voortaan bij mijn tweede naam te laten noemen. De tijd te baat genomen door de Slavonski Glas te spellen. Ik moest het echter zonder woordenboek stellen, want dat zat onderin de tas. Dan maar een vrij eenvoudig artikel lezen over de eerste schooldag van de kids, hoe je als ouder je kind daarop voorbereidt. Ik ben inmiddels al aardig gewend aan de klank van de taal, vang hier en daar wat losse zinnetjes op.

Het pension in Tuzla is in een handomdraai gevonden, aan de rand van de binnenstad, maar pal tegenover de moskee, waarvan de minaret om de paar uur aangaat. De receptionist spreekt geen Engels, zodat ik om een “pokrivac” (dekbed) vraag na mijn woordenboek eindelijk uit de tas te hebben opgediept. Ik eet mijn broodresten op de kamer op en spoel ze weg met de slivo. Daarna maak ik een avondwandeling door de stad. Er zijn veel mensen op straat, vooral veel jeugd. Er is een groot, rechthoekig plein; van daar waaieren de straatjes in de vier windrichtingen. Ik kom uit bij een soort islamitische Arc de Triomphe. In het stadspark staat een massief standbeeld van Tvrtko, de eerste bosnische koning aan het einde van de 14e eeuw. Na een uurtje heb ik alles wel gezien en keer terug naar mijn kamer.

 

Dinsdag 26 augustus

Ik werd geradbraakt wakker, die minaret begon verdorie al om 5 uur te jengelen! De hele ochtend in bed gelezen in Joe Sacco’s stripverhaal over de enclave Gorazde, net als Srebrenica safe area en onder de voet gelopen door de Serviërs, echter wel onder een gelukkiger gesternte omdat daar geen genocide plaatsvond. Toen genoeg ellende gelezen en de stad in, voornamelijk om op terrasjes te zitten, want het was warm. En om boekhandels af te struinen, maar de engelstalige collectie is niet veel soeps, allemaal boeken over de koran en hoe als een godsvruchtig moslim te leven.

Ik heb de TV tegenover mijn bed ontdekt met wel 40 kanalen – regionale, turkse, servische en kroatische zenders. Nu zuig ik alles wat zich op het kastje afspeelt in me op terwijl ik driftig woordjes in mijn schrift noteer.

 

Woensdag 27 augustus

Een miezerige dag vandaag. Ik ging een stukje buiten het centrum wandelen, naar de islamitische begraafplaats van waar je een aardig uitzicht over de stad hebt en in de diepte het zoutmeer kunt zien liggen (Tuz is Turks voor zout). Ik had gezelschap van een zwerfhond, die wat tussen de kiezels op de graven wroette. Toen ik de begraafplaats aan de andere kant van de berg weer verliet, stuitte ik op een stoet, gevolgd door een sliert auto’s van het woon-werkverkeer en een enkele ongeduldige toerist. Uit nieuwsgierigheid volgde ik de sjokkende menigte. Een tandeloze man riep me iets als “Allah zij met u” toe, als ik het tenminste goed heb begrepen. Ik ontsnapte met enkele anderen door een gietijzeren poortje naar weer een andere begraafplaats, een gemengde blijkbaar, want er waren ook graven met kruizen. Daar kwam de stoet het terrein opgezwenkt. Ik zat vanaf een afstandje op een bankje toe te kijken. De kist werd in het graf gehesen, er werden planken op gelegd, de aanwezige mannen pakten een schop en begonnen het graf te delven, waar ze een aardig tijdje zoet mee waren. Daarop zong de imam nog een gebed en toen was het voorbij. Ik dwaalde verder over een volgende begraafplaats, een orthodoxe deze keer, en kwam langzaam afdalend in een park met borstbenen van Tito en zijn stromannen, gedenkstenen uit de Tweede Wereldoorlog, een monument uit de laatste oorlog, de begraafplaats van de 71 jongeren, die omkwamen bij een granaataanval op het marktplein op 25 mei 1995 én, heel curieus, een rots met een tekst van Herman van Veen, die in de vertaling ongeveer als volgt luidt: Liefste/het leven is als sneeuw/je kunt het niet vasthouden/maar het is een troost/dat jij er was/dagen maanden jaren.

 

 

Jong als een hond

 

Deze stad danst op het zouten

van de doden. Hier is het elke

dag feest zo lang de zon maar

schijnt. Als het regent kom je

 

me als een hond te na. Je wroet

in mijn leven dat dag na dag

sterft als onbevlekte sneeuw.

Je krioelt in mijn huisvesting

 

die vergankelijker bleek dan mijn

jeugd. Is dat een manier van vergeving

of geven om? Dat je aan me denkt

zegt al genoeg. Misschien kun

 

je me nat zoenen, het stof van

mijn botten likken, maar of

je mij je adem kunt schenken?

Eigenlijk lig ik hier wel goed zo

 

ik word herdacht, er worden

kaarsen gebrand. Liefde is geen

gebrek meer. Ik heb alles, maar

geen vlees meer aan mijn tanden.

 

 

De avond gevierd op de kamer met een fles wijn en Grease op TV. De stad, vooral bij avond, is me te druk, te vol en te lawaaiig. Voor de gastronomie zijn er alleen cevapcinicas, waar geen alcohol wordt geschonken, of de meer “westerse” restaurants, die vroeg sluiten waarop je bent aangewezen op de in blauw en groen neonlicht badende jongerenclubs. Geen pubs, Gasthöfe of Grand Café’s, waar je, nadat je je eten op hebt, nog uren kunt blijven plakken.

 

Donderdag 26 augustus

De poetsvrouw heeft al mijn lege spaflesjes meegenomen, die flesjes dus waar ik mijn drank in bewaar, want handzamer te vervoeren dan een slivo- of wijnfles. Tja, in dit milieu-onvriendelijke land wordt kennelijk niet aan recycling gedaan. Dus moest ik erop uit voor nieuwe waterflesjes, waarvan ik de inhoud maar amper kreeg weggeklokt.

De berg aan de andere kant van de stad beklommen. Ook hier veel onbewoonbare bouwvallen. Daarna een bankje opgezocht in het stadspark om een tekening van Tvrtko te maken. Binnen de kortste keren was ik omringd door straatschoffies, die elkaar opdringerig nieuwsgierig verdrongen om te kijken wat ik aan het doen was. Die kinderen hier zijn hondsbrutaal, eentje wist een krijtje te bemachtigen en hield er een aansteker bij. Vanmiddag op het terras werd ik ook al door twee langsrennende rotjochies uitgelachen terwijl ze met hun vingers een uilenbril op hun gezicht tekenden. Dit lijken wel de “kutmarokkaantjes” van thuis.

 

Vrijdag 27 augustus

Weer een lange busreis achter de rug, via Zvornik naar Srebrenica. Voor mijn gevoel is dit vreselijk om, maar zeker weten doe ik niets, want ik heb geen kaart noch internet met google maps tot mijn beschikking en ben geheel en al overgeleverd aan de bosnische wildernis. De buschauffeur bracht me helemaal tot aan het pension, dat dan weer wel.

Tijdens mijn wandeling kort na aankomst viel me op dat Srebrenica er lang niet slecht bij staat, zeker in vergelijking met Tuzla, waar alles oud en kapot is en niets het doet. De Rudarskaflat – vorig jaar nog een halve bouwval – zag er redelijk bewoonbaar uit en de lantaarnpalen hadden een nieuw likje gekregen. Het stadje maakt toch een minder verpauperde indruk dan Tuzla en afgezien van die bespottelijke waterscheiding tussen moslims en orthodoxen is het er eigenlijk best plezierig toeven, vooral als je gepensioneerd bent en/of van rust houdt. Hier geen schoffies en bedelende bejaarden op straat. Op de weg terug naar het pension werd ik vergezeld door een jong teefje, dat enthousiast rond mijn enkels danste.

 

Zaterdag 30 augustus

Vooruit dan maar. Ik heb slechts tot woensdag de tijd en Sefkija – mijn collega in het Srebrenicacomité – heeft geregeld dat ik met diverse mensen zou kunnen praten, waaronder zijn zus, die een aantal jaar in Nederland heeft gewoond, maar definitief naar S. is teruggekeerd. Daarvoor moet ik echter gebruik maken van de telefoon en mijn beltegoed is weer eens op. Bovendien moet ik ook nog naar het kantoor van de Eurolines bellen om mijn reservering op de bus terug naar Utrecht te bevestigen. Dan maar bij de receptie vragen of ik mag telefoneren. Fadila, Sefkija’s zus, spreekt gelukkig Nederlands en we spreken af dat ik haar die avond zal bezoeken, nadat ze me een routebeschrijving naar haar huis heeft gegeven. Sarajevo gaat een stuk moeizamer. De man aan de telefoon blijkt geen woord Engels te spreken en ik zou echt niet weten hoe ik hem in het Bosnisch zou moeten duidelijk maken dat ik een reservering wil maken voor de bus naar Utrecht, die donderdag om 4 uur vanuit Sarajevo vertrekt. Avdo, de pensionbaas die wel uitstekend Engels spreekt, neemt de hoorn van mij over. “Laat mij maar even,” gebaart hij en in een handomdraai is het geregeld. Ik uit mijn verbazing over het feit dat een medewerker van een internationaal busbedrijf als Eurolines niet eens Engels spreekt. “Dat is Bosnië,” fulmineert Avdo. “Je hebt hier mensen die zich niks van de rest van de wereld aantrekken. Hoe willen we dan ooit bij de EU gaan horen?”

Op mijn kamer doe ik mijn spierversterkende oefeningen en een kwartier rennen-op-de-plaats, zoals ik dat gewoon ben te doen, op dinsdag, woensdag en zaterdag, ook in het buitenland en tijdens de feestdagen. Ik ben een gestructureerd typje. Maar ook kan ik iets van de spanning ontladen, die ik voor het bezoek aan Fadila ervaar. Ik ben nl. niet goed in eerste kennismakingen, waarbij ik altijd sta te schutteren alsof ik net van een onbewoond eiland kom. Uit mijn transistorradiootje klinken servischnationalistische liederen op. Getverderrie. Gelukkig vind ik na even aan de frequentieknop draaien een “normale” zender met gewone muziek waarop ik mijn oefeningen kan doen. Daarna ga ik de stad in voor een kop koffie in het café boven het warenhuis. Op mijn tafeltje ligt een krant in cyrillisch schrift, maar de ober komt al met de Blic aangesneld, de nationale krant van de Republika Srpska, die wel in latijns schrift is. Ik eet een goulash bij Restoran Alic, juist omdat daar geen alcohol geschonken wordt en ik niet in de verleiding wil komen om me moed in te drinken. Ik weet niet eens of ik Fadila’s huis wel kan vinden, het is nr. 31 aan de weg van de moskee naar het pension, had ze gezegd, maar de huisnummers zijn niet zichtbaar aan de voorkant. Ik loop iets te ver door, maar dan zie ik 33 op een huis geschilderd. Fadila verwelkomt mij in de deuropening en biedt me meteen koffie en een sigaret aan. Ik ga er eens goed voor zitten, want ik brand van nieuwsgierigheid en zij is nu mijn toegang tot het Srebrenica van voor, tijdens en na de oorlog. Uiteindelijk zitten we tot een uur ’s nachts te praten. “Kijk, ik kan ook Nederland ontvangen,” zegt ze trots, “daar kijk ik af en toe naar om mijn Nederlands bij te houden.” Het is een of andere NOS-zender voor expats; op dit moment is er een André van Duinshow gaande. Wat een idiote gewaarwording om in Srebrenica naar André van Duin te zitten kijken!

Fadila woonde van 1992 tot 1998 in Roermond, maar is met haar man na het dodelijke auto-ongeluk van haar zoon Samir naar Srebrenica teruggekeerd. Haar man is afgelopen januari overleden. “Net als de vader van de pensionbaas,” weet ze. “Nee toch?” schrok ik. “Die heeft me vorig jaar naar de bus gebracht en en passant nog mijn Bosnisch verbeterd.”

Haar andere zoon woont nog steeds in Nederland. De winters brengt ze in Sarajevo door, want het stoken met hout is niet te doen met haar zwakke hart. Terug naar Nederland wil ze echter niet. “Niet nog weer verhuizen en door die hele molen te moeten.” Ze praat met heimwee over het Srebrenica van voor de oorlog: “Toen was het een bruisende stad. Nu is hier niets meer. In deze straat wonen alleen maar vrouwen zonder man. Er zijn sowieso alleen maar oude mensen. Ze doen niets, ze wachten en ze gaan dood.” Over de oorlog zegt ze slechts: “Dat is allemaal politiek.” Gaandeweg zal ik erachter komen dat dat een gevleugelde uitspraak op de hele Balkan is voor alles wat niet deugt, ondoorzichtig en onbegrijpelijk is.

Toch zeg ik: “Ik snap het niet. Hoe kan de politiek nou besluiten om oorlog te gaan voeren als de mensen dat niet willen? Stel je voor dat in Nederland Wilders besluit om de moslims te gaan uitroeien!”

“Nee, wij snappen het ook nog steeds niet,” verzucht ze. “Maar een heleboel mensen weten niets. Het is een hemelsbreed verschil of je uit een dorp in de vlakte komt, in Nederland, de Baranja of zelfs Noord-Bosnië, of uit de bergdorpen hier. Daar kunnen de vrouwen lezen noch schrijven. De mensen zien hun hele leven niets anders dan dat ene dorp.” Ze vertelt dat ze gehoord had van een dorp, dat zo geïsoleerd lag dat de oorlog er compleet aan was voorbijgegaan! Zelf was ze al redelijk aan het begin van de oorlog in 1992 met haar gezin gevlucht, in eerste instantie naar vrienden in Servië. De sfeer onder de Serven in Srebrenica werd steeds grimmiger, haar kinderen kwamen met vreemde verhalen van school thuis. Ze gaan ons allemaal vermoorden, dacht ze op een gegeven moment. Ze vertelt dat er tijdens de oorlog in de kamer, waar we nu zitten, wel 40 mensen huisden. Toen er een granaat op het dak terechtkwam, waren ze allemaal dood. Ook vertelt ze dat de enige katholiek, die op de begraafplaats in Potocari ligt, - Rudolf Hren – de man was van haar jongste zus.

Ik vraag hoe zij de verhouding tussen moslims en serven vandaagdedag ervaart. Ik vertel haar dat ik vorig jaar in de servische kroeg werd vergast op nationalistische liederen. “Och, ze provoceren graag een beetje,” zegt ze schouderophalend. “Maar het is hier volkomen veilig. Verder bemoei ik me niet met politiek,dat is slecht voor mijn hart.”

Het loopt tegen enen, de asbak is vol en ik ben moe. “Wanneer kom je weer?” vraagt Fadila gretig als ik opsta. “Morgen?” Ik krijg de indruk dat ik op dit moment haar enige verzetje ben. Ik zeg dat ik niks kan beloven, maar dat ik zeker terugkom.

 

Zondag 31 augustus

Ik ben laat wakker, want vannacht nog tot 5 uur op geweest om zo veel mogelijk notities te maken van alles wat Fadila gezegd heeft. Het is warm en broeierig, er lijkt onweer in aantocht. Als ik op het terras van het pension een turkse koffie drink, komt er inderdaad een schip met zure appels aan, maar als ik later weer op mijn kamer zit, breekt de lucht dermate open dat ik besluit om een wandelingetje te wagen. Naar het voormalige hotel boven de stad, waar moslimcommandant Naser Oric zijn hoofdkwartier had en verder naar het dorpje achter de eerstvolgende berg, Srebrenik. Als ik terugkom bij Nasers burcht, is een volgend schip met zure appels in aantocht. Ik sta in dubio: ga ik snel terug naar het pension, of wacht ik de bui hier af? Ik kan schuilen in het hotelgeraamte, want er zit nog een dak op. Ik maak eerst een tekening van het uitzicht. Recht voor mij schieten gele tongen uit het wolkendek. Dan besluit ik om toch maar op te stappen, voornamelijk omdat de schemering begint te vallen en ik niet in het donker over die steile trappetjes wil. Ik ben koud beneden of de bui barst los. Ik vind onderdak in een ruïne, die tevens als “parkeergarage” dienst doet. Het water stroomt van het open karkas af en het duurt niet lang of de straat is in een modderpoel veranderd, maar ik sta droog. Als de regen minder wordt, stroomt de modder nog altijd door de straat – goed dat ik mijn slippers aan heb. Het is donker als ik het pension bereik. Of ik nog iets kan eten. Onder de dreunende TV neem ik de kaart door en vertel mijn keuze aan de serveerster. “Dat hebben we niet,” is het antwoord. “De keuken kan wat vlees, groente en friet voor u bereiden.” Goed, ik snap het al: het kliekje van het huis wegens een gebrek aan klandizie. Ik ben de enige gast in het restaurant en het zou me niks verbazen als ik de enig overgebleven gast in het pension überhaupt ben. In combinatie met de miezerige donkerte buiten de uitgelezen cocktail voor een Hotel Californiagevoel en Zondagavonddepressie. Na het eten kijk ik TV op mijn kamer, maar het aanbod is schraal, slechts 10 kanalen en meer dan de helft vertoont rotzooi. Ik ga echter niet naar Fadila, ik heb geen zin om weer door de regen te moeten en eigenlijk ook niet om het weer zo laat te maken. Morgen vroeg op, want ik moet ook nog langs een paar officiële instanties, die Sefkija me had opgegeven.

 

 

Hotel Zilverstad

 

Hier kom je om te sterven, zegt

ze en steekt het hart aan. Het hout

kruipt bergop tot aan haar

voordeur, maar om het vuur aan te

 

jagen heb je een blaasbalg en een

sterke hand nodig. Ze kluunt

door het bestaan. Het voormalig

hotel bij de thermale baden is

 

volgeboekt met kadavers. Je komt

er voor je rust sinds de doden

niet praten en de levenden de regen

vrezen. Het uitzicht wordt al

 

jaren niet meer afgestoft: ze kan

zich zijn gezicht nauwelijks nog

herinneren. Voor een talisman

is ze te oud. Langzaam wordt het

 

koud. In dit hotel waar ze de

enige gast is droomt ze met de deur

altijd open. Vooral ’s nachts komen ze

bij hopen. Gelukkig is de winter hard.

 

 

Maandag 1 september

Beetje te lang met Avdo de pensionbaas op het terras zitten ouwehoeren, maar ja, er was niemand anders om mee te praten, aangezien ik nog steeds de enige gast lijk te zijn. In mijn kamerraam ook al geen enkele activiteit te bespeuren: drie honden die op een rij liggen te dommelen in een waterig zonnetje. Het weer is wel iets opgeknapt. Avdo vertelt dat hij voor deze zomer veel afzeggingen had vanwege de overstromingen en de nogal chaotisch verlopen massademonstraties van begin dit jaar. “Daar hoor je nu niemand meer over,” zeg ik. “Die aandacht is mooi afgeleid door de overstromingen.” Avdo gaat er eens goed voor zitten. “Nu is het nog mooi weer en maken de mensen zich niet druk. Maar als de winter invalt, wordt alles anders. Volgende maand zijn er verkiezingen en als er daarna niets verandert, breekt de hel los. De politici houden zich nog opvallend stil, want niemand durft de vingers te branden. Maar dit kan zo niet doorgaan, door de overstromingen is 60 % van de economie verwoest. Moet je je voorstellen, dat zou in Duitsland al rampzalig zijn, laat staan hier, waar we al niet veel economie hadden. En die politici, ik weet niet wie ze zijn of wat ze doen. Moet je kijken hoe Srebrenica erbij ligt. Er zou een groot winkelcentrum in het oude hotel komen, maar Dodik was erop tegen. Maar nog niet alles is verloren, volgende week krijg ik een turkse delegatie, die komt onderhandelen over investeringen voor een nieuwe weg door de stad.”

Zodoende was ik een beetje laat bij het Dom Kulture, waar ik met een man van de radio moest spreken, wiens naam ik van Sefkija had gekregen. Na veel vijven en zessen wisten een paar engelssprekende dames mij te vertellen dat de bewuste meneer met pensioen was. “De radio gaat sowieso om 2 uur uit de lucht en het is nu na tweën,” zei één van hen. Ik zei dat ik morgen voor tweeën terug zou komen. De moed zonk me weer in de schoenen. Dan helpt alleen nog tegen de berg opklauteren om mijn frustratie eruit te zweten. De zon stak. Het was nog niet echt opgefrist na het onweer van gisteren. Ik liep weer terug de berg af (hier kun je alleen maar heen en terug, op en af, want er is steeds maar één pad naar boven en van de paden af durf ik niet vanwege de mijnen) en sloeg het pad naar de Guberbronnen in. Aan het einde van het pad, bij het resort dat nog steeds in de steigers staat en volgens Avdo nooit afgebouwd zal worden omdat de projectontwikkelaar zich heeft teruggetrokken, ging ik zitten nadenken op een steen. Ik besloot om die avond bij Fadila langs te gaan voor hulp, maar eerst wat eten in Restoran Bato. Ik zat te wachten op mijn hoofdgerecht toen een man mij in het Engels vroeg waar ik vandaan kwam, toen schakelde hij op het Nederlands over. Toevallig verblijft hij in Utrecht als hij niet in Srebrenica zit, waar hij een bedrijf op een industrieterrein 10 kilometer verderop heeft overgenomen. Er werken moslims en orthodoxen in zijn zaak. Hoe of dat dan met de onderlinge samenwerking gaat, wilde ik weten. “Dat gaat wel redelijk, maar samen carpoolen doen ze dan weer niet,” antwoordde hij. “En als ze het niet meer leuk vinden, stoppen ze er weer mee. Wat een arbeidsmoraal. Maar geld krijgen ze toch wel, dat komt allemaal uit Nederland of Turkije.”

Plotseling vroeg hij me naar mijn mening over de oorlog, maar onderbrak me met: “Het is helemaal niet zo dat de Serven de grote booswichten zijn. Die moslims doen wel zo zielig, maar niemand maalt om de 1000 Serven, die zijn afgeslacht en een stukje verderop ieder jaar worden herdacht.” (Hij had een servische vriendin.) En: “Karremans was een slapjanus en die Dutchbatters zijn gewoon in hun onderbroek weggerend. Ze hadden toch op zijn minst een paar kogels op een tank kunnen afvuren. Nee, ze hebben hier geen beste indruk achtergelaten.” Ik vroeg hem of hij iets had gehoord over het museum, dat op de compound ingericht gaat worden. Hij haalde zijn neus op. “Ik geloof niet dat hier ook maar iemand daarop zit te wachten.”

Zijn mobiel ging, ik at snel af en zei dat ik nog naar iemand toe moest.

Fadila pleegde een paar telefoontjes en het was in kannen en kruiken. Morgen om elf uur heb ik een afspraak met de man van de radio. Ze liet me de tekeningen van haar overleden zoon zien, die student bouwkunde was. Ik ging deze keer niet zo laat op het pension aan. Het was weer begonnen te regenen.

 

Dinsdag 2 september

Mijn transistor begon al redelijk vroeg te jengelen. Al wat ik op de radio hoorde was kisa kisa, regen regen en nog eens regen. Ik trok het gordijn open en het regende. Bovendien was het schemerig als op een ochtend in november.

“Ik denk dat de winter vroeg komt dit jaar,” zei Avdo toen ik mijn koffie naar binnen slurpte. “Zo donker is het normaal gesproken pas in oktober.”

Ik had met Fadila en de radioman afgesproken in het café naast Dom Kulture. Alle aanwezige hoofden draaiden zich bij mijn binnenkomst om en keken me na terwijl ik naar een tafeltje liep. Fadila en de radioman waren er nog niet. Fadila kwam luttele ogenblikken later, op haar paasbest gekleed. “Ik blijf niet om te tolken, hoor,” zei ze terwijl ze het plastic kapje van haar hoofd nam. De moed zonk me in de schoenen. Ik had daar min of meer wel op gerekend. Hoe moest ik met mijn summiere taalkennis nu iets boven tafel krijgen over het culturele leven in Srebrenica?

De man van de radio kwam; hij en Fadila staken meteen een sigaret op en Fadila bood mij er ook een aan, maar ik ben een avondroker, dus ik bedankte. Ik boog me over mijn blocnote en wilde meteen ter zake komen. “Tuttut,” zei de radioman, “eerst koffie.” O ja, we bevinden ons immers in Bosnië. Hij beklaagde zich er bij Fadila over dat zijn pensioengeld nog niet was uitgekeerd, hoewel hij al meer dan een jaar geleden met pensioen was gegaan. Toen stond Fadila op en liet ons alleen. De radioman nam me mee naar zijn kantoor. Ik vroeg hem om iets over de radiozender van Srebrenica te vertellen. Voor zo ver ik heb kunnen opmaken zei hij dat er twee radiozenders waren en toen nam hij me mee naar de nok van het gebouw. Ik begreep dat we naar de directrice van het Dom Kulture gingen. Toen ik tegenover haar zat en zij mij afwachtend aankeek begon ik opnieuw peentjes te zweten terwijl ik mijn geheugen afgraasde, op zoek naar adequate bosnische woorden. Ik vroeg haar maar om wat over het culturele leven in Srebrenica te vertellen. Het voordeel van Balkanezen is dat ze vaak ellenlange monologen afsteken (Milosevic was er berucht om), waarbij jij als toehoorder alleen maar hoeft te luisteren en af en toe instemmend te knikken. Af en toe maakte ik een aantekening. Ik begreep dat het culturele leven voor moslims en Serven strict gescheiden was. Dat er aan alles een tekort was, vooral aan geld. Het was nema zus en nema zo (we hebben geen...) wat de klok sloeg. Na een ruime 20 minuten werd ik uitgelaten en ik wandelde terug naar het kantoor van de radioman, althans, daar zou hij me opwachten als ik het allemaal goed had begrepen. Hij hees zich in zijn jack en we doken de gutsende regen in. Mijn bange vermoeden werd bewaarheid: hij bracht me naar die uiterst “vriendelijke” en “behulpzame” NGO van vorig jaar. De hoofdbitch kende me nog. Maar weer kwam ik op een ongelukkig tijdstip aangewaaid, want er werd een delegatie uit Banja Luka verwacht. Ik gaf haar het lijstje met namen, dat ik van Sefkija had gekregen en zei dat ik deze vrouwen wilde spreken, dat ze me alleen maar hoefde te laten zien waar ze woonden. Ik moest Sefkija’s naam wel drie keer noemen voordat ze accoord ging. “Als je nog vragen aan ons hebt, moet je ons later maar mailen. Ik geef je het mailadres,” zei ze, nu iets toeschietelijker. (Dat heb ik gedaan zodra ik thuis was waarop men mij naar de site van de gemeente verwees, die in het Bosnisch is en waar alleen wat algemene informatie op staat. Dit is bespottelijk. Ze willen niet dat ik daar rondneus, dat is me nu wel duidelijk geworden.)

Een jonge vrouw liep met me mee naar de Rudarskaflat en klopte bij het appartement van een van de vrouwen aan. Er werd niet opengedaan, ook niet na een tweede keer kloppen. “Ik kom later wel terug,” zei ik tegen de vrouw, die gelukkig een beetje Frans sprak, “ik weet nu waar het is.”

Ik besloot naar Mile’s kroeg te gaan voor koffie en daar een aantal vragen in het Bosnisch op papier te zetten, zodat ik op dit intervieuw tenminste goed beslagen zou verschijnen. Een uurtje later stond ik weer voor de deur. Nog steeds geen reactie. Een buurman kwam de trap op. Hij wist te vertellen dat mevrouw naar de dokter in Tuzla was. Wanneer of ze terug zou komen. Dat wist hij ook niet, maar gezien de regen en het moeizame reizen in Bosnië schatte ik in dat dat zeker niet meer vandaag zou zijn. En ik had er eigenlijk niet nog een monoloog in het Bosnisch bij kunnen hebben. Nu merkte ik pas hoe uitgeput ik was van alle intervieuwactiviteiten omdat ik steeds het gevoel had dat mijn aandacht geen moment mocht verslappen. Buiten was het even droog. Ik maakte van de gelegenheid gebruik door naar Nasers burcht te klimmen om daar nog een tekening van het uitzicht te maken en het een en ander te overdenken. In ieder geval had het een en ander me wel een beter inzicht gegeven in de bosnische samenleving, waar kennelijk alles draait om connecties binnen de familie.

Toen het begon te regenen, daalde ik weer af. Eerst naar de bar boven het warenhuis voor de krant, koffie en rakija. Daarna trok ik de stoute schoenen aan en ging eten in Mile’s kroeg. De baas stond zelf achter de toog, hij herkende me en begroette me hartelijk. Hier was ik tenminste welkom, wat kon het mij dan nog schelen dat het een hol van servische oorlogsmisdadigers was. Hoewel, zeker weten deed ik dat natuurlijk niet. En na gisteravond begreep ik dat de troepen van Naser ook heel wat op hun kerfstok hebben. Mile vertelde dat hij de oorlog in Bratunac had doorgebracht, een servisch bolwerk, maar dat zegt nog niks, want daar zullen ook wel vluchtelingen hebben gezeten. Het was een vrij rustige avond in het café. Samen met een oudere man keek ik naar “Srbija’s got talent” op TV. Hij vroeg of ik kon verstaan wat de kandidaten zongen. Ik zei eerlijk dat ik er niets van verstond omdat ze zo’n galm in hun stem hadden. “Dat is volksmuziek,” zei hij. Ik zei er maar niet bij dat – de muziek althans – mij nogal Turks in de oren klonk.

Toen hij weg was, schonk Mile me nog eens bij, stak een kaarsje aan en kwam tegenover me zitten. “Nu is het tijd voor romantiek,” sprak hij opgeruimd. Of ik mee naar zijn huis ging. “Waarom? Heb je geen vrouw?” vroeg ik. Die had hij wel, maar dat vormde kennelijk geen probleem. Ik blijf me over bosnische mannen verbazen. Ik vroeg hem op de man af of het normaal is om mij te versieren terwijl hij thuis een vrouw heeft. “Ik kan het toch altijd proberen,” zei hij schouderophalend, maar gaf desalniettemin zijn poging op, wat mij ineens deed vermoeden dat het bij die Bosniërs gewoon een versierritueel is, dat even afgewerkt moet worden. Ik zei hem dat ik Bosniërs ken, die er niet over zouden peinzen om een ander naast hun vrouw te versieren. “Dat is niet normaal,” gaf hij. “Maar wel nobel.” Hij zette me even later keurig bij het pension af. Als dank zoende ik hem op de wang.

 

 

Hoveling bij kaarslicht

 

Hij is de spil van dit gat

voor ouderen der dagen zat

voor mannen met oorlogswonden

die werkeloos zitten te roeren

 

schalt het uit de kelen om wanhopig

traanjenever. De regen fluistert schuld

de platanen dromen hardop terwijl de roes

over de dodenakkers zweeft. Hij vult

 

de glazen, de liefde heeft zijn normale

loop hernomen. Even later wil hij

dineren bij kaarslicht, daarna de wax

op mijn billen laten sissen. Ik vraag

 

of het normaal is dat mijn kozakkenman

keer op keer zijn laars in mijn mond

plant maar met de hand boven het laken.

Soms praten we met elkaar, ook al

 

zegt hij niets anders dan laat mij

de kaarsendover. Witte wieven houden

de wacht. Normaal is het niet

zegt mijn hoveling, maar wel nobel.

 

 

Woensdag 3 september

Mijn laatste dag in Srebrenica. Ik twijfelde of ik nog bij de Rudarskaflat zou kijken of de bewuste mevrouw van de dokter terug was, maar het regende nog altijd pijpestelen en ik had voor mijn vertrek genoeg te doen, zoals geld pinnen voor de kamer, proviand inslaan en afscheid nemen van Fadila. Maar eerst nog boven een kop turkse koffie een boom opzetten met Avdo. Ik trof hem in de keuken achter de spoelbak aan. Toen hij mijn koffie bracht, vroeg ik wat de mensen hier vinden van de komst van het zogenaamde “Dutchbatmuseum”, zoals het in de wandelgangen is gaan heten, hoewel het gewoon een tentoonstelling betreft van de reconstructie van de gebeurtenissen en niet alleen vanuit het oogpunt van Dutchbat. Daarop begon hij een uiteenzetting over het “plan” van de EU en Amerika met Bosnië. Dat de Dutchbatters slechts pionnen in dit “plan” geweest waren. “Die blauwhelmen deden niets anders dan toekijken en notities maken van wat er gebeurde. Ze konden ook niet anders. Het was in het belang van Amerika en de EU om Bosnië op te delen, anders hadden ze ons wel wapens gestuurd om de Serviërs te verjagen. Maar het Westen zat niet te wachten op servische vluchtelingen, dan zouden ze stront met Rusland krijgen. Er ligt een plan klaar om Bosnië in 2022 tot de EU te laten toetreden. Er worden mondjesmaat investeringen in Srebrenica gedaan, al heeft Dodik dat nieuwe winkelcentrum weten tegen te houden. Er waren demonstraties, die zijn nu weer een beetje weggeëbd, want in de zomer is het mooi weer en maken de mensen zich niet druk. Maar de politici houden zich opvallend stil, ondanks de naderende verkiezingen. Niemand wil zijn vingers branden, maar er moet iets veranderen, er moeten hervormingen komen, anders breekt er een volksopstand uit. Nu regent het weer en de winter zal extra zwaar zijn, want veel mensen hebben niets meer door de overstromingen...”

Mijn blik dwaalde naar buiten, waar de regen op de terrastafeltjes hamerde. Een taxi stopte en een jonge vrouw op gympjes en met een rugzak sprong eruit. Avdo haastte zich om de deur voor haar te openen. “Finally I got here,” verzuchtte ze. Kijk aan, nog een gast. Ik maakte van de gelegenheid gebruik door me te verexcuseren en de stad in te gaan om te doen wat ik moest doen. Zoals op alle voorafgaande dagen waren mijn schoenen en sokken binnen twee tellen doorweekt. Maar goed dat de temperatuur toch nog steeds boven de 20 graden was, dat dan weer wel. Na het bezoekje aan de pin en het warenhuis klopte ik bij Fadila aan. “Kom, ik moet je iets laten zien,” zei ze. Een potkacheltje met een glazen deurtje waarachter een blok hout lag te smeulen. Van Avdo had ik begrepen dat er voor de oorlog een plan lag om de stad van centrale verwarming te voorzien – nu was er vanzelfsprekend geen geld en wat zou het ook, geen gebrek aan hout.

“Ik denk dat ik aan het einde van de week naar Sarajevo ga,” verzuchtte Fadila. “Het belooft niet veel goeds als ik nu al de kachel moet aanmaken. Ik ben ziek, ik moet het rustig aandoen. En als mij wat overkomt wil ik niet in de Servische Republiek zijn, ik wil nooit van mijn leven door een servische dokter geholpen worden.” Zo groot is het wantrouwen dan ook wel weer. Ze liet me ook weten eigenlijk geen Nederlands meer te spreken, “alleen met jou, want jij bent speciaal.” Ik vatte het maar als een compliment op, daarop drukte ze me tegen haar borst en wuifde ik voor een laatste keer vanonder mijn paraplu naar haar.

Avdo bracht me naar het busstation. Ik condoleerde hem met zijn vader, want ik had van Fadila begrepen dat hij kort na haar man was overleden. Ik herinnerde me dat hij me vorig jaar naar het busstation had gebracht en op de valreep nog een paar bosnische volzinnen geleerd.

De lokettiste begon driftig te gebaren toen ik om een kaartje naar Sarajevo vroeg en zei dat ze eerst moest bellen. Vervolgens ratelde ze een heel verhaal af, waaruit ik na veel “Ne razumijems” (ik begrijp het niet)  kon opmaken dat ik met de bus naar Konjevic Polje moest en daar overstappen op de bus naar Sarajevo. Het zweet stond opeens op mijn ruggegraat, want overstappen kan makkelijk misgaan, zeker wanneer de haltes zich niet op dezelfde plek bevinden, naar ik nu begreep. Ik vroeg de lokettiste om het voor me uit te tekenen. “Maar,” zei ze met haar pen in de lucht, “laten we eerst afwachten of de rechtstreekse bus komt.”

Wat een gedoe om niets, want de bus naar Sarajevo kwam gewoon aangereden. Ik haalde opgelucht adem en maakte het me gemakkelijk. Nu kon ik de eerstkomende uren met mijn krantje en mijn woordenboek achterover leunen. Helaas, in Bosnië kun je nooit ergens zeker van zijn. Na zo’n drie kwartier stopte de bus ergens in godverlaten middle of nowhere. Hij bleef wel erg lang stilstaan en mensen gingen stapten uit om te roken. Dat deed ik op een gegeven moment ook maar, dan kon ik tenminste uitvinden wat er aan de hand was. Daar stonden we dan nerveus te paffen onder een druipend afdakje terwijl de chauffeur druk gebarend in zijn mobiel schreeuwde. Ik probeerde de gesprekken om me heen op te vangen, het enige wat ik verstond was “taksi, taksi”. Ai, dat klonk niet goed. Ik klampte een oude man aan, die even daarvoor een scheldkanonnade ten beste had gegeven en zei hem dat ik heel dringend naar Sarajevo moest. “Kom met mij mee,” zei een jonge vrouw met een hoofddoekje in het Engels. “Er komt zo een andere bus.”

In Han Pijesak moesten we opnieuw van bus verwisselen. “Deze gaat toch wel naar Sarajevo?” vroeg ik bezorgd aan het hoofddoekje.

“Waar moet je naartoe in Sarajevo?”

“Naar het centraal station, of eigenlijk de oude stad.”

“Deze bus gaat naar Sarajevo-Oost, dat is niet in de Federatie. Maar dat is allemaal politiek,” voegde ze er haastig aan toe.

“Ja goed, maar gaan er van daaruit wel taxi’s naar de oude stad?”

“Natuurlijk,” stelde ze me gerust.

Toen we Sarajevo binnenreden tikte ze op mijn schouder. “Ik heb de buschauffeur gevraagd om in Grbavica te stoppen, daar woon ik. Dat is ook niet ver bij jouw hostel vandaan. Kom maar met mij mee.”

“Is daar wel een taxistandplaats?” vroeg ik bezorgd.

“Dat vragen we wel.”

“Aan het einde van de straat,” gebaarde ze nadat we waren uitgestapt en ze een voorbijgangster had aangeklampt.

De weg liep heuvelafwaarts en er leek geen einde aan te komen. We kwamen op een brede ringweg uit, maar geen taxistandplaats te bekennen. “Hoe ver is de Bascarsija eigenlijk vanaf hier?” vroeg ik. Uit de uitleg van het hoofddoekje begreep ik dat het zeker twee kilometer was en dan moest ik ook nog weer die berg op. “Wacht maar,” zei ze, “ik bel wel een taxi.” Ze trok een mobiel uit haar tuniek en warempel, binnen vijf minuten reed de taxi voor. Ik bedankte haar hartelijk en overhandigde de chauffeur mijn rolkoffer. Nu was ik er dan ook in een wip, maar om te lopen was het inderdaad een heel eind geweest. Inmiddels was het half 10 en had ik nog niets gegeten. Aan Haris de hostelbaas vroeg ik of ik in de buurt nog iets te eten kon krijgen. “Je hebt geluk,” zei hij, “we wilden net aan een barbecue beginnen, so join us.”

Zodoende stapte ik een heel andere wereld binnen, die van de jonge avonturiers en backpackers en Haris – door hen Harry’s genoemd – nam ze als een host overdag mee op sleeptouw door de stad en grillde ’s avonds hun vlees. Wat hij overigens bijzonder smakelijk en kundig deed, in ieder geval heb ik nergens anders op de Balkan zulke lekkere cevapcici gegeten. En het was opgehouden met regenen! We zaten aan een lange picknicktafel en keken uit over de stad, die weliswaar zuchtte onder een vuilgrijsoranje deken, maar er viel geen spat uit. Het gezelschap bestond uit een paar Australiërs, een Braziliaan, een Zwiterse, twee Polen, waarvan één met waterpijp, een Nederlander van turkse afkomst en een bosnische lokale moslima. Ze luisterden ademloos naar mijn verhalen over Srebrenica, maar ja, mensen vallen nu eenmaal altijd stil als je over concentratiekampen begint. Alleen de turkse Nederlander vroeg of ik daar iets had gemerkt van vijandigheid omdat ik Nederlandse ben. Geen moment bij stilgestaan, maar nee, ik kan nou niet beweren dat de Srebrenicanen mij vijandig bejegenden vanwege het Dutchbatdébacle. En de bitch van de NGO was vast niet uit Srebrenica zelf, überhaupt willen die lui volgens mij niet dat zich ook maar iemand met hun werk bemoeit, zeker niet van buitenaf.

Na het vlees waren er nog gesuikerde pannenkoeken en toen trok ik mij terug op mijn slaapzaal helemaal voor mij alleen.

 

 

Donderdag 4 september

Toch met een tamelijk houten kop wakker, want bij de barbecue hadden natuurlijk bier en wijn gevloeid en ik had gisteren in Srebrenica ook nog een Badelslivo ingeslagen. Ik gluurde door de luxaflex, het regende weer eens pijpestelen. Ondanks de regen besloot ik naar de Bascarsija te lopen voor mijn lunch, mijn bus zou toch pas om vier uur vertrekken. Toen ik gisteravond tegen de backpackers zei dat de bus om sixteenhundred hours zou vertrekken, lagen ze dubbel. “Are you in the army, or what?” gierden ze. Nu wist ik ineens waar ik het van had: mijn verslaving aan Star Trek, ook een soort leger, maar dan in de ruimte.   

Ik was ruim op tijd terug in het hostel en bestelde een taxi. Op het station onder een druipend afdakje spotgoedkope Marlboro’s van mijn laatste bosnische Marken gekocht. Bij de ingang naar de bussen werd ik tegengehouden door een geüniformeerde dienstklopper. “Eerst een stempel,” zei hij nors en gebaarde naar de loketten. Godsallemachtig. Ik begon lichtelijk nerveus te worden toen de aanzienlijke rij maar niet opschoot. Ik zou toch niet de bus missen vanwege zo’n lullig stempel? Buiten adem kwam ik bij de halte aan en begon koortsachtig de aankondigingen te bestuderen, zo’n beetje de enige in heel Bosnië, die min of meer elektronisch zijn en geen afgebladderd, vergeeld blaadje. Gelukkig, Utrecht en Rotterdam schoven door het beeld. Maar het werd later en later en geen bus. De enige bus, die voor kwam rijden, was een streekbus. Ik vroeg aan een groepje mensen waar de bus naar Nederland zou vertrekken. Ze staarden me glazig aan. De buschauffeur gaf een lacherig antwoord, waar ik niets van verstond. Dit was te veel, mijn stressbestendigheid aangaande het reizen in Bosnië kende grenzen. In tranen zonk ik op een bankje neer. Ik zag een paar vrouwen elkaar aanstoten en naar mij wijzen. “Wat is er aan de hand? Waar moet u naartoe?” vroeg een jongeman in het Engels aan mij. “O, die bus is iets verlaat,” zei hij nadat hij mij had aangehoord. “Dat werd net omgeroepen.” (Geen wonder dat ik er niets van had verstaan door die slechte omroepinstallatie...) “Kijk, daar is ie al.”

“Vooral rustig blijven,” zei een man in het Nederlands tegen mij toen we in de bus stapten. “Je moet je hier gewoon op de stroom laten meevoeren.”

We waren nog niet goed en wel vertrokken of hij praatte al honderduit. We waren de enige Nederlanders op een klein gezelschap van voornamelijk oude Bosniërs en een enkele gelukszoeker. Lex uit Oldenzaal kwam al 22 jaar in Bosnië en was tijdens de oorlog als kapitein in Sarajevo gelegerd geweest. Hij kwam nu van de begrafenis van een vriend, die op 67-jarige leeftijd onverwacht was overleden. “Deze generatie sterft jong door wat ze in de oorlog heeft meegemaakt. Nu alles voorbij is krijgen ze kanker en hartproblemen...”

Hij ratelde maar door, vooral over de menstaliteit van de Bosniërs. “Dit land heeft alles: water, wind, hout. Maar het enige wat ze hier doen is klagen in de koffiehuizen, dat was voor de oorlog ook al zo. En ik ga ze niet uit schuldgevoel bijstaan. Ik wil best helpen, maar ze moeten het ook zelf doen.”

Bij onze eerste stop dronken we bij een kraampje koffie uit groezelige plastic bekertjes. De WC was een gat in de grond. Bij de heren hoorde ik plots een enorm kabaal, dat wil zeggen, een tierende Lex, die kennelijk op hoge poten naar buiten liep. Ik begreep dat de toiletjongen geld van hem vorderde. Nu hij bij Lex bot had gevangen kwam hij achter mij aan. “Er is geen WC-papier,” zei ik en wilde eveneens naar buiten lopen, maar hij versperde de doorgang door zijn arm als een slagboom tegen de deurpost te planten. Zijn ogen flikkerden vervaarlijk. Snel gaf ik hem wat hij vroeg, nota bene een hele Mark – 50 eurocent – voor die zwijnestal. Bedankt Lex, dacht ik. Buiten scharrelde een jongen van een jaar of 12 zonder tanden in zijn mond met uitgestoken hand rond. “Nou, jij mag wel wat aan je gebit doen,” schamperde Lex in het Nederlands tegen hem. Ik was dolblij toen we doorreden, dit was ongetwijfeld de naargeestigste plek, die ik in heel Bosnië heb meegemaakt.

Lex tetterde intussen alweer door alsof er niets gebeurd was, nu over Srebrenica. “Als er iemand schuldig is aan de genocide, is het Naser Oric wel. Die was 2 dagen voordat de Serven de enclave innamen ineens foetsie. Dutchbat kon helemaal niets doen. Ik heb de documenten gezien dat Janvier met Mladic heeft bekokstoofd om de enclaves op te geven voor gebied rond Sarajevo. Overigens ging Naser Oric iedere nacht met zijn troepen op strooptocht door het gebied rond de enclave, waarbij veel mensen werden vermoord en verkracht. Dat heeft kwaad bloed gezet. Ik heb thuis de pet van Mladic liggen,” vertelde hij niet zonder enige trots. Hij boog zich naar me toe. “Maar er was tijdens de oorlog een moment dat er iets in me knapte, dat ik niets meer snapte van de mentaliteit van dit land. We hadden op een keer een bespreking met Mladic en de moslimcommandanten. Mladic nam ze vooraf in een kamertje apart, omhelsde ze, sloeg hen op de schouders en vroeg: hoe is het met je vrouw, hoe is het met je kinderen? Even later tijdens de bespreking wenste hij ze hel en verdoemenis en hun moeders de ergste dingen toe. Toen dacht ik: ben ik nou gek geworden? Maar dat dubbele, hè, dat hebben ze allemaal, ook tegenover hun landgenoten in het buitenland, die in hun ogen een stelletje verwende luxe-emigranten zijn. Maar ja, ze zijn wel van hen afhankelijk, want zij sturen het geld... Ik heb ook eens een verhaal gehoord over een Serviër, die, toen de oorlog uitbrak, vond dat hij niet meer met een moslima getrouwd kon zijn, dat was een schande. Dus vermoordde hij haar. Er bestaat toch ook nog zoiets als echtscheiding, denk je dan. Sorry, ik ga even een stukje naar achteren...”

Daar vond hij twee jonge Bosniërs, met wie hij wat in gebroken Engels koeterwaalsde. We werden de bus uitgejaagd voor de volgende koffiepauze. Eén van de jongens bood mij volgens goed bosnisch gebruik een sigaret aan. Lex joeg de brand in zijn sigaar. De jongens waren neven van elkaar, de ene had kennissen in Nederland en de andere ging met hem mee om zijn geluk te beproeven in de tomatenpluk, want in Sarajevo kon hij geen werk vinden. “Waar moeten jullie heen?” vroeg Lex. “Oldenzaal? Nee maar, wat een toeval! Ken je dan ook...” En zo zaten ze de rest van de koffiepauze de lokale oldenzaalse horeca te evalueren. Terug in de bus was het dommeltijd. Ik pakte de Oslobodjenje erbij. Aan de kroatische grens werden we allemaal weer naar buiten gejaagd voor een paspoortcontrole. Bij het eerstvolgende wegrestaurant sloeg ik een Travica (kroatische borrel) achterover, doodnerveus werd ik van die douanecontroles en ik had er de afgelopen weken al verschillende achter de rug. Dit was echter niets vergeleken bij wat ons aan de sloveense grens te wachten stond: deze keer moesten we met bagage door een depot, waar de tassen en koffers een voor een werden opengeritst. Ik mocht doorlopen, maar Lex was de lul. Hij liep langzaam rood aan en joeg, eenmaal buiten, ogenblikkelijk de brand in zijn sigaar. Dankbaar nam ik de sigaret van de jonge Bosniër aan. “Is dit normaal?!” ontplofte Lex tegen een oudere Bosniër uit onze bus. “Schengencontrole,” zei deze. “Kroatië zit toch inmiddels bij de EU?” “Er is een incubatietijd van twee jaar,” glimlachte de man.

“Jij,” wees Lex naar een oud vrouwtje, dat haar paspoort tegen haar borst aangedrukt hield. “Ik ga jou testen of jij je pas wel hebt verdiend. Hoe heet onze koning?”

“Willem Alexander.” “En onze koningin?” “Máxima.” “En hun kinderen?” “Amalia, Alexia enneh...”

Ik zou die derde ook niet weten, dacht ik.

“Ariane!” riep het vrouwtje naast haar.

“Goed zo, jij bent geslaagd voor je inburgeringsexamen. Jij moet je paspoort inleveren!” grapte hij tegen de ander.

We konden verder. Eindelijk was Lex stil. Ik hield de wacht. De afgelopen dagen trokken als een film langs. Met de zweefmuziek van Enigma in mijn oren keek ik naar de voorbijglijdende oostenrijkse glooiingen tot de witte wieven in het ochtendgloren oplosten. Bij München hield het trouwens eindelijk op met regenen en brak de zon door. Het werd nazomer. Lex las de Elsevier, ik leerde mijn kroatische woordjes. We rookten op parkeerplaatsen in de felle zon. De jongens ervoeren een prijzenshock, ik trouwens ook: maar liefst 3 euro voor een kopje koffie langs de weg! En ik was 50 cent gewend voor een hele pot... De bus maakte een rondje Enschede-Arnhem-Utrecht. Tegen zessen stond ik op het dampende Jaarbeursplein. Het was een mooie avond om naar een onvervalst nederlandse bruiloft te gaan.

 

 

 

 

Reacties

I

Fluitend naar het einde

 

Op naar de staart van weer een zwarte kater

die maar geen lijk wil worden. Het was

een rampjaar volgens weduwen en wezen.

In een ver land vielen teddyberen en vergeten

 

bestemmingen als het manna uit de lucht.

We hoopten dat de Russen kwamen, want

schuilkelders bieden een keur aan muurgezichten

en radio-actieve aardstralen. Het bleek een

 

illusie, de zucht naar avontuur laat zich niet

zo makkelijk sturen en alle kinderen

van 50 jaar zijn levensmoe of hebben

schimmel onder de tenen. We treuren voor de vorm

 

om wat over de schouder, maar rekken de

horizon tot oneindig op. Zaaien pennenvruchten

en beloftes tot laaghangend fruit. Pluk het

voordat het Walhalla aan een andere ijdeltuit.

 

 

II

Oud en nieuw

 

Het polderdorp sluimert onder sluiers

van ranja-oranje sproeilicht. Een opblaaskerstman

veert op een laffe eindejaarswind. Je hebt

je gedragsproblemen onder controle, een kogel

 

in de pen. De schimmels gisten in je mond

je drinkt geen glas te veel. We maken

ons op voor een avondje ouderwets

sjoelen. Het ADHD-zoontje laat de stenen

 

uit de bocht vliegen. Op de veranda

strijden de sigaren om voorrang

om de voornaamste roddels van de apenrots

het is een komen en gaan van vetgemeste, oude koeien.

 

Je moet je bedwingen om niet de hand

aan de labrador des huizes te slaan. De kater

in jou zet een hoge rug op.

Om middernacht strijken we voetzoekers

 

af en drinken voor straf pis met bubbels. Het

rode lint van een klappertjespistool in de berm

krullend als jonge sla maakt de ogen nat.

Je bent niet meer welkom in de tijd.

 

 

III

2 voor 12

 

Het sneeuwbolland draagt een hoed van

leeslampblauw. Platgetrapte tapijten groeien aan

tot bevroren zeeën. Verder van jou

kan ik niet gaan, alleen nog het

 

ruime sop, maar er is niemand meer

die je voor het vallen behoedt.

Treinen rijden tot de rand, van daar

moet het eigen hoofd boven

 

water. Hij zei ik heb iets lief

en ik wil het niet kwijt. Jij bent

niet inbegrepen. Jij zwerft door zijn

achterland als plaksneeuw, ook al

 

smeekt hij je om onversneden geluk.

Ik zeg als het stuk zal ik jou niet

sparen, langzaam draait het jaar zich

op zijn andere zij. Het aftikken begint.

 

 

IV

Vaandelvlucht

 

Nu de vuurregens zijn neergedaald en goede

voornemens ondergesneeuwd. Het is

dezelfde chaos als altijd van gebroken

champagneglazen en vergeten confetti

 

op de vloer, het happy new year van het

voorbeeldige Ikeastel een verre echo.

Wij plukken keukenmeiden uit ons

haar, vegen bermbommen tot oud zeer.

 

We halen ledematen uit elkaar, ontrafelen de

jaren van kantig verglijden. Ons laat ik

luchtbellen om te verglazen, jou de juwelen

en de kerstballen voor het geschitter.

 

Ik vertrek naar de kust om me te herinneren

maar ik zal je niet meer zoeken in

schelpen van de tijd. Ik bedenk je zo

ook wel. Oude sporen slijten niet.

 

 

V

vlissings nieuwjaar

 

waar de wind huizenhoog om torenflats zoemt

en ik slapeloos in mijn badcel staar

 

er is een golfbreker achter wolkenkrabberglas

dat zelfs michiel niet uit varen gaat

 

vader zegt, ik heb je zus de initialen cc gegeven

nadat ik aa en mijn broer bb genoemd

 

ik zeg, zo autistisch was ik nou nooit

en we ontsteken het lont in kwallen

 

stacey hapt de pijlen uit de bull’s eye

zij weet tenminste hoe te apporteren

 

harry hengelt naar aangespoelde wijven

zo verbijten we de getijden

 

zo vechten we tegen de slapeloosheid

alleen de wind blijft moeiteloos draaien

 

 

VI

Epiloog met voorspoedig einde en katerig begin

 

Het begint al te slijten, de familierituelen

het festijn van gebroken eierschalen

de dagelijkse oliebollen met champagne.

Je hebt de franje op zolder gezet, de kerstballen

 

wang aan wang tussen het houtwol, zo

dichtbij sereen was je nog nooit. Maar je

moet verder, de molen draait door

met andere amazones die de ranke

 

nekken strekken. Geen tijd meer voor

kerstnachtweemoed of oudejaarsspleen.

Je bent Werther niet. Je zou niet

weten hoe te verdwalen. We delen

 

voorspoed en stallen de rest onder

de hanebalken. Het uitgestreken profiel

van stofnesten en kakkerlakken ontdaan.

Het touw bewaar je voor de kater.    

 

 

 

 

 

 

Reacties

Van de ene burcht naar de andere

 

1 augustus

Eerste stop in Minden bij Porta Westfalica voor de Slam. Door de organisatrice in allerijl naar de jeugdherberg in Porta Westfalica vervoerd om vast in te checken. PW vormt de poort van het Weserbergland naar de laagvlakte. De latijnse naam kreeg het pas in de keizertijd omdat piekhelm Wilhelm dat interessanter vond. Minden is bekend van de Slag bij Minden op 1 augustus 1759 -  zo lees ik later in de krant -, toen pruisische en britse troepen tegen het frans-saksische leger vochten. Minden werd garnizoenstad en Pruisen kwam als wereldmacht op. Ik kwam op de Slam, zag en ging roemloos ten onder. Wel mocht ik twee rondes voordragen.

 

2 augustus

Een zinderende dag. Bij 37 graden de hucht naar het Wilhelmsdenkmal opgesjouwd, maar dan heb je ook wat. Uitzicht over de Porta, die wordt doorsneden door de rivier de Weser. Toeristen schurken tegen het imposante beeld van de grootpapa van de piekhelm aan, de eerste Keizer van het verenigde Duitsland, dat tot dan toe een lappendeken van hertogdommetjes was. Ik dacht slim te zijn door terug langs de autoweg te wandelen, maar dit is veel verder en met mijn tong op mijn tenen kom ik in de jeugdherberg aan.

 

 

Zum Angestellten

 

Er is een keizer aangesteld

die met de arm in de heilige groet de poort

openhoudt. Waar romeinse legers in Cheruskenland

door Hermann in de pan gehakt.

 

Een plek om van veldslagen

te dromen maar vandaag wordt dit garnizoen

op een broeierig schild van schapewolkjes

naar zwembadblauwe vertes gedragen.

 

Een meisje pootjebaadt met de rok

hoog opgeschort en doet alsof

ze de blote kont van haar broertje

niet ziet. Oude mannen lijden aan

 

vergeteldorst. Het dorp ligt rustiek

te wezen en verzonken in het duffe

heden alleen een naam biedt uitweg:

poorten tot luchthartigheid.

 

 

 

 

4 augustus

In afwachting van de Slam in Halle bij Leipzig (mijn oostduitse debuut!) ben ik in de biografieën van Marlene Dietrich en Leni Riefenstahl gedoken. Regisseur Josef von Sternberg wilde Leni meenemen naar Hollywood, maar ze weigerde omdat ze liefdesverdriet had; Marlene wilde wel en de rest is geschiedenis. Marlene werd het boegbeeld van de gealliëerden terwijl Leni zich door Hitler liet paaien.

De Slammers mogen het in de Waffelstube opnemen tegen de singer/songwriters, die glansrijk wonnen dankzij het jongensduo Bye Bye, de duitse Acda en de Munnik, zeg maar. Moderatorin Katja bleek ooit met Bernhard Christiansen in Lübeck te hebben geslamd. Wat is het toch een kleine wereld. Ze dacht overigens dat hij Nederlander was.

 

 

Leni Marlene

 

In een oostduits café tref ik

Dietrich en Riefenstahl aan.

Dietrich bestelt whisky on the rocks

en Leni iets met soda. Hier

 

is geschiedenis een voetnoot muren

neergehaald grensrechters ontmand.

Zondagmiddag plenst op parasols

op terrassen als bijenkorven baden

 

kinderen in vrijheid met literflessen

Coca Cola. Geen hond die

bij de lantaarn op je wacht

een soldaat heeft zonder geweer

 

minder zeggingskracht een engel

zonder blauwe gloed geen vleugelslag.

De tijd is een hoer en roemt je

van vamp tot heldin of Nazislet.

 

 

6 augustus

Een uur lang door Praag gezworven omdat de vriend bij wie we zouden verblijven bleek te zijn verhuisd. Dan is een Tom handig; nu moesten we het met de telefonische aanwijzingen van de vriend doen. Ook deze stad broeit en borrelt onder een hete zon. Ik probeer de diverse opschriften te lezen; vanuit het Servokroatisch kan ik er aardig kaas van maken, maar sommige woorden zijn heel anders. De vriend blijkt in een monumentaal 19e eeuws huis te wonen. Maar de straat is nauw, de luchtstroom miniem en de ramen moeten ’s nachts dicht vanwege het dreigende onweer.

 

 

 

7 augustus

Voor 10 euro naar de kapper bij de vriend om de hoek. We zitten middenin een gezellige volkswijk waar je voor een habbekrats kunt eten en drinken. Daar hoef je in de binnenstad niet om te komen. Niet alleen voel je je als viswaar in blik, maar ook tot op de graat uitgekleed door handelaren en etablissementen met sjieke voorgevels, maar een sjofel interieur. De vriend verzucht dat sinds de Wende veel literaire café’s zijn opgedoekt omdat de hedendaagse tsjechische dichters geen tijd meer hebben om over poëzie te discussiëren. Nee, het communisme was voor de literatuur stukken beter.

 

8 augustus

Bezoek aan het Kafkamuseum, volgens de (kunsthistorische) vriend een gruwelijke anomalie, bedoeld om de toeristen terwille te zijn. Ook het geboortehuis is niet echt, weet hij, maar afgebroken en niet eens in oorspronkelijke staat herbouwd. Het museum geeft evenwel een goed overzicht van Kafka’s leven en werk. Grappig citaat over het leven op de verzekeringsmaatschappij waar hij werkte: “Allen storten als dronkaards neer. Stellages begeven het, ladders glijden weg in de modder, bosschages splijten als met de stok van Mozes gedirigeerd open. Alles wat vallen kan valt naar beneden en wat al beneden is stort zich er gewoon op. Tegelijkertijd krijg je hoofdpijn van al die dienstmeiden die met bergen servies naar boven rennen.”

Kafka schijnt tijdens optreden vreselijk geestig te zijn geweest, helemaal niet de wereldvreemde depressieveling, zoals de beeldvorming hem graag afschildert. Alleen trad hij niet graag buiten het vertrouwde kringetje rond de Altstätter Ring, een soort Ingmar Heytze avant la lettre dus.

 

 

Over de drempel

 

De stad houdt je in een gouden greep

omgord. Buiten is de wereld

daar storten torens in glibberen

ladders weg in bloed en drek waar

 

vossen worden doodgeknuppeld en zeeën

gespleten waar alles valt

tot breekbaar en over elkaar

niet in handen dan wel koude aarde

 

terwijl dienstmeisjes met ladders

in de netkousen glazen bergen trappen

opdragen. Dit is het Praag van

jouw nachtmerries een burcht

 

vol spiegels. Hier zijn geen muren

hier dragen mensen keverpantsers

worden onschuldigen berecht

maagden voor de leeuwen

 

letters tot een hoedje van papier.   

 

9 augustus

Vergeten mijn ouwe vader met zijn verjaardag te feliciteren. De bijrijdersplaats warm gehouden met het uittekenen van de weg. Je kunt gewoon niet om Wenen heen. Voor Brno twee uur in de file gestaan vanwege een omgewaaide auto. Bij Wenen begon het te stortregenen en te bliksemen. We aten goulash uit blik onder een afdak.

 

10 augustus

Over landweggetjes dwars door Hongarije gecrosst omdat voor het snelwegvignet de autopapieren overlegd moesten worden, die het verhuurbedrijf had verzuimd mee te geven. Een sightseeingtour van 400 kilometer door grasland en dorpjes omzoomd door greppels.

Vlak voor Osijek stuiten we op een wegversperring. “Wat is er aan de hand?” roep ik de stierlijk verveelde, rokende, met Karremanssnor getooide steekover toe. “Blokkade,” gebaart hij. “Za Osijek?” vraag ik, wat me op een uitvoerige wegbeschrijving komt te staan en ik knik vooral heftig alsof ik het begrijp.

In het hotel treffen we Jasmina, de uitbaatster, aan. Ze is net terug uit Sarajevo, waar ze een tentoonstelling over Srebrenica heeft bezocht. “Nu voel ik me schuldig,” zegt ze. “Ik was toen het gebeurde aan de kroatische kust, having fun.” Ik vertel dat ik er later nog heenga om met de mensen te praten, of zij misschien weet hoe ik met ze in contact kan komen? “Ga naar zo’n NGO, die zitten daar overal.”

Gordana, een joviale vrouw met zonsondergangrood haar, leidt ons het appartement binnen. Het lukt haar niet onze namen goed uit te spreken. “You can call me Jill,” zeg ik vergoelijkend. Ze vraagt nieuwsgierig hoe haar naam in het Nederlands wordt uitgesproken. “Oh, dat klinkt heerlijk exotisch!” lacht ze om onze schrapende g.

 

11 augustus

Ik heb me voor de TV geïnstalleerd om wat van de taal op te steken. Notting Hill met servokroatische ondertiteling, bij uitstek geschikt om nieuwe woordjes te leren.

De rest van de dag bij het zwembad aan de oever van de Drava doorgebracht. We hebben de 40plus hittegolf net gemist, maar bij 30 plus misstaat deze verkoeling ook zeker niet.

 

12 augustus

Voor nog geen 15 euro een Van Daleformaat Duits-Kroatisch woordenboek op de kop getikt. Proberen de krant te spellen, maar ook hier is het komkommertijd. De beren vreten meloenen, de leeuwen liggen in de zon en de giraffes luisteren naar de radio. Een opstandige orthodoxe gemeente maakt de priester voor dief uit. Een voetbalwedstrijd in Vukovar leidt tot wat hier etnische onlusten genoemd zouden worden tussen Kroaten en Serviërs. Betekent voetbal niet altijd oorlog? En wat scandeerden ze dan? “Kosovo is het hart van Servië” en: “Cetniks, waar houden jullie je schuil?” Lijkt me toch minder aanstootgevend dan “Hamas Hamas alle joden aan het gas” of  “Rotterdam brakke stad in de oorlog lag ie plat”.

 

 

13 augustus

Schoenen kopen. De verveelde verkoopster was blij een paar toeristen aan de haak te slaan. “But what brings you to such a poor country?” vroeg ze verwonderd. “I like it here,” zei ik. “Ït’s not as busy as it is on the coast.”

Fietsen door het nationale park. Er zijn zat redenen om naar deze uithoek te gaan: het is er vlak, goedkoop en niet toeristisch, dus er is altijd plaats in de herberg. Enige nadeel is dat er nog steeds mijnen liggen. In het bos stuitten we op een bord met een doodshoofd en weer bij de weg bleek die afgesloten. “We are cleaning the mines!” dirigeerde een man ons onder het gele plastic koord door. Domme toeristen toch.

 

15 augustus

Ook Osijek draagt nog de sporen van de laatste oorlog, toen de stad door de Serviërs onder de voet werd gelopen. In de Tvrda – de oude binnenstad – zijn de kogelinslagen goed zichtbaar. My city is still wounded, staat er dan ook op het viaduct bij het station. Het kunstwerk van een tank, die door een mini overreden wordt, symboliseert het verzet. Maar ook Kroatië kraait zijn eigen victorie: de reisgids vermeldt dat er in augustus 1995 een einde aan de oorlog kwam door de kroatische overwinning. Dat was toen de vorig jaar door het Tribunaal vrijgesproken Antegovina alle Serviërs uit de Krajina verjoeg hetzij doodde en hun huizen platbrandde.

Visgoulash is het nationale slavoonse gerecht waaraan ik me vanavond misselijk heb gegeten.

 

 

Onder de voet

 

Kwamen we vanuit hoogtes aangezeild

ogen zijn altijd waakzaam

een vesting voor het vreemde

een garnizoenstad voor passanten

 

waar vandaag de dag leeuwen

in de zon de luie beren dronken

van de pruimenjenever de loopgraaf

een doodgewone greppel. De boer

 

rolt kalm het prikkeldraad op

de soldaat is zijn landmijnen

vergeten het verleden speurt nog

altijd naar manieren om te geloven.

 

Pokdalige huizen torsen de lucht

de meerval niet ver van het water

de ziel wijds als het veen alleen

de maag kan opgelucht ademhalen.

 

 

16 augustus

Een uitgehongerde kat onder het raam een stuk camembert toegeworpen. Op station Zagreb trof ik in het antiquariaat een vuistdik boekwerk van Ante Pavelic, de fascistische Ustaseleider aan. “Sie interessieren sich für deutsche Bücher?” vroeg de verkoper waarop hij een helekist onder de tafel vandaan trok. Ik vroeg maar niet of hij ook Mein Kampf in huis had.

 

17 augustus

Een bezoekje aan Medvedgrad, de burcht in de bergen, waar volgens de overlevering een Zwarte Koninginneheks woonde, die Dracula als minnaar had en de bewoners van de omringende dorpen van dorst liet omkomen door alleen irrigatie rond de burcht aan te leggen. Kennelijk zijn ze hier dol op dat soort griezelverhalen. Maar ook de liefde heeft er een museum en wel in de gestalte van het Museum for broken relationships, waar iedereen een voorwerp met een verhaal kan doneren, als het maar over een verbroken relatie gaat. Waar de Kroaten wel degelijk ontzag voor hebben is de versgebakken relatie met de EU: er is zelfs een monument ter ere van de toetreding opgericht.

 

 

Berenburcht

 

Ze verdwaalde in het museum

van verbroken relaties en trof

een beer op de weg. Haar hart

viel stuk in die stad van liefde

 

waar ze dagelijks pluche gordeldieren

vertroetelde en gigolo’s op Strossmartre

uittekende, alleen wraakzucht

is een vrouwvriendelijke vesting.

 

Zwart werd ze en als liefje

van een wagneriaanse held

 hield ze al het heilige water

voor zichzelf. Bloed is wat de

 

afvalligen mogen likken. Beren

houden de wacht. Dracula brengt

rozen mee, de rivier murmelt

verraad. Zo tekent ze het verhaal op.

 

 

19 augustus

Bijna 12 uur sporen gaat je niet in de koude kleren zitten. Het begon er al mee dat er tussen Zagreb en Sistak busvervoer was en die bus vertrok al drie kwartier te laat omdat er gewacht moest worden op de nachttrein uit Ljubljana. Ik zei mijn reisgenoot dat hij maar vast moest gaan en wuifde hem uit. Die ging in ons comfortabele huurautootje terugtuffen naar Nederland. Ik zat in een hete en ouderwetse jaren 70 trein, die veelal niet sneller dan een tractor ging. Al spoedig was mijn water op. Ik vroeg het opaatje, dat rondstruinde met een frisdrankentablet voor de borst, of hij ook gewoon water had. Dat had hij niet, wel een soort mierzoet sinasachtig goedje zonder prik. Ik moest toch wat met die hitte. Als ik me in het gangpad waagde kon ik de hitsige blikken van de langslopende conducteurs maar ternauwernood ontwijken. Bij coupé’s met aantrekkelijke jongedames stapten ze gewoon brutaal naar binnen om ze onverholen aan te staren. Toen ik op de WC zat werd de deur plotseling ingetrapt. Wat een helletocht. En dan werd mij bij aankomst in Sarajevo ook nog een poot uitgedraaid voor de taxichauffeur. Natuurlijk begon hij me te versieren. Of hij geen vrouw had, beet ik hem toe. Nee, die was weg. Maar als ik dan niet met hem mee naar zijn huis wilde voor de nacht kon hij me dan niet de volgende dag naar Srebrenica rijden? Of hij niet moest werken? “Dit is mijn werk,” grijnsde hij. “Ik breng je overal naartoe, als je maar betaalt.”

Dat ging dus mooi niet door. Wel liet ik me door hem overhalen om me de volgende ochtend naar het station te brengen. Bij de receptie van het Hostel vroeg ik of zijn prijs normaal was. Dat was het dus niet en ik vroeg de receptioniste om voor de volgende ochtend een taxi voor me te bestellen.

 

20 augustus

De dag begon hels vroeg, om half 6, en dat voor een nachtuil als ik. Maar om half 7 stond ik fris en frank op de taxi te wachten. Gelukkig was de taxichauffeur van het Hostel er eerder dan die afzetter. Maar net toen we alles hadden ingeladen kwam hij eraan. Er werden wat woorden gewisseld waarop mijn chauffeur mij overdroeg aan die charlatan. Bij het station aangekomen noemde hij zijn prijs. “Dat is niet normaal,” beet ik hem toe. “Ik geef je de helft.” Nu ja, misschien kun je het die mensen ook niet kwalijk nemen; er heerst immers een hoge werkloosheid en bijna iedereen klust wat op eigen gelegenheid.

Om 7 uur in de bus naar Srebrenica voor een sightseeingtocht van bijna 4 uur over bergweggetjes. De bergen waren evenwel niet zo woest als ik altijd uit de literatuur had opgemaakt. Of moet dat ook weer bijdragen aan het onherbergzame Balkanimago? Het was alsof je door het Zwarte Woud reed met vriendelijke dorpjes, die wel, naarmate we dichter bij ons doel kwamen, meer verwoestingen vertoonden. Bij het uitstappen sprak ik het duitse stel achter mij aan. In een vreemde omgeving is het misschien beter om in eerste instantie samen te zijn. Zij gingen verwoeste huizen kijken en diezelfde middag weer met de bus terug naar Sarajevo. Maar eerst een kop koffie. “Kijk nou!” wees zij naar een poppenhuis zonder voorgevel. “Daar wonen gewoon mensen!”

Op het terras vertelde ze me dat haar moeder Servische was, maar ze had de taal nooit geleerd. Wel had ze eea van haar moeders telefoongesprekken met familie opgevangen waardoor ze nog een aardig mondje kon roeren. Ik liep naar binnen om de weg naar het pension te vragen. De kroegbaas gebaarde naar een oude man in de hoek. “Daar is de taxi. Hij brengt je er wel heen.”

De prijs was een lachertje vergeleken bij de sarajevose afzetter, maar volgens de pensionbaas vroeg ook hij te veel. Hij sjouwde mijn koffer de trap op en toonde me de ruime 2-persoonskamer. “Je betaalt natuurlijk maar voor 1 persoon,” glimlachte hij. “We hebben nu even niets anders.”

Ik was er niet helemaal gerust op, maar dat was van later zorg. Eerst mijn belevenissen boekstaven (een schrijver is altijd aan het werk) en wat gemiste slaap inhalen. Op de sofa lag ik naar de geluiden van het huis te luisteren. Toen ik om 4 uur nog wakker was stond ik maar weer op om de deur uit te gaan. Het was een kwartiertje lopen naar het “centrum”; in de taxi had het verder geleken. Eerst naar het “warenhuis”, zo’n beetje de enige winkel, op een paar moslimtoko’s na. In het verlaten restaurant koffie gedronken en wat door de (servische) krant gebladerd, die bol stond van de nationalistische retoriek. Daarna wat door verlaten straten en langs ruïnes gelopen. Toen ik even op een muurtje zat uit te rusten kwam er een agent naar me toe. “Ben je nieuw hier?” vroeg hij. In mijn krakkemikkige Servokroatisch zei ik dat ik van plan was om een week te blijven. Hij wees me erop dat het verboden was om een foto van het politiebureau te nemen. “Je hebt toch geen bom in die tas?” vroeg hij plotseling, maar ik geloof dat dit een grapje was. Desalniettemin haastte ik me terug naar het pension; bij de invallende schemering voelde ik me niks op mijn gemak. Ik vroeg me ineens af of het hier wel veilig was om ’s avonds alleen over straat te gaan. Hier en daar zag ik de schim van een hond wegschieten en klonk er gegrom uit de bosjes op. Ik was net op tijd terug, want toen barstte het onweer los, dat de hele avond en een gedeelte van de nacht duurde.

 

21 augustus

Bij de pensionbaas informeerde ik naar diverse NGO’s; hij wees me er een pal naast het warenhuis. Ik moet voor het Herdenkingscomité repatrianten in de Rudarskaflat intervieuwen. Maar eerst naar de begraafplaats in Potocari, een tocht van 6 km., dus dat moest wel te doen zijn. Een heuvel bezaaid met witte islamitische graven en één katholiek graf van Rudolf Hren, die met zijn moslimvrienden werd gedood. Moe van de toch wel lange wandeling kwam ik terug in Srebrenica. Bij een “motel”, maar eigenlijk een veredelde snackbar, bestelde ik cevapcici en een glas wijn. “We serveren geen alcohol,” zei de ober. Aan de overkant van het plein begon de minaret luidkeels te jengelen. Ik schrokte de cevapcici en de friet naar binnen, rekende af en liep naar het café waar ik gisteren met het duitse stel koffie had gedronken. “Heeft u wijn?” vroeg ik aan de kroegbaas. “Maar natuurlijk,” zei hij en zette een karaf voor me neer, dat hij bijvulde zodra het leeg was. We praatten wat met elkaar, hij sprak een beetje Duits dat hij op school had geleerd. Mile was orthodox, vandaar de alcohol. Na het derde karaf stond hij op om de deur dicht te doen. Ik wilde hem 5 mark (2,50 euro) voor de wijn geven, maar dat was veel te veel, 4 mark was meer dan genoeg. Daarvoor wilde hij me ook nog in zijn Fiat Panda naar het pension brengen.

 

22 augustus

Toch behoorlijk katerig van Mile’s wijn. Te snel gedronken waarschijnlijk, want hij bleef maar doorschenken. Dus met een houterige kop de trappen van Prijatelji Srebrenice pal naast het warenhuis bestegen. Ik werd verwezen naar een engelssprekende mevrouw. Ze viel bijkans van haar stoel van verbazing dat ik zo maar als Nederlandse zonder afspraak haar kantoor kwam binnengewandeld. “Jullie Nederlanders zijn zo overgeorganiseerd,” blies ze. “Het is half vijf. Het is dat ik hier nog ben voor wat overwerk...” Goedgoed, misschien was ik aan de late kant omdat ik herstellende was van de kater. Maar zo vreemd is het toch niet om onaangekondigd een openbare instelling binnen te lopen die in de regel van 9 tot 5 open dienen te zijn? Ik voelde me niet al te welkom. De vrouw liet weten dat ik de volgende ochtend maar terug moest komen waarop ik beschaamd afdroop. Ze moest mijn komst ook eerst bij Puco van het IKV verifiëren. De pensionbaas had het ook al over hem. Kennelijk lopen alle contacten via Puco, maar niemand heeft me dat van tevoren verteld. Ik liep de berg op om te ontsnappen aan de nieuwsgierige blikken, die me steeds meer op de zenuwen beginnen te werken. Alleen in het bos en op mijn kamer vind ik rust. Op een kerkhofje met een paar islamitische graven schreef ik een gedicht en maakte een tekening. Plotseling begon die minaret weer te jengelen, harder dan ooit, omdat Srebrenica in een kom ligt en het geluid versterkt langs de berghellingen omhoogkruipt. Het werkte me danig op de zenuwen. Ik heb niets tegen de Islam, als atheist heb ik niet eens iets tegen religie, maar wel tegen religieus vertoon en de moslims zijn daar behoorlijk goed in.

Toen het begon te schemeren liep ik weer naar beneden. Verderop stond een oude man als een waakhond aan de weg. Jasses, wat nu weer, dacht ik. Hij wilde weten wat ik daar deed; dat was alles wat ik van zijn geslis verstond. Vooral oude mensen zonder tanden in de mond kan ik erg moeilijk verstaan. In mijn beste Servokroatisch zei ik tegen hem dat ik uit Nederland kom, toeriste ben en dat Srebrenica erg mooi is. Dat leek hem gerust te stellen. “Ze is toeriste!” schreeuwde hij naar zijn vrouw in de deuropening.

 

 

Bloeiend landschap in Zilverstad

 

Het stadje staat in de steigers

de imam roept op tot het gebed

de orthodoxen hebben een kerk

met uitzicht. Hier ben je tot

 

het kruis of de sikkel veroordeeld.

Het zilver zit diep in de grond

de bronnen zijn opgedroogd

’s nachts houden wilde honden

 

de wacht. In doorzeefde doorkijkhuizen

houdt men toezicht op de graven.

Het schuldig landschap is een boom

in bloei. De weg naar de toekomst

 

vol gaten en kuilen en bezaaid

met lijken. Het bos zwijgt discreet.

Mile schenkt de moslims wijn

hij vindt dat hij een goed christen is.

 

 

23 augustus

In alle vroegte naar Prijatelji Srebrenice. De vrouw van gisteren kwam met wapperende haren op me afgestormd. Eenmaal in het kantoor trok ze haar mond in een besliste streep, maar een goede reporter dringt altijd een beetje aan. Nu reageerde ze ronduit onaangenaam. Nee, er kon beslist geen sprake van zijn dat ik mensen te spreken zou krijgen, ik mocht zelfs niet even rondkijken in de Rudarskaflat, want wie weet wat ik met die informatie zou doen. Alsof ik een leger cameramannen in mijn kielzog had! Verder vond ze het “highly impropriate” dat ik het had gewaagd om onaangekondigd haar kantoor binnen te vallen; ze wilde het nog maar een keer gezegd hebben. Het enige wat ze me kon aanbieden was een praatje met een persvoorlichter. Die haastte zich te benadrukken dat Srebrenica een multiculturele samenleving is waar Serviërs en moslims vreedzaam samenleven terwijl ik inmiddels toch wel had geconstateerd dat er helemaal geen contact is tussen de beide gezindten. Gefrustreerd tot op het bot liep ik terug naar het pension. Maar ergens was ik ook wel opgelucht dat ik daar tenminste vanaf was en vanaf nu ongestoord de toerist kon uithangen. Op het terras stak een luidruchtige Duitser tegen zijn groepsgenoten een college over de Balkan af terwijl ik me weer verdiepte in het stripboek van Joe Sacco over de val van Gorazde, dat ik van de balie had meegegrist. Een paar uur later besloot ik om toch even een kijkje bij de bewuste Rudarskaflat te nemen. Die kon wel een likje verf gebruiken, ook zat er hier en daar plastic voor de ramen en zag het er binnen uitgewoond en soms zelfs uitgebrand uit. Na mijn dagelijkse rondgang langs diverse ruïnes stond ik weer voor Mile’s kroeg. Het enige waar ik nu nog behoefte aan had was een maaltijd en een borrel. De kroeg bleek vol te zitten met (servische) politie, door wie ik enthousiast werd begroet. Twee agenten nodigden me aan hun tafeltje uit. Ze bestelden een schnitzel, dus deed ik dat ook maar. Toen herkende ik de agent, die me eerder die week bij het politiebureau had weggejaagd. Hij boog zich naar me toe en zei dat ik een geil jurkje aan had. Vervolgens toonde hij me de tattoo die hij bij het Joegoslavische Volksleger had laten zetten. Hij kwam uit Bratunac, zijn maat uit Sarajevo. We hieven het glas. Mij bekroop een licht Karremansgevoel (wie weet zat ik hier nu wel met allemaal oorlogsmisdadigers te drinken!), maar ik verdrong het ten gunste van de frustratie die ik nog steeds naar de NGO toe voelde. Deze Serven gaven mij tenminste wél het gevoel dat ik welkom was en hoe, de agent uit Bratunac werd steeds vrijpostiger, wel tien keer vroeg hij of ik met hem meeging. Dat ik daarop tien keer antwoordde dat ik een man in Nederland heb leek hem niets uit te maken. Tenslotte gaf hij het op en ze vertrokken. Een oude man achter een borrelglas wenkte me naar zijn tafeltje. Hij heette Rade en sprak een beetje Engels. Meer politiemannen kwamen binnen, ze hieven het glas en zongen (speciaal voor mij, leek het wel) van: Ich bin, du bist, er ist ein serbischer Nationalist! “Let maar niet op hen,” zei Rade tegen mij. “Het zijn mijn vrienden.”

Ik zei hem dat ik me in het dorp vaak ongemakkelijk en bekeken voel. “Dat heeft niets te betekenen,” zei hij. “Je bent welkom.”

Ik vroeg hem of hij uit Srebrenica kwam. “Ja, maar ik ben drie jaar weggeweest.”

“Hoezo?” vroeg ik nogal onnozel. “Waar heb je dan gezeten?”

“In Auschwitz.”

Toen ik iets zei over het samenleven van Serviërs en moslims betrok zijn blik. “De Serviërs hebben niets fout gedaan in de oorlog, hoor je me? Niets!” Hij keek me ineens zo dreigend aan dat ik mijn hand op zijn arm legde en heel laf zei: “Ik geloof je.”

Daarop begon hij enthousiast te vertellen dat zijn dochter zwanger was en dat hij laatst een klein katje voor haar had meegenomen. Zo babbelden we gemoedelijk totdat Mile met zijn sleutels rinkelde. Hij bleef nog even met Rade in de deuropening staan praten en ik maakte me uit de voeten. Na alle wijntjes en de gesprekken vond ik het niet erg om een frisse neus te halen.

 

 

Alledag in Zilverstad

 

Ze strikt zijn veters en laat

hem uit geeft hem goede raad

voor onderweg als hij vertrekt

om zilver voor haar te delven.

 

Met zijn aktentas vol buskruit

lijkt hij te figureren in een

Fellinifilm: zijn haar geurt

naar pommade haar rok is te wijd

 

om het kind in hem veilig

op te bergen haar mond een weerhaak

waaraan je je lelijk kunt bezeren.

Hij heeft belangrijke dingen te doen:

 

de lieve vrede is getekend en de knopen

van het uniform opgepoetst.

Op een terras drinkt hij rakija

terwijl zijn oude vijanden zich levend

 

hebben verschanst. Een veldwachter

draagt het hart onder de arm.

Rade zegt dat hij niets verkeerds

heeft gedaan. Zo was oorlog nu eenmaal.     

 

25 augustus

Omdat ik het stadje inmiddels van haver tot gort ken en ook niet te ver de bergen in durf vanwege de mijnen ben ik vandaag maar langs de hoofdweg de andere kant opgelopen. Een onverhard paadje, dat van de weg afliep, leidde langs een paar huizen. Ik was op zoek naar een geschikte lokatie voor een tekening, maar wilde uit het zicht blijven van de balkons en de nieuwsgierige blikken. Mij was al opgevallen dat de mensen elkaar zelfs over de rivier vanaf het balkon weet ik veel wat toeschreeuwen. Aan het einde van het pad ging ik in de berm zitten om een ruïne te tekenen. Ik zat er nog geen vijf minuten of er kwam een meisje van een jaar of tien naar me toe gehuppeld, dat zich brutaal naast mij in het gras neervlijde. In rap Bosnisch stelde ze mij allerlei vragen, die ik voor zo ver ik ze begreep trachtte te beantwoorden terwijl ik intussen deed alsof ik me op mijn tekening concentreerde. Ze zei dat ze verderop woonde en dat ik mee moest komen voor een kop koffie. Ik zei dat ik eerst mijn tekening wilde afmaken. Ze staarde nieuwsgierig naar de paar krabbels die ik al had gezet. Zuchtend klapte ik mijn schetsboek dicht en stond op. Ze wees me de weg over een gammel stuk metaal vol met scheuren over de rivier. In de deuropening stond een oude vrouw in van die typische Srebrenicakledij die je altijd op foto’s ziet: heuprok en vest met tig sjalen om schouders en hoofd gewikkeld. Ik had meteen een paar stevige smakkerds te pakken en begon toen mijn gympen los te knopen, die keurig door Leila (zo heette het meisje) werden weggezet. In de woonkamer zaten Leila’s oudere zus, kleine broertje en moeder. Oma kwam even later de keuken uit met de turkse koffie. Zo goed en zo kwaad als het ging begon ik met het gezelschap te koeterwaalsen, maar het gesprek verliep uiterst moeizaam. Woordjes leren en naamvalsuitgangen opdreunen is nog niet hetzelfde als converseren. Leila’s moeder vertelde dat haar man op het kerkhof van de Potocari werkt. Als ik het goed begreep was hij een zoon van oma; een andere zoon was vermoord door de cetniks. Ze had ook een dochter in Nederland, met wie ze stante pede telefonisch contact probeerde te leggen; ze nam echter niet op. Na een tijdje kwam de aap uit de mouw: of ik niet iets kon doneren voor schoolboeken voor de kinderen. Dat vroegen ze aan mij, een dichteres die in Nederland net zo’n arme kerkrat is als zij. Het schaamrood kroop tot mijn kruin. Ik zei dat ik niet rijk was, maar dat ik zou zien wat ik kon doen. Leila was druk bezig met het opschrijven van alle gegevens: adres, telefoonnummer, banknummer. Ik stopte het opgevouwen briefje in mijn etui, die ik later thuis in Utrecht verloor toen ik er nog steeds over piekerde of ik die helpende vinger wel moest toesteken op het gevaar af mijn hele hand kwijt te raken. Dilemma opgelost, maar mijn schaamtegevoel vergroot natuurlijk.

 

26 augustus

Laatste dag in Srebrenica. Om half vijf vertrekt de bus terug naar Sarajevo. Bij het huis naast het pension wordt een uitgeteerde man in een zwart pak en met een schooltas in zijn hand met veel aplomb uitgezwaaid door zijn kogelronde vrouw. Waarom heeft dat soort schriele mannen toch altijd zo’n opgeblazen vrouw als om hun eigen ijlte te compense-ren? Ze checkt zijn schoenen en zijn das; ze strikt nog net niet zijn veters. Iets intrigeert mij aan dit tafereeltje, de vrouw doet alsof haar man op wereldreis gaat, nota bene hier in Srebrenica, waar de kachel met hout wordt gestookt en afstanden te voet worden afgelegd. Ik besluit om de man te volgen. Hij loopt richting dorp, net als ik en schudt onderweg diverse handen van mensen, die aan het tuinhek staan. Als hij stopt voor een praatje loop ik door en verlies hem zodoende uit het oog. Bij het warenhuis koop ik proviand voor onderweg en drink voor de laatste keer koffie bij Mile op het terras. Mile laat zijn gezicht niet zien. Rade is er wel, met de eeuwige borrel voor zijn neus. Met een enigszins ongemakkelijk gevoel neem ik afscheid van hem en loop terug naar het pension om mijn spullen in te pakken. De pensionbaas sommeert een familielid (zijn vader?) om mij naar het busstation te brengen. In de auto doe ik weer een poging om een conversatie te voeren. Mijn chauffeur is de eerste die mijn taalfouten verbetert, waar ik hem zeer erkentelijk voor ben. Waarom laten de meeste mensen je altijd maar koeterwaalsen? Bang dat je beledigd bent als ze je op je fouten wijzen? Ik zou willen rondlopen met een sticker op mijn voorhoofd van: ik ben mank in de bosnische taal, verbeter mij, zodat ik beter leer lopen, of zoiets.

De bus rijdt weer door bergen en dalen; als we in Sarajevo komen is het donker. Op het station eet ik eerst iets in een cevapnica en neem dan de taxi naar het hostel. Omdat ik de volgende dag niet vroeg op hoef besluit ik nog even de oude binnenstad in te gaan, die slechts op een steenworp afstand van het hostel ligt. Op een terras drink ik twee borrels en loop dan weer terug naar het hostel. De moskeeën zijn verlicht vanwege Bajram, het einde van de ramadan.

 

 

 

27 augustus

Bij het inpakken van mijn tas ontdekte ik dat mijn fototoestel foetsie was. Ontvreemd door een dief op kousenvoeten? Ik herinnerde me dat ik er gisteren in de bus nog foto’s mee had genomen. Het was natuurlijk op de zitting naast mij blijven liggen. In Sarajevo moesten we er vrij plotseling uit en bovendien was het donker geweest.

Ik nam in aller ijl de taxi naar het station. Niks mijn bosnische taalvaardigheid oefenen, gewoon straight tegen de lokettist: “Do you speak english?” Toen ik het probleem had uitgelegd, greep hij naar de telefoon. Ik zag zijn lippen een tergendlange eeuwigheid bewegen. Tenslotte legde hij de hoorn op de haak en schoof de vitrine weer open. “Uw toestel is gevonden,” zei hij. “De buschauffeur komt het om een uur brengen.”

Dat was een probleem, want de trein naar Zagreb – de enige voor die dag – vertrok om kwart over elf. Niet dat ik erom maalde om een dag langer in Sarajevo door te brengen, maar ik zou dan alle aansluitingen missen, inclusief die in München, waarvoor ik een Supersparpreisticket had. “Zorg ervoor dat u die trein haalt,” had de lokettiste in Utrecht gezegd, “anders is het ticket niet meer geldig.”

“Kan hij echt niet eerder komen?” smeekte ik. “Ik moet echt mijn trein halen.”

“Hij komt om een uur, als zijn dienst begint.”

In vliegende vaart stoof ik naar het loket voor de trein. De lokettiste sprak alleen Bosnisch. Ik toonde haar mijn ticket en probeerde het probleem met driftige handgebaren duidelijk te maken. “Nema problema,” zei ze steeds. Ja me hoela, weet zij veel hoe het er bij de Deutsche Bahn aan toegaat!

Een jonge backpacker maakte zich los uit de rij naast mij. “Je moet gewoon ter plekke uitleggen dat het overmacht is,” zei hij in het Engels. “Misschien moet je wat extra betalen, maar veel kan dat toch niet zijn.”

Enigszins gerustgesteld keerde ik terug naar het busstation op zoek naar een ontbijt, want dat was er door de hele toestand bij ingeschoten. Maar ook hier alleen maar civapnica’s, waar hoofdzakelijk mannen schranzend aan de bureks zaten en geen enkele broodjeszaak. Uit arren moede liep ik maar een kiosk in voor een flesje water. Bij de kassa zag ik iets schemeren wat op de bolling van een broodje leek. “Sandwich?” vroeg de cassière. Ik knikte opgelucht. Het was een Turks brood met vettige kaas en ham ertussen gepropt, maar ik was er dolblij mee. Met een boek op mijn schoot zonk ik op een plastic stoeltje in de wachtruimte van het busstation neer. Om kwart voor twee kwam de bewuste buschauffeur eindelijk. Ik griste het fototoestel bijna uit zijn handen en bedankte hem met veel geglimlach en hvala’s voordat ik er als een pijl uit een boog vandoor schoot. Later bedacht ik me dat ik hem misschien een fooi had moeten geven, tenslotte had hij mijn fototoestel ook uit het raam in het ravijn of in een massagraf kunnen gooien, maar daar dacht ik door de opwinding weer niet aan, want ik moest als de wiedeweerga terug naar het hostel om een slaapplek voor de nacht te regelen. Gelukkig ging dat zonder slag of stoot. Nadat ik mijn spullen had gedumpt maakte ik van de gelegenheid gebruik om de tentoonstelling over Srebrenica te bezoeken, waar Jasmina het in Osijek over had. Het was vooral groot en te veel informatie; iedere dag na de val was van minuut tot minuut gedocumenteerd ’s Avonds vis gegeten in een rustig achterafrestaurant in de oude binnenstad. Nee, geen cevapcici, ik kan geen cevapcici meer zien en ben sowieso niet zo’n carnivoor.

 

 

28 augustus

Weer het vooruitzicht van een 9 uur durende treinreis op tractorsnelheid naar Zagreb. Ik probeer de krant te spellen en noteer de woordjes in mijn schrift. Tussen de bedrijven door hang ik uit het raam. Het regent af en toe flink en de aarde ruikt fris. Maar daar komt weer zo’n conducteur, die spontaan zijn lippen op mijn bovenarm drukt. Wat is dat toch met de Bosnische Spoorwegen? Ik verbaas me erover dat de conducteurs zich gewoon bij de reizigers in de coupé vervoegen en met hen praten over het weer en de politiek alsof ze buren zijn. Zoiets is bij ons ondenkbaar; afstand moet er zijn tussen personeel en reizigers. In Doboj dringt mijn kaartjesknippende ridder mijn coupé binnen. Bij wijze van afscheid grijpt hij mijn hand en drukt die tegen zijn kruis. Dan stapt hij uit om te worden afgelost door zijn servische collega’s. Even later wordt de deur van mijn coupé opnieuw opengeschoven. Ik ben op mijn hoede. De conducteur wijst op de krant naast mij. Ik geef hem die waarop hij zich op de bank tegenover mij installeert en de krant belangstellend begint door te bladeren. Wat moet een Serviër met een moslimkrant? denk ik, want de Dnevni Avaz wordt toch voornamelijk door Bosnjakken gelezen. Ik doe er echter het zwijgen toe en verdiep me in mijn woordjes. Na een tijdje geeft hij me mijn krant terug en verlaat de coupé. Eindelijk alleen.

Vlak voor de kroatische grens krijg ik opnieuw gezelschap van een man, die zich als Josip voorstelt. “Aha, net als Tito,” zeg ik en hij glimlacht. “Ik ben katholiek,” zegt hij, “en wat ben jij?” “Protestant,” antwoord ik en we lachen nu allebei alsof we door onze gezindheid bekend te maken weten wat we aan elkaar hebben. Hij woont in een dorp vlak over de grens en vraagt (alweer zo een!) of ik mee naar zijn huis ga. Ik antwoord dat dat niet gaat omdat ik naar Zagreb moet. “Ach, dat kan morgen ook nog,” wuift hij. Ik maak hem duidelijk dat ik liever vandaag dan morgen uit deze rottrein wil. “Mrzim ovaj vlak,” is een van de weinige volzinnen, die ik al in het Servokroatisch kan zeggen. Dan laat ook hij me alleen.

Intussen zit ik danig op hete kolen, want we staan zeker een half uur stil aan de grens en de tijd begint te dringen, want in Zagreb heb ik “slechts” een uur speling voor de nachttrein naar München. Tot overmaat van ramp moeten we in Sisak weer eens op de bus overstappen. Ons wordt echter verzekerd dat we alle aansluitingen zullen halen en inderdaad, de trein staat nog onbeweeglijk op het perron. Ik ga op zoek naar een zitcoupé. Aan een jongeman in priesterstenue vraag ik of de plaatsen om hem heen nog vrij zijn. “Jazeker,” glimlacht hij, “maar dit treinstel gaat maar tot Ljubljana. Je moet voorin zijn.”

Daar tref ik alleen couchettes aan, iets anders is er niet te vinden. Ik schuif maar bij twee zweedse jongedames aan, maar wordt er een uurtje later door de conducteur weer uitgevist. Hij dirigeert me verder naar de onderbuik van de trein en goddank weet ik nog een zitplaatsje te bemachtigen in een overvolle coupé. In Ljubljana stroomt de trein vol met backpackers, die allen gedoemd zijn tot een staanplaats in het gangpad. Naast mij zit een jong nederlands stel. Ik heb echter geen zin om te praten; sowieso is de voertaal Engels, want tegenover ons zitten een jonge Spaanse en een wat oudere Sloveense. Zij begint enthousiast over Ljubljana te vertellen; wij komen allen rechtstreeks uit Sarajevo en de loftuitingen kaatsen door de coupé. Ik lees mijn boek, te moe om pap te zeggen. In Ljubljana sta ik op om in de deuropening te roken (we zijn immers Bosnië uit, dus dat mag hier niet meer!) en in Graz nog een keer. Opgekruld tegen mijn stoelleuning dommel ik nu en dan weg.

 

 

29 augustus

Iets over zevenen rijdt de trein München binnen. Ik haast me linea recta met met mijn Supersparpreisticket naar het loket en wat ik vreesde wordt bewaarheid: het ticket is inderdaad niet meer geldig. Ik ontsteek in woede. “Hoe moet ik nu thuiskomen?” roep ik uit. De vrouw achter de balie oppert een Quer durch Deutschlandticket tegen een zacht prijsje per Regionalbahn met vijf overstappen. Ik heb vanavond een Slam in Leverkusen; of ik dat op tijd haal? Er wordt driftig getikt en de printer aan het werk gezet. De vrouw laat haar pen over het Reiseplan glijden. “De trein naar Nürnberg gaat om 5 over 9, 5 overstappen verder bent u vanavond om 5 over 7 in Leverkusen,” glimlacht ze liefjes. “Er gaan natuurlijk ook ICE’s, die zijn een stuk sneller, maar...” Mijn hersens werken op hoogspanning. De Slam begint om 8 uur, dus dat moet ik kunnen halen.

Al op de eerste Strecke naar Nürnberg dommel ik in, maar net niet diep genoeg om de gemiste slaap te kunnen inhalen, bovendien word ik na twee uur weer de trein uitgebonjourd. Dit herhaalt zich zo nog vijf keer. Ik voel me geradbraakt en het duizelt me van het slaaptekort. De verleiding is groot om in Keulen de trein naar de grens te pakken, ware het niet dat ik op ben en geen trein meer kan zien. Het beste waar ik op kan hopen is een comfortabel bed voor de nacht. Op het station in Leverkusen neem ik een taxi naar het café waar de Slam plaats vindt; ik heb zelfs geen kracht meer om mijn koffer te verslepen. Hoe ik op de Slam zal scoren zal mij worst wezen; er is tenminste te eten en te drinken en een bed na afloop, zo wordt mij verzekerd. Ik val op de roereieren aan, eindelijk weer een normale, rustiekduitse maaltijd. Die Bosniërs lijken alleen maar vlees, met als enige groente een soortement koolrabi te eten. “Hoe lang heb je nu inmiddels niet geslapen?” vraagt een collegaslammer ginnegappend. Ik struikel tijdens mijn voordracht over al mijn woorden. Lasse Samström wint met zijn maniakale verhaspelingen van de duitse taal. Het bed, dat mij is beloofd, staat bij de barman thuis. Ongeduldig wacht ik tot hij de tap heeft gepoetst. Gelukkig woont hij op vijf minuten lopen van het café; het zijn de laatste meters met mijn evengoed loodzware koffer op wieltjes. Nooit geweten dat tussen de lakens glijden zo heerlijk voelt.

 

30 augustus

Verkwikt wat rondgestruind in Leverkusen-Opladen, zoals het stadsdeel officiëel heet. Stad van de locomotieven. Nog even en de laatste locomotief brengt ook mij thuis.

 

 

 

 

Reacties

Dennengeur en lulletjes rozenwater

 

We leefden op bij Toppop en playbackten

Dancing queen in onze slechtzittende

jurkjes van crèpepapier. Toen was

exhibitionisme nog heel gewoon.

 

We kochten de Hitkrant voor een kwartje

ruilden knikkers en Roxy Duals met

het eerste het beste lulletje rozenwater

dat op de koop toe zijn piemel

 

liet zien. Het enige schisma bestond

tussen topjesdragers en topjeslozen

aan het Henschotermeer. Het einde

der tijden allang niet meer van

 

hogerhand gedicteerd maar door

marsmannetjes en de bom. Picknicks

in het bos op julidagen zwaar van

dennengeur als moeder vader weer

 

eens verliet. Dit waren de seventies

de zwartekousenjuf en de lineaal

op de vingers het laatste relikwie

de eerste allochtoon was een lesbische

 

negerin. Als onze schaduw gegroeid

en onze wolkige adem ons huiswaarts

dreef troffen we daar vader

en alles weer bij het oude aan.

 

Reacties

Alledag in Zilverstad

 

Ze strikt zijn veters en laat

hem uit geeft hem goede raad 

voor onderweg als hij vertrekt

om zilver voor haar te delven

 

met zijn aktentas vol buskruit

lijkt hij te figureren in een

Fellinifilm: zijn haar geurt

naar pommade haar rok is

 

te wijd om het kind in hem veilig

op te bergen haar mond een

weerhaak waaraan je je lelijk

kunt bezeren. Hij heeft belangrijke

 

dingen te doen al is de vrede

weergekeerd maar de knopen van het uniform

glimmen nog. Op een terras

drinkt hij rakija terwijl zijn vroegere

 

vijanden zich levend hebben verschanst.

Een veldwachter draagt het hart

Onder de arm. Rade zegt dat hij niets

verkeerds heeft gedaan. Zo was oorlog.

 

Reacties

 

In waardigheid hersteld

 

 

 

Toen er nog marsen werden gelopen

 

en roofdieren te kijk toen het bos

 

nog geen schuldig landschap een boom

 

nog geen ladder tot in de hemel.

 

 

 

Wij strompelden als leprozen

 

het gezicht bedekt met de schubben

 

van de schande de laarsafdruk

 

van de Nazibeul op onteigende bodem.

 

 

 

Zo sloegen wij aan het zwerven

 

wandelende joden dolende spleetogen

 

zie hier de onderste mens

 

tot beest in rozentuin en barakken.

 

 

 

Wij verwelkten onder aarde en kalk

 

onze namen versleten onze botten verveld

 

maar wie gemist wordt ooit gevonden:

 

zo brengen wij oeroude grond aan land

 

 

 

zoals het zand dat was weggeblazen

 

zijn wij teruggekomen naar een plaats

 

om uit te rusten op het ereveld

 

een steen met een gezicht, een naam.

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl